Zhidkova van teen tot kruin betrokken

Muziek * * * *..

Goed idee: de Nederlandse Opera zet de toverklanken en griezelwoorden van Bela Bartóks opera-eenakter Hertog Blauwbaards burcht uit 1918 bij elkaar met Il prigioniero. Dat is een eenakter met een minstens zo hardvochtig libretto en minstens zo fijnzinnige muziek, een wereldoorlog later bijeengepenseeld door de Italiaan Luigi Dallapiccola.

De combinatie was eerder te zien in Milaan en kwam daar uit de koker van Peter Stein, de theatermaker om wie het de Nederlandse Opera bij deze aangekochte dubbelproductie vooral te doen is. Stein had het idee van een dirigentenvriend (Pierre Boulez), en inderdaad, parallellen liggen voor de hand. In de zinderingen van Bartóks en Dallapiccola’s stemmen en orkestraties, in het feit dat geen van beide meesterstukken denkbaar was zonder Debussy’s Pelléas et Mélisande. Maar het meest voor de hand ligt de symboliek van spelonk en deur. Terwijl de ‘gekerkerde’ in Il prigioniero een ontsnapping beloofd krijgt, waarna zich een deur opent naar de dageraad van een brandstapel, zwaait aan het slot van Blauwbaard een ‘zevende deur’ open naar een nacht waaruit geen ontsnapping mogelijk is.

De laatste keer dat in Amsterdam Blauwbaards deuren opengingen, een jaar of twintig geleden in een regie van Herbert Wernicke, was er een nog zeldzamer double bill. Blauwbaard werd gecombineerd met zichzelf. Bezoekers zagen de hertog en zijn verse bruid Judith twee keer op een avond; een Blauwbaards burcht met deuren waarachter niets te zien was, behalve een dichtmetseling. En een tweede Blauwbaards burcht waarbij dat metselwerk werd afgebroken, en er evengoed niets te zien was.

Dat was een leerzame variant op de gangbare Freudiaanse interpretatie van Blauwbaard. Die stelt de burcht gelijk aan de psyche van de eeuwige man, die weigert zich door een vrouw de herinneringen aan eerdere relaties te laten ontfutselen. Maar de karigheid van Wernickes uitmonstering liet onbehagen achter.

Dat er nu meer te beleven valt, ligt maar voor een klein deel aan de ‘deur naar de bebloede juwelen’ en de andere geheimen waarvan Blauwbaards nieuwe vrouw het hare wil weten. De beelden van Gianni Dessi zijn sober. Dat de vaak als ‘statisch’ beoordeelde one opera composer Bartók vleugels krijgt, zit hier in de manier waarop muziek en gestalten op elkaar inwerken. De dirigent Adam Fischer, een Hongaar voor wie een boodschap als könynyek, könynyek niet alleen over een meer van tranen gaat maar vooral over klank, zet het Residentie Orkest aan tot sublieme prestaties.

Daarbij is Stein diep in de tekstuele en muzikale hormonen van – vooral - Judith gedoken. Hij krijgt er de steun bij van een meesterlijke sopraan. Het is de in Duitsland groot geworden Russin Elena Zhidkova, die, zoals het een goede Blauwbaardbruid betaamt, alle Blauwbaardbruiden die ik eerder zag achter zich houdt in uiterlijke schoonheid en in stem- en acteerkunst. Tegenover Gábor Bretz, een pilaarachtige Blauwbaard die pas meegeeft in zijn slotscène, doorloopt Zhidkova, betrokken van teen tot kruin, een compleet repertoire aan feminiene bozigheid, vleierij, pinnigheid, verleidingskunst en hysterie. Tot ze, samen met de drie opgeverfde naakten ofwel régi asszonyók (‘vorige vrouwen’) die uit deur 7 tevoorschijn kwamen, de aftocht blaast als toonbeeld van mislukte relatievorming.

De bariton Lauri Vasar is een prima Gekerkerde in Dallapiccola’s gelijknamige eenakter. Met een Moeder als in een RK Jezus-pietá (goed gevonden van Stein). Met sjokkende monniken (clichégestiek, niets voor Stein), en een goed Nederlands Concertkoor.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden