Zing zonder vrees: geef mij maar Amsterdam

‘Zangplaatsen, zei de meester.’ Het woord ‘zangplaats’ is al oud maar bestaat nog steeds maar amper. In Van Dale komt het niet voor, en als je het googelt krijg je precies één treffer in de hier bedoelde betekenis....

Ik voeg er hier en nu een tweede bewijsplaats aan toe: hoofdstuk 14 van Theo Thijssens Kees de jongen. De roman over dat Amsterdamse jochie Kees Bakels, die in zijn schoolklas een zangplaats had bij de derde stemmen, en die ervan genoot ‘enkel maar te zingen, zonder dat je ergens bang voor behoefde te zijn*’ Als Geef mij maar Amsterdam van Patrick van den Hanenberg en Lisa Wade herdrukt wordt, en als de uitgever dan op het omslag lovende kritieken wil citeren, dan moeten ze dát als aanbeveling op de voorkant zetten, gewoon: ‘Kees de jongen. Zingen zonder bang te zijn.’

Geef mij maar Amsterdam is ondanks die titel geen boek dat je kunt meezingen. Voor de canon van het Amsterdamse dan wel Jordanese levenslied, voor de meejanker, de tranentrekker, en de zweetsokken aan de voet van de Westertoren, kan de liefhebber zich de komende maanden nog vervoegen bij het Amsterdams Historisch Museum.

Dat wil niet zeggen dat Tante Leen en Johnny Jordaan niet voorkomen in het boek. Ze spelen hun rol voortreffelijk in het hoofdstuk over de jaren 1945-1958, de wederopbouw, toen geluk nog heel gewoon gevonden werd zonder mp3-speler.

Geef mij maar Amsterdam heeft als ondertitel ‘een gezongen geschiedenis van Amsterdam vanaf 1900’. De nadruk ligt daarbij op ‘geschiedenis’, en pas daarna op de wijze waarop over die geschiedenis in de desbetreffende zangplaats gezongen is. De vele liedteksten of fragmenten daaruit worden tussen de historische gevoegd. Wie die tekst zong, schreef, of de melodie componeerde, wanneer en bij welke gelegenheid, dat moeten we meestal opzoeken in het notenapparaat. Voor een lezende zanger is dat wel praktisch, voor een zingende lezer is het minder.

Wie was Wibaut? Wat zei Mussert ook al weer in Carré? Wat provoceerden Kabouters? De ‘Schreeuw van Theo van Gogh’, verstild door Jeroen Henneman. Het wordt verteld, uitgelegd, en pas dan voorzien van de liedtekst die bij de gebeurtenis hoort. Heel vaak zijn die gebeurtenissen gevleugeld geworden: van ‘Gans het raderwerk staat stil’ (1903, spoorwegstaking) tot Jan Schaefers ‘In gelul kun je niet wonen’. Of ‘Johnson moordenaar’, ‘Geen woning, geen kroning’, en Job Cohens ‘De boel bij elkaar houden’. In Geef mij maar Amsterdam is niemand bang daarover te zingen. Het boek staat ondanks al die geschiedenis van woorden ook vol met de laatste noten uit de roman Kees de jongen: ‘de daverende muziek in zijn hoofd.’

Ed Schilders

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden