Zelden kwam de beklemming van de oorlogsjaren zo dichtbij

Zelden kwam de beklemming van de oorlogsjaren zo dichtbij als in het dagboek Hanny Michaelis, waarvan nu het tweede deel is verschenen.

Hanny Michaelis in 1946.Beeld Uitgeverij Van Oorschot

Tamelijk ondersteboven raakte ik al van Lenteloos voorjaar, het eerste deel van Hanny Michaelis' oorlogsdagboek dat de jaren 1940-1941 bestrijkt. Nee, niet alle gymnasiale dweperijen waren even boeiend, maar de volhouder werd beloond.

Ergens eind 1940 zie je namelijk een schrijfster opstaan. Haar stijl wint aan kracht, haar blik aan scherpte. Onbekommerd fileert ze zichzelf, 'het ouderpaar', vriendinnen, verliefdheden, de boeken die ze leest, de gedichten die ze maakt. Dat ze de zegen van de zelfspot bezit, maakt het zo mogelijk nog aantrekkelijker. En dit alles tegen de achtergrond van de Duitse bezetting, met de anti-Joodse maatregelen die ook Michaelis' bestaan hevig raken. Zelden kwam de beklemming van de oorlogsjaren zo dichtbij.

Dat geldt des te sterker voor het onlangs verschenen vervolg, De wereld waar ik buiten sta, wederom voortreffelijk bezorgd door Nop Maas. Ik kon het duizend pagina's tellende boek amper wegleggen. En net als na het eerste deel vroeg ik me vertwijfeld af: hoe is het mogelijk dat uit dit enorme talent niet meer voortkwam dan zes weliswaar fraaie, maar toch 'kleine' dichtbundels? Dat wij haar vooral kennen als de ex-vrouw van Gerard Reve?

Hanny Michaelis, geboren in 1922, groeide op in Amsterdam als enig kind van al wat oudere, zeer liefdevolle ouders van Joodse komaf. 'Mijn leven lang', zou ze later verklaren, 'heeft de herinnering aan mijn kindertijd me getroost: dat had ik in ieder geval gehad.' Aanvankelijk lachen ze bij haar thuis om de antisemitische pesterijen van de bezetter. 'We beschouwden de nazi's als gekken.'

'Pappie' is muzikaal zeer begaafd, erudiet en haast hilarisch weltfremd. Haar nuchtere, praktische 'mammie' verdient de kost, tot de crisis toeslaat. Het drietal leeft van de steun, en van een genereus buitenlands familielid. Michaelis kan alleen naar het Vossiusgymnasium doordat de school een boekenregeling kent.

Als zoveel adolescente dochters adoreert Michaelis haar vader. Met hem deelt ze de hartstocht voor muziek en literatuur, speelt ze piano, voert ze intieme gesprekken. Met haar moeder is de verhouding heel wat moeizamer. Soms maken ze samen lange wandelingen langs de Amstel, maar de ergernis ligt altijd op de loer. Er zijn onnozele ruzies over het huishouden, over haar dagboekschrijverij, over wat niet al. Niks bijzonders, natuurlijk. Behalve als je het nooit meer goed kunt maken.

Dagboek

Hanny Michaelis
De wereld waar ik buiten sta
Oorlogsdagboek 1942-1945
Bezorgd door Nop Maas
Van Oorschot; 1.060 pagina's; euro 34,99.

De wereld waar ik buiten sta begint in januari 1942, als de dan 19-jarige Michaelis het ouderlijk huis aan de Rivierenlaan verlaat: ze heeft een baantje voor dag-en-nacht gevonden bij het gezin van toneelcritica en schrijfster Jeanne van Schaik-Willing. Tot haar opwinding ontmoet ze er destijds beroemde mannen als Nico Donkersloot (die haar het hof maakt), Victor van Vriesland (die ze oom Vic mag noemen), Martinus Nijhoff ('Ik kan hem toch niet uitstaan, ik weet het nu zeker'). Dikwijls heeft ze het te kwaad met haar nederige rol. Ze moet het dienstmeisje spelen, terwijl ook zij gedichten schrijft!

Daar aan de Leidsekade sluipt het heimwee binnen dat de rest van het dagboek zal domineren. 'Ik (...) verlang plotseling heel erg naar huis, naar pappie en mammie en de schemerlamp bij de haard.' In die tijd kan ze af en toe nog bij hen langsgaan. Op 29 juni 1942: 'Vanavond zijn pappie en mammie thuisgekomen met het bericht, dat binnenkort alle Joden (en de Duitse het eerst) naar Polen en Duitsland zullen worden gedeporteerd om in de fabrieken te werken of te worden vergast.' Pal daarop: 'Mammie zat met een wezenloos gezicht tegen de stoelleuning te trommelen en praatte steeds maar over kristal en de naaimachine inpakken, wat pappie en mij ontzettend irriteerde.'

Als Michaelis kort daarna als een van de eersten de 'oproep voor Polen' ontvangt gaat ze - alleen - de onderduik in. Het afscheid aan de Rivierenlaan verloopt nerveus, ruzieachtig. 'Tot op het einde toe ben ik een blok ijs gebleven, zonder te weten waarom en zonder de macht te ontdooien.'

Op het ene onderduikadres moet ze sloven van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, op het andere doet ze bijna mee als gewoon gezinslid. Met een mengeling van afkeer en fascinatie observeert ze het geloof dat haar onderduikgevers belijden. Maar tot haar dood zal Michaelis EO-donateur blijven en stemmen op de kleine christelijke partijen - naar eigen zeggen uit dankbaarheid voor wat 'de gereformeerden' voor haar deden.

Op 26 maart 1943 staat ze pannekoeken te bakken voor het grote gezin in de Haarlemmermeer waar ze dan zit ondergedoken. Ze krijgt een briefje toegestopt, tien dagen eerder over het hek van kamp Westerbork gegooid. 'Nu moet je niet schrikken maar we zijn sinds Dinsdag daar waar we toch allemaal terecht komen en sturen je van hieruit onze afscheidsgroet voorloopig.'

Vanaf dat moment huilt ze zichzelf elke avond 'zo geluidloos mogelijk' in slaap, wordt 's ochtends wakker 'met een bijna lichamelijke afkeer van de komende dag'. Eind mei leest ze in een illegaal krantje dat er nog wekelijks 1.200 Joden vanuit Westerbork oostwaarts gaan. De moeder van het gezin tracht haar op te beuren. 'Och', zegt ze, 'als ze vergast worden, zijn ze tenminste direct dood, dat is altijd nog beter dan doodgemarteld te worden...'

Michaelis: 'Als ik er niet zo ellendig aan toe was geweest, zou ik hebben moeten glimlachen om deze troostwoorden, die van een bijna humoristische tactloosheid getuigen.'

Er komt geen enkel levensteken meer. De passages waarin ze probeert te beseffen wat dat betekent, waarin ze haar wroeging en spijt verwoordt, behoren tot het hartverscheurendste proza dat ik ooit heb gelezen.

Pas drie lange jaren na de bevrijding ontvangt ze de officiële bevestiging: op of omstreeks 26 maart 1943 zijn pappie en mammie direct na aankomst te Sobibor vergast.

In 2000 schreef Michaelis:

Met mijn moeder die las

en breide tegelijk

en mijn vader die zes uur

per dag piano speelde

heb ik jarenlang gepraat,

gelachen en ruzie gemaakt

totdat ze werden ingelijfd

bij de legendarische 6 miljoen.

Een getal, waarover na ruim

een halve eeuw nog steeds

wordt geredetwist.

Hun gezichten beginnen te vervagen.

De klank van hun stem is

al bijna ontkleurd. Straks

ben ik er ook niet meer. Dan

zal het zijn alsof wij drieën

nooit hebben bestaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden