Zet de tijd stop, herschrijf dit verhaal

Op 5 mei aanstaande gaat de oorlog 1940-1945 met pensioen. Dat wil niet zeggen dat alle verhalen intussen zijn verteld – zie de indrukwekkende nieuwe biografie van Anne Frank en haar familie....

Afgelopen zomer, op 12 juni, zou ze tachtig geworden zijn. Een onvoorstelbare gedachte. Want als iemand forever young is, dan is het wel Anne Frank, het pubermeisje meisje dat stolde tot de 14-jarige die voor het laatst in haar dagboek schreef. Dat Dagboek werd een van de meest gelezen boeken ter wereld. Een everseller, een emblematisch verhaal over moed, hoop en vertrouwen in tijden waarin het Kwaad domineert.

Zou Anne, generatiegenote van Harry Mulisch, Rudy Kousbroek en Remco Campert, schrijfster zijn geworden? En moeder? Beide wilde ze graag; ze verafschuwde het idee dat ze ‘alleen maar huisvrouw’ zou zijn. Zou ze haar ideale man gevonden hebben, die een beetje, zoals ze hoopte, op haar vader Otto leek?

Het zijn zinloze vragen die zich niettemin opdringen. Het Achterhuis, Anne Franks debuut en slotakkoord, ontleent zijn dramatische kracht, cynisch genoeg, aan een ijzersterk literair procédé: het verschil in kennis tussen schrijver en lezer. De lezer weet wat Anne niet wist. Anne schreef dat ze binnenkort misschien weer buiten kon fietsen, haar vriendinnen zou zien en naar school zou gaan. Ze was doodsbang maar wilde zich het ergste niet voorstellen: dat de achterhuisbewoners zouden worden verraden en worden afgevoerd naar de hel; dat haar leven, en dat van haar zusje Margot, twee maanden voor de bevrijding, zou eindigen in Bergen-Belsen. Daarom zijn alle doodgewone dingen die Anne levendig beschrijft – het geflirt met Peter, de filmsterrenplaatjes in haar kamertje, de kinderachtige ruzies tussen de bewoners, omhuld met een tragisch floers.

In Het Achterhuis komt geen gaskamer voor en geen kampcommandant, zelfs de oorlog druppelt slechts af en toe binnen. Juist die gewoonheid is aangrijpend: we hadden allemaal in Het Achterhuis kunnen wonen. Als Anne Frank was teruggekomen en een boek over haar klampervaringen had geschreven, was dat nooit het lievelingsboek van pubermeisjes over de hele wereld geworden, en Anne niet wereldwijd hét symbool voor de gruwelen van de Holocaust. Anne bleef maar tot de verbeelding spreken. Naast dat ene, beroemde boek verschenen er boekenkasten vol óver en naar aanleiding van haar Dagboek. Ook nu, in het jaar dat de bevrijding 65 wordt. De oorlog gaat met pensioen. Misschien breekt nu de tijd aan voor rustige beschouwing.

Otto Frank, die als enige van de acht onderduikers de oorlog overleefde, wenste ter nagedachtenis aan zijn overleden dochters en vrouw maar één ding: verzoening. Dat was drijfveer om het verhaal van zijn dochter, in de schriftjes en losse velletjes die hem door Miep Gies werden overhandigd, te publiceren. Verzoening, ook met de daders. Dialoog. Alleen zo kon een herhaling van de verschrikkelijke misdaden worden voorkomen.

Helaas leidde Het Dagboek vanaf 1947 voortdurend tot heibel. Van wie ‘ís’ Anne eigenlijk? Bij elke verfilming, toneelversie, vertaling en herdruk was het raak. Anne werd verplat, ‘ontjoodst’ of juist te veel een joods bidprentje. Ze werd heilig verklaard en geannexeerd voor de ‘goede’ zaak, of dat nu Israël, de Palestijnen, het pacifisme of de strijd tegen racisme en fascisme was. Zo gaat dat met iconen: menigeen wil profiteren van de glans die ze afgeven. Dat is mooi te zien in de ‘biografie’ van het Anne Frank Huis, die Jos van der Lans en Herman Vuijsje schreven.

vervolg p3

Honger naar getuigenissen blijft
vervolg van p1

Prinsengracht 263: weinig huizen kunnen bogen op zoveel voetafdrukken als dit, het Anne Frank Huis. Jaarlijks komen er bijna een miljoen bezoekers uit de hele wereld; bij de opening in 1960 waren dat er nog 9000 per jaar. Zelfs de lange rij voor de ingang is legendarisch, schrijven de auteurs, en symboolzwanger: men moet er geduld oefenen en komt er tot bezinning; dit is niet zomaar een toeristisch highlight.

Maar wat dan wel? Een bezinningscentrum? Een educatief bolwerk? Een lieue de memoire? Een stenen statement? Een museum? Het huis aan de Prinsengracht, waarin Otto Franks bedrijf Opekta was gevestigd en dat een geheimzinnig ‘achterhuis’ had waar de onderduikers zich verbergen konden, is dat allemaal geweest. In elk decennium na de oorlog lag nadruk op een andere functie. De betekenis en reputatie van het Huis veranderden mee met heersende ideologieën. Van der Lans en Vuijsje beschrijven die evoluerende tijdgeest nuchter, beeldend en overtuigend.

Dat het Achterhuis een gedenkplaats zou worden, stond kort na de oorlog niet vast. De joodse traditie heeft weinig op met materiële beelden. Bovendien was er het – terechte – bezwaar dat zo’n monument het feit zou verdoezelen dat Nederlanders bepaald niet allemaal heroïsche ‘helpers’ van de bedreigde joden waren geweest; het percentage joden dat de oorlog hier overleefde is beschamend laag. Geen wonder dat het Anne Frank Huis in de jaren zestig vooral functioneerde als ‘ontmoetingsplek’, een plaats om te ‘lernen’.

Het achterhuis zelf was vooral nog afschrikwekkend leeg en verlaten, zoals Otto Frank het had aangetroffen. In de jaren zeventig werd het een internationaal jeugdcentrum, zoals Frank het wilde. Dat leidde er toe dat het Huis wel erg weinig met de naamgeefster te maken had. Het werd een agogisch centrum waar scholieren en kansarme jongeren ‘bewust’ werden gemaakt. Het ging over de apartheid in Zuid-Afrika, de Chileense dictatuur maar ook over drugs en seks. Begin jaren tachtig verschoof de aandacht naar ‘herlevend fascisme en racisme. Uit rechtse hoek klonk de beschuldiging dat het Huis een links bolwerk was, uit Annes naam.

Het copyright van het Dagboek lag bij het Anne Frank Fonds in Bazel, dat ook de royalty’s inde. Na de dood van Otto Frank in 1980 werden Annes manuscripten in bewaring gegeven bij het NIOD, dat ze namens de staat zou beheren. In 1986 verscheen een wetenschappelijke editie van het Dagboek. Voor het Anne Frank Huis bleef één rol over, die van de plek waar het allemaal echt gebeurd was.

Dat daar enorm veel mee te doen viel, ontdekten degenen die het Huis vanaf de jaren negentig leidden. Eindelijk werd Anne zélf de core business. Geestig constateren de auteurs dat het Anne Frank Huis over een onvermoede schat beschikte: ‘een collectie!’. Er waren originele foto’s, brieven en voorwerpen van de onderduikers, een groot aantal getuigenissen van helpers, vrienden en familie. Het lag allemaal gewoon in de la. Na een ingrijpende verbouwing kon het huis nog meer bezoekers aan. Eindelijk durfde het Anne Frank Huis een museum te zijn. Een ‘ervaringsmuseum’.

In onze tijd is er weer een honger naar echt, naar getuigenissen die geen ideologie nodig hebben om indruk te maken. Vlak na de oorlog was er niet altijd oor voor verhalen van oorlogsslachtoffers; men was blij dat de ellende achter de rug was. In het ergste geval vonden kampoverlevenden of onderduikers hun huis bewoond door anderen en hun bezittingen geroofd. Marcel Prins en Peter Henk spraken voor hun boek Andere Achterhuizen met vijftien Joodse onderduikers, nu oude mensen. Ze vertellen over het gesleep van huis naar huis, steeds nieuwe pleegouders en broertjes en zusjes om aan te wennen. Het tekende hun levens.

‘Hoe concreter het relaas, hoe inleefbaarder’, schrijft Judith Herzberg in haar voorwoord. En dat is zo. Sommige passages in deze verhalen benemen je de adem. Zoals de redding van Maurice Jas. Maurice en zijn broer werden opgepakt, en op transport gezet naar Westerbork. Naast de trein reed een vrachtwagen. De bestuurder riep: ‘Waar zijn de jasjes?’ Niemand lette op hem. Maar de jongens realiseerden dat zíj de jasjes waren; ze sprongen in de wagen. Vaak ging redding van de één samen met de dood van de ander. Het zusje van Bloeme zou onderduiken, net als zij. Een ‘helper’ zou haar komen halen, maar was die avond moe. ‘Morgen haal ik haar’, zei hij. Het was net één dag te laat.

Op de zolder van het huis van Gertie en Buddy Elias – de neef van Anne, en haar enige nog levende familielid – werd onlangs een schat gevonden: brieven en foto’s uit de nalatenschap van de familie Frank. Mirjam Pressler, de Duitse editeur van Het Achterhuis, schreef op basis van dit materiaal een indrukwekkende ‘biografie’ over Annes familie: Groeten en liefs aan allen.

Het is het portret van een welgestelde familie van bankiers en zakenlieden, die een groot, oud huis in Frankfurt bewoonden. Een warm, gezellig gezin waarin gelezen, gemusiceerd en naar theater gegaan werd. Ze waren joods, maar niet diep-religieus. Ze voelden zich Duitsers. Totdat er een gek aan de macht kwam die vond dat zij dat opeens niet waren. De familie vluchtte naar Bazel. Otto en zijn vrouw besloten naar het ‘veilige’ Nederland te emigreren, waar Otto Opekta ging leiden.

Maar nog voor het noodlot toesloeg kwam Otto met zijn dochters logeren in een buitenhuis in de Zwitserse Alpen. Er worden huisconcerten gegeven, en heerlijke diners. Anne en Buddy spelen verstoppertje; zij troggelt haar neefje, omdat zij heeft gewonnen, zijn toetje af.

De pagina’s waarin Pressler dit onbekommerde vakantieplezier beschrijft zijn hartverscheurend. Je zou de tijd willen stilzetten, het verhaal willen herschrijven, zoals het had moeten aflopen. Net als bij Annes Dagboek. Maar de bittere geschiedenis staat geen fictie toe.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden