Beschouwing Boekenweek

Zij stond alleen aan dek. Maar stond die moeder nu áán of bij het roer?

Beeld Typex

Ook historica Els Kloek protesteerde tegen het thema van de Boekenweek: ‘De moeder de vrouw’. Terwijl ze Martinus Nijhoffs gelijknamige gedicht prachtig vindt. 

Ik ben behept met een soort aangeboren feminisme – bij alles wat ik zie of hoor, vraag ik me af hoe het zit met de man-vrouwverhoudingen. De vraag waarom jongens meer mochten dan meisjes hield me als kind al bezig. Waarschijnlijk kwam dat ook door mijn moeder, een huisvrouw die een gloeiende hekel had aan alles wat huishoudelijk was. Tussen haar nagelaten boeken zat de beroemde aulapocket De vrouw (1951) van F.J.J. Buytendijk. Het boek is ongelezen, en ik weet ook waarom. Ze heeft het boek woedend dichtgeslagen, vertelde ze me veel later, na het lezen van de eerste zin. Die luidt: ‘Het uitgangspunt van deze studie is geweest, dat de vrouw een mens is.’

Mijn moeder was ook degene die me de opruiende gedichtjes van Annie M.G. Schmidt liet lezen: ‘Ik ben lekker stout’, ‘De regenworm en zijn moeder’ (‘doe nooit wat je moeder zegt, dan komt het allemaal terecht’). Niet lang nadat ik had leren lezen en schrijven, besloot ik dichteres te worden. ’s Avonds voor het slapen gaan lag ik te oefenen: rijmen was spelen met taal, ontdekte ik. 

Dit duurde totdat een schooljuf een van mijn gedichten, speciaal gemaakt voor de ouderavond, afkeurde. Pas jaren later begreep ik waarom. Het gedichtje ging over een vrouw die haar stoep tot ’s avonds laat schrobde en meester Wijsneus, die langs kwam en zei: ‘Zie je daar de maan? ’t Is tijd om naar bed te gaan./ Kom dan gaan we saam.’ Ze had het dus als een scabreus versje opgevat. 

Na deze afwijzing voelde ik me voorgoed onveilig als het om poëzie ging. Ik hield op met mijn rijmpjes en heb een groot deel van mijn leven de poëzie op afstand gehouden. Ik koos voor de prozaïsche studie geschiedenis en werd historica, met een uitgesproken belangstelling voor de rol die vrouwen in het verleden hebben gespeeld.

De ironische versjes van Annie M.G. schoten me weer in gedachten bij de ophef over het thema van de Boekenweek van dit jaar, ‘De moeder de vrouw’ – ook ik heb de protestbrief ondertekend toen het thema en de namen van de auteurs van het Boekenweekgeschenk en het Boekenweekessay – twee mannen – bekend werden. Dit is een verlate stemverklaring.

Mijn verontwaardiging was spontaan. Om te beginnen vond ik het thema ouderwets en oubollig. Het werkt als een uitnodiging aan schrijvers om hun moeders literair nog meer uit te melken. Hadden we dat niet een beetje gehad? Begrijp me goed: ik heb het dan niet over Nijhoff. Onder de kop ‘Aan het roer, niet achter het fornuis’ verdedigde de CPNB zich door het thema te kwalificeren als ‘een onderwerp dat net zo veelzijdig is als dat er moeders en vrouwen zijn’. Dat is niet alleen niveau Koningslied (‘de dag die je wist dat zou komen’), maar ook een dooddoener. Trouwens: in het sonnet van Martinus Nijhoff waar het thema aan is ontleend, staat helemaal niet AAN het roer. Er staat BIJ het roer – daarover straks meer.

Het gedicht van Nijhoff is prachtig.

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,

mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd 

laat mij daar midden uit de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Toen ik een jaar of tien geleden de poëzie weer voorzichtig binnenliet in mijn leven, was dit klassieke sonnet een van de eerste gedichten die ik uit het hoofd leerde. Het sprak me aan dat de dichter een psalmen zingende vrouw opvoert die alleen aan dek staat, terwijl hijzelf in het gras thee ligt te drinken. Wat een mooi beeld! 

Hij kiest voor het perspectief van het volwassen kind (een man) dat terugdenkt aan zijn moeder. Ik kon me daar als volwassen kind (een vrouw) heel goed in verplaatsen. Nu weet iedereen dat het overstijgen van het particuliere de kracht is van goede kunst, dus ook van poëzie. Kunst is daarom ook niet tijdgebonden, al moeten we het kunstwerk uiteraard wel in zijn tijd plaatsen. Martinus Nijhoff schreef zijn gedicht in 1934. Dat was ongeveer in dezelfde tijd dat Freud zich afvroeg: ‘Was will das Weib?’.

Bij dat uit het hoofd leren van ‘De moeder de vrouw’ waren er wel een paar zinswendingen die ik lastig vond om te onthouden: ‘midden uit de oneindigheid’ bijvoorbeeld, ‘dat mijn oren klonken’, ‘het schip dat zij bevoer’ – ze liepen naar mijn smaak niet helemaal lekker. Maar wat me het meest stoorde was de zin ‘zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer’. Wat een gemiste kans vond ik dat. De vrouw had toch ‘aan het roer’ moeten staan! Dan had ik, met mijn aangeboren feminisme, het gedicht nog mooier gevonden. Ik was dan ook uitermate opgetogen toen ik ontdekte dat in het oorspronkelijke handschrift wel degelijk ‘aan het roer’ staat.

Tot mijn verbazing besteden literatuurwetenschappers weinig aandacht aan dit verschil tussen de oorspronkelijke versie en die in druk. Wetenschappelijke beschouwingen gaan vooral over de oevers, de brug, het water en de psalm, ingrediënten die wijzen op het door en door christelijke gehalte van dit gedicht. Dat valt onder andere te lezen in ‘Midden uit de oneindigheid’, een bijdrage van literatuurhistorica Yra van Dijk aan het tijdschrift Nederlandse Letterkunde (2002). De suggestie van A.L. Sötemann dat Nijhoff voor ‘bij het roer’ had gekozen omdat Jezus al ‘aan het roer’ staat, lees ik daar, past in deze traditionele duiding. W.A. Ornée is het hier niet mee eens. Volgens hem stonden vrouwen in werkelijkheid ‘bij’ en niet ‘aan’ het roer, want ze plachten te breien. 

Tja… Met Yra van Dijk ben ik het eens dat de ingreep hoogstwaarschijnlijk alleen maar te maken heeft met het feit dat er al ‘aan dek’ stond (en ‘op het dek’ zou het metrum geweld aan doen). Begrijpelijk, maar het is en blijft eeuwig jammer, want zo heeft Nijhoff het ijzersterke beeld van de vrouw aan het roer afgezwakt. Vind ik.

Tot zover het thema. Slecht gekozen, maar soit. Ik was en ben vooral verontwaardigd omdat er twee mannen werden uitgenodigd om het Boekenweekgeschenk te schrijven. Arme Jan Siebelink, arme Murat Isik! Natuurlijk hebben ze ‘ja’ gezegd toen ze voor deze eervolle opdracht werden gevraagd – zij kunnen er ook niets aan doen dat ze man zijn. Maar ik vind de keuze op zijn zachtst gezegd weinig elegant. Hebben vrouwen geen moeders? Zijn er geen moeders die schrijven? En nog iets: zijn het niet juist vrouwen die worstelen met het moederschap, zeker in combinatie met carrières?

Vrouwen hebben eeuwenlang minder kansen gehad om hun talenten te ontwikkelen, en als ze het al deden, werden ze zelden serieus genomen, want de mannenwereld was een bijna onneembare vesting. Voor een deel was die uitsluiting openlijk. Het leger, politiek en bestuur, de financiële wereld, de wetenschap en de kerk – allemaal sectoren waar vrouwen formeel pas in de loop van de laatste honderd jaar toegang toe hebben gekregen, en dat vaak nog mondjesmaat. De culturele sector gaf vrouwen van oudsher wel wat mogelijkheden om hun talenten te ontwikkelen, maar ook daar waren de drempels vaak torenhoog. 

Laat ik me nu tot de wereld van de letteren beperken. Toen Charlotte Brönte in 1836 enkele gedichten opstuurde naar dichter Robert Southey (wie kent hem nog?), antwoordde hij haar dat ze zich beter met haar huiselijke plichten kon bezighouden. Oké, dat was de 19de eeuw… Maar het uitsluitingsmechanisme werd in de 20ste eeuw alleen maar doortrapter. De literatuurhistorici Wiljan van den Akker en Gillis Dorleijn hebben dat in hun De muze: een vrouw met den blik van een man (2003) mooi in kaart gebracht. Het stuk is gelardeerd met vrouwvijandige citaten van de heren literatoren tussen grofweg 1880 en 1940 en leest dan ook als een soort gruwelkabinet: alles werd uit de kast gehaald om vrouwen met hun ‘damesromans’ en ‘juffrouwengeschrijf’ buiten te sluiten. Schrijvende mannen, zo laten Van den Akker en Dorleijn zien, claimen sinds de Tachtigers alle recht op het ‘feminien register’ – daar zijn ze trots op – terwijl schrijvende vrouwen juist om al hun vrouwelijkheden worden afgebrand of, als ze ‘mannelijk’ zijn, als ‘onvrouwelijk’ worden weggezet. 

Zo stelt neerlandicus en essayist Nico Donkersloot in 1932 onomwonden dat vrouwen de uit- én inwendige verfijning ontberen die nodig is voor poëzie: ‘de vrouw mist daartoe die eigenaardige tweeledigheid – tweeslachtigheid bijna – van gevoel en objectiveering, beheersching en bewerking van dat gevoel in de taal’. Die houding werkt door in de canonvorming, aldus literatuurhistorica Maaike Meijer. Ze noemt deze uitsluitingsmechanismes ‘het veelkoppige monster van de literair-historische amnesie’. Wat we ook voor inhaalmanoeuvres uithalen, ‘vrouwen worden eerder vergeten’, aldus Meijer. Ze worden over het hoofd gezien, gekleineerd of krijgen anderszins een secundaire plaats toegewezen omdat ze niet voldoen aan de codes van mannelijk gedrag en geen volwaardig lid zijn van culturele netwerken.

Natuurlijk worden vrouwen tegenwoordig niet meer opgesloten in het moederschap en natuurlijk eisen ze een actieve rol op in het hele maatschappelijke leven, als vrouw, als moeder, als mens, als schrijver. Waarom krijgen zij dan juist dit jaar, met juist dit thema, niet het podium? Is het naïviteit van de CPNB geweest? Het thema ‘de moeder de vrouw’ is misschien niet zo erg als Freuds ‘was will das Weib’, en Buytendijks botte uitgangspunt over de vrouw als mens, maar vrouwen worden ermee wel weer als ‘de ander’ weggezet. Dat sommige mannen er maar niet aan kunnen wennen dat ook vrouwen meedoen aan het literaire leven, werd laatst weer glashelder met de column van de altijd verongelijkte Tomas Ross over ‘kwebbelkutjes’ – ik verzin het niet – die de markt verpesten. Hier is de uitspraak van Mies Bouwman op zijn plaats: ‘Er is één ding verdrietiger dan jaloerse vrouwen: jaloerse mannen.’

Wat is de slotsom van dit stuk over het thema van de Boekenweek van 2019? Ik stel voor dat we met zijn allen héél veel boeken, en vooral ook poëzie, van vrouwen gaan kopen en lezen. In de Boekenweek krijgen we er toch alweer een door een man geschreven boek gratis bij. En als we het thema ‘de moeder de vrouw’ willen actualiseren, laten we dan vooral ook door vrouwen geschreven gedichten over vrouwen en het moederschap lezen en herlezen. Er zijn er zoveel! Zelf ben ik al jaren fan van ‘Mijn moeder is mijn naam vergeten’ (1966) van Neeltje Maria Min – een gedicht dat minstens zo bekend is als Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’. Ook dat gedicht leerde ik uit mijn hoofd en ik had daar totaal geen moeite mee, want de woorden klonken niet alleen, ze klopten ook, wat mij betreft.

mijn moeder is mijn naam vergeten,

mijn kind weet nog niet hoe ik heet.

hoe moet ik mij geborgen weten?

noem mij, bevestig mijn bestaan,

laat mijn naam zijn als een keten.

noem mij, noem mij, spreek mij aan,

o, noem mij bij mijn diepste naam.

voor wie ik liefheb, wil ik heten.

De interpretaties van dit gedicht laat ik nu buiten beschouwing. Ik heb er mijn eigen betekenis aan gegeven. Als historica met aangeboren feminisme ben ik ooit begonnen met het zichtbaar maken van vrouwen in de geschiedenis. Inderdaad, vrouwen worden sneller vergeten. Mijn inhaalmanoeuvre heeft geresulteerd in het project 1001 vrouwen: een biografisch woordenboek van vrouwen in de Nederlandse geschiedenis, met inmiddels meer dan tweeduizend korte bio’s. Bij mijn monnikenwerk heb ik vaak het gedicht van Neeltje Maria Min in gedachten gehad, want de kern ervan was dat ik liefde en belangstelling wilde opwekken voor die keten van naamloze vrouwen en hun bestaan bevestigen: ‘noem mij, noem mij, spreek mij aan,/ o noem mij met mijn diepste naam,/ voor wie ik liefheb, wil ik heten.’ 

Mooier kan ik het niet zeggen.

Els Kloek is historica en samensteller van de boeken 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis (2013) en 1001 vrouwen in de 20ste eeuw (2018), beide bij uitgeverij Vantilt.  

LEES VERDER

Moederschap verdient topliteratuur: verken hierin alle uithoeken

Moederschap is in de literatuur geen groots thema en dat is raar. Het Boekenweekthema komt dus als geroepen. Aleid Truijens gidst ons door de uitgaven die dit heeft opgeleverd.  

Goedenavond ­dames en heren, ik ben moeder geworden!
Het Boekenweekthema De moeder de vrouw is weggezet als ‘oubollig’. Cabaretier – en moeder – Katinka Polderman waagde zich ook niet aan het onderwerp, maar betreurt dat nu.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.