InterviewHerman Stok

Zestig jaar na Top of Flop: ‘Het is nu allemaal keboem, keboem. En dan die jongens met dat zing-zeggen’

Als tv-presentator was Herman Stok een tieneridool, en meisjes gingen naar de kapper als ze wisten dat hij voor opnamen in hun provincie zou komen. Wat ze niet wisten: dat hij homoseksueel is. Hij en zijn levenspartner Kees werkten allebei voor de Vara. ‘Daar maakte niemand zich er druk over.’

Herman Stok, gefotografeerd op 29 april, thuis in Amsterdam.

 Beeld Daniel Cohen
Herman Stok, gefotografeerd op 29 april, thuis in Amsterdam.Beeld Daniel Cohen
Op woensdag 2 juni overleed Herman Stok op 93-jarige leeftijd. Daarom brengen we dit interview opnieuw onder de aandacht. Beeld
Op woensdag 2 juni overleed Herman Stok op 93-jarige leeftijd. Daarom brengen we dit interview opnieuw onder de aandacht.

Hij is bijna 94 jaar en slecht ter been, maar voor de rest nog every inch a gentleman. Voor de foto wil hij toch even andere schoenen aan. Op de tafel van zijn tweekamerappartement in Amsterdam-Zuidoost liggen naast een boek met alle feitjes over de jaren zestig de bel en de toeter van zijn meest fameuze televisieprogramma Top of Flop. ‘Die toeter en die bel hebben toch mijn leven veranderd. Dat televisieprogramma had meer impact dan de rest van mijn radio- en televisieprogramma’s. En ik heb zo’n zeventig programma’s gepresenteerd.’

In 1961, dit jaar zestig jaar geleden, was de eerste uitzending. Vier juryleden, bekende Nederlanders, luisterden naar een grammofoonplaat die op een pickup werd afgedraaid voor een zaal vol tieners. Als de meerderheid van de jury de plaat goed vond was het een top en rinkelde Stok de bel. Vond de meerderheid het slecht dan was het flop en klonk de toeter. Bij het staken van de stemmen besliste de zaal. ‘De tafelbel had ik van mijn moeder gekregen.’ Bel en toeter gaan na zijn dood naar het Omroepmuseum.

Top of Flop was het allereerste jongerenprogramma. Het werd uitgezonden op prime time, vlak voor het Achtuurjournaal in een tijd dat er nog maar één net was. Stok werd in de kortste tijd een bekende Nederlander en een jeugdidool. Hij kreeg postzakken vol liefdesbrieven. Jonge meisjes verscholen zich achter de bloembakken van zijn huis aan de Prinsengracht in Amsterdam in de hoop een blik van hem op te vangen. De dappersten belden aan voor een handtekening. ‘Als we met Top of Flop voor een opname in de provincie kwamen, zaten alle dorpskappers de dag daarvoor vol. Als je het nu terugziet, al die meisjes met het opgestoken haar.’

Herman Stok presenteert Top of Flop. Beeld ANP
Herman Stok presenteert Top of Flop.Beeld ANP

Wat de tienermeisjes niet beseften was dat Stok toen al 34 jaar was. En homoseksueel. Hij woonde al elf jaar samen met Kees van Maasdam in een tijd dat homoseksualiteit voor een groot deel van de bevolking niet bestond of een doodzonde was. De popmuziek was voornamelijk een heterowereld.

Van Maasdam was een collega van hem bij de Vara. Hij overleed twee jaar geleden, nadat ze bijna zeventig jaar samen waren geweest. Stok zijn vijf broers en zussen zijn ook allemaal overleden, net zoals bijna alle vrienden. ‘Voor het eerst van mijn leven ben ik alleen. Niet dat ik zielig ben. Oudere mensen praten niet graag over de dood, wel over eenzaam zijn. En dan denk ik: ‘Jullie zijn gestoord, want als je contact zoekt met mensen hoef je niet eenzaam te zijn’. Wat is mooier dan een appartement te hebben van 60 vierkante meter, met een kitchenette en koffie drinken in de gemeenschapsruimte. Gelukkiger kun je niet zijn.’

Stok werd geboren aan de Snellinckstraat in Rotterdam, waar zijn vader werkte bij de sociale dienst. Behalve de zes kinderen woonde ook nog oma in. Stok kan zich het bombardement op de stad op 14 mei 1940 nog levendig herinneren. ‘Ineens klonk de bel. Mijn vader ging naar beneden om te kijken wie daar was. Bleek de bel te zijn gaan rinkelen vanwege het schudden door het bombardement.’ Eind dat jaar werd zijn vader overgeplaatst naar Den Haag. Nog voor het einde van de oorlog woonde de familie in Hilversum. Thuis werd veel naar klassieke muziek geluisterd. ‘Toen de oorlog was afgelopen heb ik mij suf gelopen om platen te vinden van Sinatra, Crosby, Ella Fitzgerald en de Andrew Sisters. Ik las er ook alles over wat ik kon vinden. Ik wilde de componist van elk liedje weten.’

Herman, de derde in het gezin na twee meisjes, kon door de oorlog de mulo niet afmaken. Na de oorlog ging hij werken bij een groothandel in aardappelen, groente en fruit in Hilversum. ‘Ik deed de boekhouding en op maandag haalde ik het geld op bij de groenteboeren in ’t Gooi.’ Herman wist toen al dat hij liever in gezelschap van jongens verkeerde dan van meisjes. ‘Ik had het wel eens geprobeerd met een meisje, maar dat deed mij niets.’ Hij wist ook dat zoiets als homoseksualiteit bestond. ‘Ik ging op zaterdagmiddag wel eens met de trein naar Amsterdam met het idee: daar moeten meer mensen lopen zoals ik.’

Op 12 juni 1950 was hij met zijn fietsje in de Leeuwenstraat in Hilversum bij een groenteboer. ‘En daar kwam ineens een jongeman uit de stomerij aan de overkant. En ik dacht: die knaap heb ik eerder gezien. Dat was in de trein geweest, maar toen had-ie geen aandacht voor mij. Hij keek, ik keek. En toen ik wegfietste, ben ik er achteraan gegaan. Uiteindelijk heb ik hem pas kunnen aanschieten in het Corversbos, want hij bleef maar doorfietsen. We hebben toen een afspraak gemaakt - hoe prozaïsch kan je het bedenken - bij een cafetaria voor een kop koffie en een saucijzenbroodje.’

Stok voelde meteen aan dat Kees ook homoseksueel was. ‘Daar vraag je niet naar. Dat zie je - en dat heb ik nog - aan de gebaartjes, de manier hoe iemand zijn hand beweegt, aan de kleding. Daar hebben homo’s en lesbo’s een neus voor.’

Herman Stok met zijn partner Kees van Maasdam. Beeld Hollandse Hoogte / MMP
Herman Stok met zijn partner Kees van Maasdam.Beeld Hollandse Hoogte / MMP

Van Maasdam had echter al een vriend, maar hij wilde van hem af: uit de gesprekken bleek dat die vriend vreemd ging bij de vleet. Na veertien dagen nam Herman hem een keer mee naar huis. ‘Thuis wisten ze van niks. Ik zei tegen mijn moeder: ‘Hij heeft geen kosthuis meer en waarom zou je niet een gedeelte van mijn troep verhuren.’ Ik had een zolderkamertje en daarvoor stond een tweepersoonsbed. Het was zo vlak na de oorlog geen vetpot en dat hebben ze toen gedaan. Elke morgen werden we door mijn vader gewekt om half zeven. Ik weet dat mijn moeder een keer zei: ‘Herman, ik wilde dat jij net zo netjes sliep als Kees. Zijn bed hoef ik alleen maar recht te trekken’. Geen wonder, hij lag er nooit in.’

Kees werkte bij de de jeugdafdeling van de Vara. Hij had het idealistische idee dat radio de jeugd in de wereld met elkaar zou kunnen verbinden, zodat er nooit meer oorlog zou komen. ‘In 1952 werkte Kees mee aan het educatieve jeugdprogramma Op de Disselwagen van Gabri van der Wagt. Op een dag had een van de medewerkers last van zijn stem. Kees zei toen tegen Gabri: ‘Ik heb een vriend, die heeft een goede stem en gevoel voor tekstlezen.’ En zo maakte ik mijn allereerste radioprogramma.’ Hij werkte toen nog gewoon bij de groentehandel. Maar op een gegeven moment mocht hij ook tekstjes gaan maken. Na ontslag van een collega kon Herman in dienst treden en jeugdprogramma’s Vragen staat vrij en Kopspijkertjes gaan presenteren. ‘Ik verdiende bij de groentehandel 25 gulden per maand. Bij de Vara kreeg ik dat per week.’

Dat Herman homoseksueel was, wisten zijn ouders niet. ‘Die van Kees wel. Toen hij 18 jaar was geworden, werd Kees opgeroepen voor militaire dienst. Daar had hij geen zin in. En er was een bevriende psychiater die had tegen Kees gezegd: ‘Als je dat niet wil, moet je gewoon zeggen: ik ben homoseksueel. Want dan wilden ze je niet hebben in het leger. Dat heeft hij gedaan en tegen zijn moeder gezegd. En zijn moeder zei: ‘Je moet het maar niet aan je vader vertellen, die wordt razend.’ ‘Maar dat vind ik niet eerlijk’, zei Kees en hij ging met zijn vader zitten. Zijn vader, een Haarlemse huisschilder, reageerde onderkoeld: ‘Ik had liever gehad dat je een been had gebroken. Dat was overgegaan. Dit niet.’ En verder werd er nooit meer over gesproken.’

Hoewel Kees en Herman onafscheidelijk waren en bij elk partijtje samen kwamen opdraven, wisten zijn eigen ouders nog van niets. Herman zou het ze pas vijf jaar later vertellen. ‘Wij woonden toen in Haarlem. En ik had een oudere zus Anke die via via had gehoord dat wij een homoseksuele relatie hadden. Zij speelde elke dinsdag bridge met mijn ouders. Ik had haar gezegd: ‘Als het een keer zo uitkomt en je de stemming daarvoor geschikt acht, dan moet je tijdens een pauze in het spel een keer zeggen: weten jullie eigenlijk dat...’ Maar wat doet die meid? Voordat het spel begint, zegt ze: ‘O, ik heb nog een nieuwtje voor jullie... weet je dat Herman en Kees homo’s zijn?’ Er werd niet meer gebridged.

‘Een week later werd ik gebeld door mijn oudste zus: ‘Herman... je mag wel eens naar Hilversum gaan, je moeder ligt op bed met migraine, je vader is in alle staten.’ Ik zei: ‘Kees, blijf maar hier. Ik ga wel alleen’. En mijn moeder lag ook op bed. Ik zei tegen mijn vader: ‘Spijtig voor jullie, maar het is zo.’ Net op dat moment komt een jongere broer van mij naar beneden en doet de deur open. In een jurk, schoenen met hoge hakken, hoedje op, zoals zoveel jongens: ongein. En mijn vader zag ik denken: ‘Heb je er weer een…’ ‘Opsodemieteren’, riep hij. ‘Ik moest er eigenlijk om lachen.’

Zijn vader wilde hem naar de psychiater sturen. ‘Of dat veel zou helpen. Toen heb ik mijn ouders in contact gebracht met een omroepcoryfee en zijn echtgenote tegen wie ze erg op keken en die daar helemaal geen problemen mee hadden. Ze hebben de hele avond zitten praten en mijn ouders overtuigd dat ze het moesten accepteren. De volgende dag belde mijn vader op: ‘Niks meer aan de hand, Kees mag hier komen.’ Later zijn ze nog de beste vrienden geworden van Kees zijn ouders.’

Herman Stok presenteert Wie wat waar. Beeld ANP
Herman Stok presenteert Wie wat waar.Beeld ANP

Aanvankelijk vond mijn vader het vooral heel vervelend dat ik als oudste zoon niet voor nageslacht zou zorgen. Maar later zagen ze ook de voordelen. In de gezinnen van mijn broers en zusters ging de een scheiden, raakte een ander aan de bedelstaf, had een derde een affaire met de directeur en de vierde problemen met hun kleinkinderen. Ze hadden allemaal wat, behalve Kees en ik. Die bleven bij elkaar en leefden zorgeloos. ‘Toen mijn vader een pacemaker kreeg, betaalden wij een buitenlandse reis voor mijn ouders naar mijn zus in Spanje. Ze hadden alleen maar voordelen van ons.’

In 1960 huurden Herman en Kees een woning aan de Prinsengracht in Amsterdam. ‘Naar buiten toe gedroegen we ons niet als homoseksuelen. We liepen niet hand in hand door de Leidsestraat. Een keer kwam de chauffeur mij ophalen toen ik met een schort aan in de keuken stond. Gauw deed ik hem af. Later dacht ik: ‘Er zijn zoveel mannen die een pannetje roeren.’ De vrienden in Amsterdam wisten dat we homoseksueel waren. Maar dat was geen probleem. Verderop woonde acteur Henk Molenberg, die was het ook. We gingen uit in de Odeon-kelder. Dat was een homo-nachtclub. Een grote dikke man leidde daar de dansjes. Dan ging iedereen in een grote kring staan. En dan riep hij: foxtrot.’ Hoewel homoseksualiteit nog een taboe was, zegt Herman nooit een verkeerde reactie te hebben gehad. ‘We zijn niet nageroepen of zo. Bij de Vara maakte niemand zich daar druk over. Ons leven is in dat opzicht heel gladjes verlopen.’

Kees en ik kwamen toen in contact met programmaleider Co de Kloet, die een jaar na ons in dienst trad bij de Vara. Co had leuke ideeën, maar kon het niet zo goed uitvoeren. Hij zei altijd: ‘Herman heeft iets aan zijn kont hangen en dat heb ik niet.’ In 1959 wilde De Kloet een programma over beatmuziek. De Verenigingsraad van de Vara vond die muziek een klerenherrie en wilde er niets van weten. Maar de directie zette door. Er was al een titel: Tijd voor Teenagers. Dick van ‘t Sant van de hoorspelkern - ‘toen werd je nog geselecteerd op grond van een mooie stem, kom daar nu maar eens om’ - werd de presentator.

Stok scharrelde al de plaatjes bij elkaar. Hij ging naar Eindhoven waar Peter Koelewijn woonde, voor het plaatje Kom van ‘t dak af. ‘Hebben we in een uitzending drie keer gedraaid, ik heb nog nooit zo’n plugging meegemaakt’. Later nam Stok de presentatie over. Er werd ook iemand in dienst genomen die platenzaken ging afbellen met de vraag welke singles er het meest werden verkocht. Daar werd een top-10 van gemaakt. Twee jaar later kwam Top of Flop. De juryleden sloegen de plank veelvuldig mis. Elvis kon er helemaal niets van. Het nummer I Want to Hold Your Hand, waarmee The Beatles mondiaal doorbraken als tieneridolen, werd beoordeeld als viswijvenmuziek en kreeg de toeter.

Stok combineerde het met talloze andere programma’s. Soms stapte hij ’s morgens half zeven de studio in en kwam er rond middernacht weer uit. ‘De meeste programma’s die ik gedaan heb, kennen de mensen niet meer. Ik deed een kwis Wie, Wat, Waar… niemand heeft het er ooit over. Top of Flop is iedereen bij gebleven, hoewel het maar vijf jaar bestond.’

Naar hedendaagse muziek luistert hij weinig meer. ‘Ik luister ’s morgen naar Radio 1, maar als er een plaatje komt, draai ik hem zacht. De zangers krijsen alleen maar. De huidige dj’s roepen maar wat, geven geen informatie meer over het liedje. Ik heb mijzelf ook nooit dj genoemd, ik was presentator.’

Hoewel hij zelf fan was van Sinatra en Bing Crosby vond Herman Stok in de jaren vijftig de rock ’n roll interessant. ‘En ik vond het toen ook leuke muziek. Het rare is, als ik nu zo’n plaatje hoor van Chuck Berry of zo, denk ik: wat een klerenherrie.’ In juni 1964 mocht Stok samen met Berend Boudewijn The Beatles interviewen aan de vooravond van hun concerten in het West-Friese Blokker. ‘Van The Beatles was bekend dat ze vaak de interviewers in de maling namen, ook door een accent te gebruiken dat de interviewer niet kende. Berend had in Engeland gewerkt en kende dat wel.’ Stok zat met de Fab Four op de rondvaartboot in Amsterdam en ze signeerden een lp voor hem. ‘Ze vonden het heerlijk. Eindelijk konden ze iets van de stad zien zonder opdringerig publiek.’ Hij bewondert hun muzikaliteit nog wel altijd. ‘En heel goeie teksten.’

Kees had zijn eigen programma’s. Hij produceerde de spelshow Je neemt er wat van mee en het cultureel programma Uit. Op de radio presenteerde hij op locatie Een opvallend vrolijk gevarieerde visite. Mensen mochten elkaar hier de groeten doen en verdrongen elkaar voor de microfoon. Van Maasdams uitspraken ‘Het zweet staat mij weer in de rokkenbanden en ‘Ga van mijn rug af’ werden gemeengoed en gepersifleerd door een jonge André van Duin.

In 1965 begonnen Herman en Kees een eigen managementbureau onder de titel Popstudio, de Artiestenwerkplaats. Door alle publiciteit stroomden de Nederlandse sterren toe: Karin Kent, Rob de Nijs, Trea Dobbs, Conny van Bergen, Dick Rienstra. Hoogtepunt was de organisatie van een nachtconcert, waar Willeke Alberti voor het eerst een Engels liedje zong en Ria Valk een Frans chanson. De publiciteit was goed, maar de onderneming zelf mislukte. Stok en Van Maasdam hadden geen enorm talent voor zaken.

Stok keerde terug bij radio en televisie. Hij maakte meerdere programma’s voor de nieuwe popzender Hilversum III. Zeventien jaar lang presenteerde hij samen met Letty Kosterman voor de radio ZO waarbij Kees van Maasdam de regisseur was. De relatie leed niet onder de samenwerking. ‘Elke vrijdagavond vroeg naar bed. Elke zaterdag om half zes op. We hielden van elkaar tot het einde.’ Eén keer was er onmin. ‘Ik weet dat Kees een keer wat deed voor de Wereldomroep en daar werkte ook een jongeman uit Australië. En Kees nodigde die een keer thuis uit toen we nog in Haarlem woonden. Ik merkte dat hij wel een oogje had op die jongen. De volgende dag zei ik tegen Kees: ‘We gaan nu een bakje koffie drinken op het Houtplein’’. En daar heb ik gezegd: ‘Als je denkt dat het daarbij blijft, dan vergis je je. Als je hier verliefd op kan worden, zal het niet de laatste zijn. Zorg ervoor dat ik de eerste en de laatste ben. We hebben daar uren gezeten. Het is nooit meer voorgekomen.’

In 1988 werden Herman en Kees door Marcel van Dam ontslagen bij de Vara in het kader van een grote reorganisatie. ‘De Vara was vrijwel failliet gegaan aan de kosten van de Willem Ruis Show. En er moesten veertien mensen weg. We kregen een heel goede regeling, de uitkering werd door de Vara aangevuld tot het normale salaris.’ Op zijn 65ste jaar werd Stok nog een keer teruggevraagd door de Vara voor de programmareeks Terug naar de toekomst met Amerikaanse hits uit de jaren zestig.

Zijn eigen favorieten zijn nog altijd Robert Long (‘hij was ook een goede vriend’) en Jules de Corte. Hij bewondert nog Marco Borsato: goede stem en zeker geen slechte teksten. ’s Morgens luister ik naar Radio 1, maar als ze daar een plaatje gaan draaien, zet ik de radio uit. Ik weet precies wanneer de muziek komt: tien over, vijf voor half en kwart voor. Het is allemaal keboem, keboem, keboem. En dan die jongens met dat zing-zeggen.’

Bang voor de dood is hij niet. En hij verwacht ook niet dat er nog enige aandacht aan wordt besteed. Ook bij de Vara niet. ‘Niemand kent mij daar meer.’

Voor de leeuwen

Tegenwoordig wordt elke uitzending tot in de puntjes voorbereid, Herman Stok werd bij de eerste uitzending van Top of Flop gewoon voor de leeuwen gegooid. ‘Ik werd door de productieleider naar de opnamestudio geroepen. ‘Daar zit jij, daar komen de vier juryleden te zitten. Dit zijn drie camera’s waar je in moet kijken als het rode lichtje brandt. Nou, tot vanavond.’ Dat was alles.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden