Zelfportret van de kunstenaar als jonge man

Zelfportret is een ideale introductie tot het universum van James Joyce.

Stephen Dedalus, een jonge Ier met slechte ogen en grootse plannen, banjert met een groep medestudenten door Dublin en voelt iets kriebelen in zijn nek. Met duim en wijsvinger haalt hij een luis tevoorschijn. Even snel wordt zijn geest rauw en rood als zijn nek, en hem beangstigt de gedachte alleen maar armzaligheid voort te brengen, als ongedierte.

Verderop komt hij langs het Maple's hotel. Die naam en de voorgevel steken hem 'als een blik van beschaafde minachting', en hij wordt kwaad van de gedachte aan de gesoigneerde bezoekers in de salon van het hotel. Onbereikbare wereld.

Zijn vriend Cranly vraagt hem hoeveel kinderen zijn moeder heeft gekregen. 'Een stuk of tien', antwoordt hij. 'Er zijn er een paar doodgegaan.' En hoe zit het met zijn vader? Van hem somt Stephen deze kwalificaties op: 'Student medicijnen, roeier, tenor, amateurtoneelspeler, een schreeuwende politicus, kleingrondbezitter, een kleine belegger, een drinker, een goeie gast, een verhalenverteller, iemands secretaris, iets in een destilleerderij, belastingontvanger, bankroutier en momenteel een bewieroker van zijn eigen verleden.'

Even later herinnert Cranly zich het doel dat Stephen tijdens een eerdere promenade ontvouwde: 'Je wou een levenswijze of kunstvorm ontdekken waarin je geest zich in ongeketende vrijheid kon uitdrukken.' Als hij dat terughoort, neemt Stephen zijn hoed af ter bevestiging.

Van luis tot kunstenaar: in nog geen vijftien pagina's voelen we de stuwende beweging die A Portrait of the Artist as a Young Man (eerste druk 1916) van James Joyce (1882-1941) draagt: in deze roman die hij als twintiger schreef laat hij zien waar hij vandaan komt en waar hij naartoe wil. De armoede die hem vertrouwd is en de kwelling van het wachten die het studentenleven zo'n verschrikking maakt (je hebt de woorden al, maar nog geen ervaring of vermogen, je bent gedoemd de tijd uit te zitten tot je dat verdomde brevet krijgt) wil hij niet verdonkeremanen maar ze zo oproepen dat ze hém niet langer in de greep houden, omdat ze worden opgetild en meegenomen in de vlucht die zijn geest neemt, die zich kan uitstorten in welluidende volzinnen: vaak grappig, soms op het gore af, en altijd glanzend.

Tien jaar deed Joyce erover het verhaal van zijn eigen jeugd om te vormen tot dit boek, in welke periode het verhaal diverse afmetingen kende (klein, enorm en uiteindelijk gemiddeld) en het twee keer in de open haard verdween. Een peuteraar en herbewerker zou hij blijven, ook in de projecten die hij hierna ondernam, Ulysses (1922) en Finnegans Wake (1939), met steeds driester gepriegel, goochelarij en een spervuur aan verwijzingen waar hij de literatuurwetenschappelijke puzzelaars een dienst mee bewees, terwijl het leesplezier van de leken en luizen die er niet voor doorgeleerd hebben danig op de proef werd gesteld. Stilaan verloor Joyce zich in idiosyncrasieën en associaties, en verdronk het verhaal, alsof de kokerblik die de oogziekte glaucoom hem bezorgde ook het overzicht over zijn eigen manuscripten verhinderde.

Daarvan is in A Portrait of the Artist as a Young Man nog niets te merken. Zonder de verdienstelijke verhalen van Dubliners (1914) te kort te willen doen, is dit de gedroomde introductie tot zijn universum. Stephen Dedalus weet en voelt wat hij wil, maar hij kán het nog niet - zijn poëzie zwijmelt en zwabbert, hij bezit nog geen heerschappij over de materie, zoals hij wel hunkert naar de liefde maar nog nooit door vrouwenogen is verleid.

Waar Stephen naar haakt, zijn vleugels uitslaan, doet zijn geestelijk vader, en daarom kunnen we dit boek ook een eeuw na verschijnen blijven koesteren. Er is iets met woorden, merkt Stephen als kind al op, en hij leert vreemde woorden uit z'n hoofd om greep te krijgen op de geheimzinnige wereld van volwassenen.

Als hij op de katholieke elite-kostschool Clongowes zit (net als de kleine 'Jimmy' Joyce zelf) e

n daarna op het beroemde Belvedere College (idem), luistert hij scherp naar het zalvende dan wel vreeswekkende idioom van de paters jezuïeten aan wie hij is overgeleverd. Bij bezoeken aan het ouderlijk huis merkt hij dat zijn vader steeds verder afglijdt (een Werdegang die in die ene fenomenale opsomming besloten zit). Het gezin moet, op de vlucht voor schuldeisers, voortdurend verhuizen en hij vraagt zich na een bezoek aan prostituees ernstig af of zijn ziel nog gered kan worden. En hoe dan.

Even komt de ostentatief vrome Stephen in de verleiding om de vraag van zijn studiecoördinator of hij misschien een roeping heeft positief te beantwoorden, en zelf ook jezuïet te worden. Maar eenmaal op straat krijgt hij een visioen van het passieloze leven in de orde. Op weg naar huis 'kwam hem uit de moestuintjes de flauwe zure stank van rotte kool tegemoet. Hij glimlachte toen hij zich bedacht dat het deze wanorde was, het wanbeleid en de warboel van zijn vaders huis en de stagnatie van plantaardig leven, die in zijn ziel de overwinning zou behalen.'

Het is niet zijn roeping zich af te zonderen en een leven van veilig brevieren en gereguleerd geloof te leiden. Scheppen wil hij, drek in goud transformeren, zijn ziel 'losgooien van haar verdrietenissen' en weg uit het benauwende Ierland, weg, en er vanaf het continent naar terugkijken.

In het jaar dat Joyce begon aan A Portrait leerde hij het kamermeisje Nora Barnacle kennen, met wie hij een paar maanden later inderdaad zou vertrekken, een onzeker bestaan als leraar Engels in Triëst tegemoet (waar hij het boek in 1914 voltooide), en daarna naar Parijs en Zürich. Na een bezoek in 1912 zou hij Dublin en Ierland nooit meer terugzien, maar er wel altijd over schrijven. Joyce gaf ons zijn eigen versie van de stad en van zijn jeugd, in zijn vervoerende taal die volksliedjes en spreektaal, potjeslatijn en allusies even zorgvuldig honoreert als de gewijde woorden van paters en de van verhit ongeduld overlopende gedachten van een jonge man met hooggestemde aspiraties.

Vanaf de eerste pagina, waarop de zintuigen van de piepkleine Stephen alle tegelijk ontwaken, vormt het stilistisch raffinement van Joyce een kluif voor vertalers. Welbeschouwd vanaf de eerste zin, die door vader Dedalus wordt uitgesproken, een variant van een sprookje: 'Once upon a time and a very good time it was there was a moocow coming down along the road.' In de vertaling van Max Schuchart uit 1962 heette dit: 'Er was eens - en dat was een heerlijke tijd.' Sinds 1972 hebben we de vertaling van Gerardine Franken en Leo Knuth: 'Eens in langvervlogen tijden en hoe goed waren die tijden niet kwam er een moekoe door de straat.' Te weinig sprookjesachtig, meent het vertalersduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes (dat eerder al Ulysses en Finnegans Wake vertaalde), dat dit voorstelt: 'Er was eens lang geleden in die goeie ouwe beste tijd een kakoetjeboe dat de weg af kwam.'

Kakoetjeboe, leggen ze in hun verantwoording uit, hadden ze nog over van hun vertaling van de songtekst I Am the Walrus van The Beatles (u weet wel, 'goo goo g'joob'). Voor puriteinen is dit schrikken, een Beatles-verwijzing in een roman uit 1916, maar dit is meer dan vertalersbravoure: Joyce zelf zou van zo'n anachronisme hebben genoten, vooral omdat het een vreemd en toch begrijpelijk kinderwoord oplevert. Fijn dat kakoetjeboe zijn intrede doet in de letteren. En overigens ook dat het woord 'portret' in de titel eindelijk 'zelfportret' is geworden, want dát is een 'portrait of the artist'.

Op een muur van de wc in de kostschool heeft een leerling een grap gemaakt over De Bello Gallico van Julius Caesar, dat ze klassikaal aan het vertalen zijn: 'Julius Caesar wrote The Calico Belly' (de katoenen buik). In de vertaling van Franken en Knuth werd dat: 'Julius Caesar schreef de Belgische Kalle'. Bindervoet en Henkes maken ervan: 'Julius Caesar schreef De Bolle Piccolo.'

Die baldadigheid is in de geest van Joyce. Ze laten ons soms, net als hij deed, in het duister tasten ('garstige meisjes' voor 'frowsy girls', dat waren in 1972 nog 'slonzige sloeries'), en dat ze 'some niche in the hedges' niet vertalen met 'een opening van een heg', maar met 'een gat in de heg', zodat Joyce nu ineens knipoogt naar Knielen op een bed violen (2005) van Jan Siebelink, is krankjorum op de goede manier.

Een jongen krijgt onterecht hardhandig straf en gaat klagen bij de rector: hoe Joyce de hele golf van emoties doorneemt, van pijn en angst naar twijfel, de verzuchting als het goed komt en de ontlading, en dat in een golf van ongeketend klankrijk proza weergeeft, blijft een emotionerend spektakel.


Uit het Engels vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden