Zijn leven is precies zoals acteur MARCEL MUSTERS (48) hoopte dat het zou worden. Toch zijn de grote vragen nog steeds niet beantwoord.

Eshan Jami komt erin. Als vanavond Mug Inn na een korte afwezigheid in het theater opnieuw op de planken wordt gebracht, zal Marcel Musters, in de gedaante van de zingende barkeeper Ergun, vast en zeker zijn zegje doen over de kwestie die Nederland nu alweer weken bezighoudt....

‘Shocking’ vindt hij het dat zoveel mensen over Jami heen zijn gevallen, en er zelfs openlijk aan wordt getwijfeld of hij op straat is gemolesteerd. ‘Beangstigend’, aan de andere kant, dat een ex-moslim in eigen kring niet kan zeggen wat hij gelooft, of beter, niet gelooft. ‘Want als er in moslimkringen over zoveel niet gesproken kan worden, weten wij niet wat er in hun hoofden omgaat, en waartegen we ons moeten verweren.’

Hij heeft een enorm stuk kauwgum in zijn mond. De kaken gaan zenuwachtig op en neer. Marcel Musters heeft het druk deze weken. Hij repeteert opnieuw voor Mug Inn, het stuk dat vorig seizoen volle zalen trok, hij staat op de Uitmarkt, draait de tweede serie Vuurzee voor de VARA, en dan moet er ook nog een nieuwe zakelijk leider voor Mugmetdegoudentand worden aangenomen.

Tweeëntwintig jaar speelt hij met het gezelschap waarvan hij mede-oprichter is. De stukken van ‘de Mug’ weerspiegelen al twee decennia niet alleen de tijdgeest, ze zijn ook een verslag van de zoektocht van de eigen generatie. Halverwege de jaren negentig waren het het ongebreidelde hedonisme, de identiteitscrisis en de lokroep van de alternatieve boerderij, in stukken als Enter, Onder Controle, en de tv-serie Hertenkamp. Tien jaar later is het in Mug Inn het wij-zij denken, Wilders, homoseksuele moslims, de oorlog in Irak, het omroepbestel, opvoeding. ‘Mug Inn hadden we oorspronkelijk bedacht als televisieserie voor de VPRO. Het was voor ons de ideale manier om de actualiteit in een serie te brengen: een café met stamgasten die de toestand in het land bespreken.

‘Dat heeft natuurlijk ook met ons en met het nu te maken. Met de agressie tegen homo’s.’

Voel jij je meer bedreigd, de laatste jaren? ‘Nee. Ik ben ook nog nooit uitgescholden. Ik denk dat ze bang van me zijn of me niet zien.’

En toch. Op de set van Kicks, een fi lm waarin Musters vorig jaar speelde, lag een Telegraaf met een nieuwtje over Gordon. ‘Gadverdamme’, riep een van de Marokkaanse acteurs, ‘Gordon is een homo.’ En toen twijfelde Musters. Zou hij zeggen dat hij er ook een was? Hij deed het niet. ‘Ik wilde die jongen niet in verlegenheid brengen.’

Liever jezelf verloochenen dan een moslim voor het hoofd stoten. ‘Dat is een raar mechanisme, ja.’

Je laat je in de kast duwen.

‘O nee. Ik heb alleen lang gedacht: je moet iedereen in zijn waarde laten. Maar als het verder gaat dan dit, als ik niet meer kan leven binnen de verworvenheden van deze samenleving, ja, dan ga ik de barricaden op – of liever nog: de planken.’

Het was in zijn derde jaar op de toneelschool in Amsterdam dat docent Jan Ritsema tegen hem zei: ‘Ik wil niet meer dat je hier komt, ik vind het vervelend dat je altijd in twijfel trekt of je kunt spelen, altijd weer een nieuwe reden bedenkt waarom het niet lukt. Je mag pas weer terugkomen als je zegt: ik kan het, ik kan acteren, en dan mag het best lelijk zijn, maar doe het.’

Dat kwam aan. ‘Ik heb uren langs de grachten gelopen, en ik weet nog dat ik dacht: dit is een belangrijk moment. Als ze me later vragen naar een keerpunt in mijn leven, dan is dit het.’

Waarom vond je dat je het niet kon? ‘Ach, ik vond gewoon iedereen beter dan mezelf.’

En wat bedacht je daar op die grachten? ‘Dat Jan Ritsema gelijk had: dat ik zelf moest voelen dat ik het kon. Dat heeft trouwens nog jaren geduurd. Ik denk dat ik al vier jaar met de Mug bezig was, toen ik dacht: dit is het, ik mag mezelf niet tijdens het spelen bekritiseren, ik moet me helemaal openstellen, ik moet spelen zonder gêne en pas achteraf mag ik analyseren wat er mis ging.’

Waarom ging je eigenlijk naar de toneelschool? ‘Ik had Het Werkteater gezien. Laatst waren Marja Kok en Shireen Strooker naar een voorstelling van ons komen kijken. Ze zeiden zulke leuke dingen over ons, dingen waarvan ik altijd had gedroomd dat dat ooit over de Mug zou worden gezegd. Dat we zo’n bijzondere groep waren, dat het ze deed denken aan Het Werkteater, dat ze mij zo ontzettend goed vonden. Marja en Shireen, dat waren koninginnen voor mij. En dan zo’n compliment krijgen.’

Wat herkenden ze in jullie? ‘Dat we samen stukken maken over het nu, in een nieuwe vorm, met humor. En wij, de acteurs, schemeren net als zij destijds, altijd door onze rol heen. Sterker: op het toneel in en uit een rol kruipen vind ik het leukste. Zoals in Mug Inn. Daar ben ik Ergun, en Marcel. En die twee leveren commentaar op elkaar. Dat maakt het spannend. Ik ben niet zo geïnteresseerd in een rol die niets met mij te maken heeft. Ik kan daar wel mijn acteurschap in kwijt, maar dat vind ik niet bevredigend.’

Wat zeggen jouw rollen van de afgelopen jaren over jou? ‘Dat ik driftmatig en gevoelig ben. Optimistisch en pessimistisch. Een bemiddelaar en iemand die graag de aandacht naar zich toe trekt. Zorgzaam en hard, verlegen en arrogant. Serieus en met humor. Een echte tweeling.’

Je hebt wel eens gezegd: ‘De acteurs van de Mug zijn laboratoriumpoppetjes op het toneel. We proberen met onze voorstellingen iets te doorgronden wat we niet snappen.’ Wat? ‘Nou, wat de kernwaarden van het leven zijn. Wat leven is. Hoe je dat doet.’

Zijn vader Cees was bedrijfsleider van de eerste nachtclub in Tilburg, The Blue Note. Cees was een man met verlangens die niet pasten in het leven dat hij leidde. Hij droomde van een groots en meeslepend leven, maar woonde in een rijtjeshuis, met vier zoons en een vrouw met wie hij een weinig harmonieus huwelijk onderhield. Cees dronk. Zijn leven en dat van zijn gezin matchten niet.

De eerste grote levensvraag voor de jonge Marcel kwam op in dit decor: wat is liefde? ‘Liefde bij de buren en in de boeken die ik las: dat was iets onvoorwaardelijks en iets moois. Thuis was het schreeuwen en altijd ruzie. Maar dan wel met Oud en Nieuw zeggen: ik hou zoveel van jullie. Ik kon dat niet rijmen. Nu wel: ik snap het verlangen naar het goed te doen, maar het niet te kunnen.’

Tweede levensvraag, een paar jaar later, toen hij als verpleegkundige werkte in het psychiatrisch ziekenhuis in Vught: hoe blijf je aan de goede kant van de grens tussen gek en gewoon? ‘Ik heb wel eens gedacht: het zijn de patiënten die normaal zijn, en wij zijn de gekken. Want hoe kun je al die dingen doen die wij doen – een huishouden draaiende houden, een vriendenkring opbouwen, werken, omgaan met alle ellende die op je af komt, en dan al die honderd andere kleine dagelijkse dingen die je moet doen – zonder gek te worden?’

Hij denkt nog vaak aan zijn patiënten. Aan Nel, van de longstay-afdeling, die kon bellen zonder telefoon. Aan Josien, Viktor & Rolf avant la lettre. ‘Vier keer per dag kwam ze met een andere creatie haar kamer uit. Dan liep ze door de gestichtsgangen met gordijnringen om haar vingers, een sjaal om haar hals gedrapeerd, met een wasknijper vastgemaakt aan een oorlel.’ Of Ria. Tijdens zijn eerste nachtdienst werd ze zo vervelend dat hij – het was de tijd van de directieve psychiatrie – moest zeggen: ‘Ria, nu de gang op.’ Maar Ria wilde niet, die sloeg met haar hand, zo, dwars door het glas van de deur, en terwijl het bloed uit haar slagader stroomde, keek ze hem en zijn collega aan, en schreeuwde: ‘Jullie maken me dood.’ Diezelfde nacht overleed ze in het ziekenhuis. ‘Ik was net 18, nog nat achter de oren.’

De derde vraag – die ging over de dood. ‘Als klein kind was ik er bang voor. Een kinderlijke angst: dat je er niet meer bent, dat je wordt vergeten. Naarmate ik ouder werd, verdween die angst, maar nu komt hij weer terug. De gedachte dat ik mijn dierbaren dan niet meer zie. Ondraaglijk.’

Een paar jaar geleden gingen in een jaar tijd zeven dierbaren van je dood. ‘Ik heb er daarna nog zo veel verloren. Ik denk elke dag wel een keer: straks krijg ik weer een telefoontje.’

Wordt de dood gewoon? ‘Ik probeer te voelen dat de dood bij het leven hoort. Vijf jaar geleden overleed mijn moeder, aan longkanker. Ze was binnen vier maanden dood. De grootste les die ze me in die maanden heeft geleerd is: je kunt berusten in de dood. Toen ze hoorde dat ze ongeneeslijk ziek was, zei ze: ‘Iedereen gaat een keer, nu is het mijn beurt.’ Ik hoop dat ik, als ik iets krijg, niet zal zeggen: waarom ik, maar: waarom ik niet?’

In feite heeft hij dit geleerd: het leven is niet maakbaar. ‘Wat mensen ook zeggen: over ziekte en dood hebben we niks te vertellen. The American Dream? Onzin. Waar gaat dat over? Alleen maar over materie.’

En over keuzes maken waarmee je nieuwe werelden opent. ‘Zeker, maar is dat bepalend voor hoe je je voelt? Kijk, ik heb een leuke relatie, een heerlijk huis, goede vrienden, ik verdien genoeg met werk dat ik heel graag doe. Mijn leven is precies zoals ik hoopte dat het werd: artistiekerig, in een grote stad, vervullend. Sinds mijn 17de reis ik elk jaar een paar maanden. In die zin heb ik mijn leven zelf gemaakt.

‘Maar dan. Je bent niet alleen. Je zit met allemaal lijntjes aan andere mensen vast. Aan je vader, je moeder, aan je broer die ziek is, je tante die 85 is geworden, aan collega’s. En met die mensen gebeuren dingen. Ze worden ziek, gaan dood, liggen in scheiding, zijn ongelukkig. En dan kan je leven nog zo maakbaar zijn, je geluk of je ongeluk wordt in grote mate door anderen bepaald.’

‘Driftmatig, maakt alles kapot wat hem lief is, iets met fysiek, en overdreven verantwoordelijkheidsgevoel.’ Die vier punten stonden er op ‘de werklijst’ van Musters, in de voorstelling Onder controle, dertien jaar geleden. Alle acteurs uit het stuk hadden zo’n lijst. Musters’ collega’s hadden die van hem bedacht, en hij kon zich er helemaal in vinden.

Zullen we ’m eens doorlopen?

Musters veert op.

Driftmatig. ‘Ben ik nog steeds. Snel boos, snel verdrietig, snel enthousiast. Ik zou wel een minder opgewonden standje willen zijn.’

Maakt alles kapot wat hem lief is. ‘Ik ben het hardst tegen degenen die het dichtst bij me staan. Maar ik heb meer dan vroeger geduld met de mensen verderop. Ik ben liever geworden. Ik denk vaker: iedereen doet z’n best, laten we niet zo streng zijn voor elkaar.’

Overdreven verantwoordelijkheidsgevoel. ‘Begon toen ik kind was. Het huwelijk van mijn ouders was niet goed, de sfeer in huis was altijd gespannen. Ik voelde me verantwoordelijk om dat een beetje in goede banen te leiden. Later had ik hetzelfde als verpleegkundige: verantwoordelijk voor het welzijn van mijn patiënten. En weer later voelde ik het voor de Mug. Altijd met alles bezig, geen detail ontging me.’

Iets met fysiek. ‘Dat heb ik geaccepteerd.’

Je bedoelt: dat je dik bent. ‘ Hanneke Groenteman wil graag een voorstelling met me maken, en dat lijkt me heel leuk, maar ik heb meteen gezegd: ik wil het niet over dik hebben.’

Waarom niet? ‘Omdat vrienden tegen me zeiden: stop nou met dat dik. Ze hebben gelijk. Kijk naar Hanneke: eerst was ze dik, en ging het erover, nu is ze dun, en gaat het er nog steeds over. Ik snap dat goed: ik had het erover, heb het erover, en zal het er altijd over hebben.’

Het is een obsessie. ‘Een verslaving. Mijn moeder was verslaafd aan sigaretten, mijn vader aan drank, ik aan eten. Je hebt van die mensen, die eten niet als ze ongelukkig zijn. Ik eet altijd. Als ik gelukkig ben eet ik om het leven te vieren, als ik ongelukkig ben om mezelf te troosten. En altijd voor twee personen: een gezonde, en een ongezonde. Overdag eet ik groenten en fruit, ’s nachts na een voorstelling de vette happen.’

Hij pakt er een foto bij van de gebroeders Musters, vier stevige mannen van middelbare leeftijd. Als hij weer vindt dat hij te weinig wilskracht heeft om af te vallen, troost hij zich met de gedachte dat het genetisch is. Gisteren, op een feestje van zijn jarige neefje, hoorde hij: ge bent echt helemaal Cees. En dat kan hij wel vervelend vinden, maar op zijn 48ste houdt hij zichzelf toch liever voor: ‘Accepteer het, je komt uit een familie van dikkerds.’

Terug naar het theater als laboratorium. En naar die ene vraag: hoe te leven? In hoeverre heeft het spelen je daarover iets geleerd? ‘Pfff’, zegt hij. ‘Ik geloof niet dat ik die vraag kan beantwoorden. In ieder geval dat je ook een beetje moet spelen met het leven.’

Een belangrijk moment op het podium dan, volgens je collega Joan Nederlof: ‘Dat Marcel ging huilen tijdens La mama morte, van Maria Callas, in Onder controle.’ ‘Ja, dat was wel een doorbraak. Ik had tot dan toe nooit iets helemaal zonder voorbehoud gedaan, maar bij dat nummer van Callas dacht ik: ik ga de mensen in de zaal vertellen wat mij raakt, en toen ging ik vanzelf huilen. Elke avond vertelde ik een ander verhaal, en elke avond huilde ik.’

Volgens Joan durf je sindsdien alles. ‘Behalve bloot. Dat vind ik nog steeds genant.’

Vrienden zeggen: ‘Marcel wil zijn publiek de laatste jaren vooral met een goed gevoel naar huis sturen. Hij is minder confronterend geworden.’ Musters knikt. ‘Ik kan niet anders meer. Ik heb hoop nodig.’

Hij vertelt nog een keer over zijn tijd als verpleegkundige in Vught. Hij is nog vaak teruggegaan naar zijn patiënten, maar de laatste jaren niet meer. ‘Iedereen is dood.’ Toch denkt hij steeds vaker: zou ik het niet nog eens doen? Een jaar de verpleging in? Het is hem gevraagd, door een collega van vroeger. En of hij er dan een verslag van zou willen schrijven.

Wat zou je anders doen dan vroeger? ‘Ik zou nu een echte steun zijn. Letterlijk.’ Hij maakt zich breed, knijpt in zijn armen, en zegt: ‘Nu heb ik er het fysiek voor.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden