'Zeg maar dat je een Stuger bent, dan krijg je voorrang’

Op school in Suriname leerde Wonny Stuger: alles wat zwart is, is dom en minderwaardig. Thuis kreeg ze ook nog eens ingeprent dat ze trots moest zijn op haar Duitse (witte) achternaam. Hoe ontworstelde zij zich aan deze koloniale indoctrinatie?

Ianthe SahadatFleur de Weerd en Elsbeth Stoker
Wonny Stuger

 Beeld Martine Kamara
Wonny StugerBeeld Martine Kamara

Een Stuger draagt zijn achternaam met trots. Dat is Wonny Stuger (61) met de paplepel ingegoten. Dus toen ze met een Biekman trouwde, bleef ze een Stuger. ‘Zeg maar dat je een Stuger bent’, klonk het vroeger in Paramaribo, als de kleine Wonny om een boodschap werd gestuurd door haar vader of een oom. ‘Dan krijg je voorrang.’

In de zwarte familie van Wonny betekende de achternaam Stuger: wij zijn ‘wit’, wij stammen af van Duitsers. De ambtenaar en kunstenares vertelt het onbewogen, gezeten in haar achtertuin in Zoetermeer. ‘Het waren in Suriname vaak de tantes met de donkerste huidskleur die zonder ironie zeiden: wij zijn Hoogduits.’

Wonny heeft meer voorbeelden: Stugers met gevoel voor decorum die de voorkeur gaven aan ‘Von Stuger’, Stugers die een umlaut op de naam wensten, omdat dat chiquer oogde. Of: Stugers die aanzienlijke waarde hechtten aan het ‘familiewapen’ – een nepfabricaat van een gewiekste ondernemer die munt wist te slaan uit mensen met adellijke aspiraties.

Wonny: ‘Er ís helemaal geen wapen.’

Het klinkt misschien vreemd, een Surinaamse familie van overduidelijk Afrikaanse afkomst die in alle ernst volhoudt ‘Duits’ te zijn. Toch is het goed te verklaren in de context van de koloniale structuren die Suriname en zijn inwoners vanaf de 17de eeuw hebben gevormd en tot op de dag van vandaag, zij het beduidend minder, nog altijd vormgeven.

‘Europees was goed, wit was superieur’, zegt historica Mildred Caprino, die zich bezighoudt met het Surinaamse erfgoed. ‘Hoe lichter je huid, hoe beter je kansen in de maatschappij. Natuurlijk wilden mensen wit zijn. Of in elk geval zo wit mogelijk.’

Wonny herkent het: niet alleen haar eigen familieleden, maar veel Surinamers – vooral van oudere generaties – gingen er prat op Frans, Nederlands of Joods te zijn. Als het maar ‘voornaam’ klonk. ‘Hoe witter je was, hoe meer je mocht in Suriname. Dus dan streef je dat na.’

En zo kon het gebeuren dat zelfs Wonny, die al meer dan dertig jaar stamboomonderzoek doet en zoveel weet over de geschiedenis van Suriname, slavernij, de koloniale onderdrukking en wreedheden, pas vorig jaar een kwartje voelde vallen. Het gebeurde tijdens een presentatie aan haar nichtjes en neefjes over de eigen familiegeschiedenis, op een gezamenlijke vakantie ergens in Limburg.

Wat voor werk deden ze eigenlijk, die eerste Stugers, vroeg een neefje. ‘Nou, die jaagden op slaven’, hoorde Wonny zichzelf antwoorden.

Het bracht Wonny ertoe de Volkskrant te schrijven, een klein jaar geleden. Dat haar eigen voorouders mensenjagers waren, was een inzicht dat haar pijnlijk voorkwam, al is ze er niet het type naar om die pijn al te zeer te voelen.

Sinds Wonny minder werkt als ambtenaar bij de gemeente, besteedt ze bijna de helft van haar vrije tijd aan speuren in archieven. De andere helft is gevuld met schilderen. Naast de tuintafel, tegen een bloempot, staat een door haar geschilderde stamboom op een canvas van haast 2 bij 1 meter. Met de héle Stugerboom en al zijn tientallen takken en vertakkingen.

Wonny en haar stamboomschilderij. Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Wonny en haar stamboomschilderij.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Helemaal onderaan de namen: Johannes en Coenraad Stuger (‘Johannes overleed in 1802’), twee Duitse broers die in 1775 vanaf Texel per schip naar Suriname afreisden. De broers waren soldaten. Wonny stamt af van de Johannes-tak.

‘Pas het afgelopen jaar dringt het tot me door dat deze twee naamgevers twee van de vele mensenjagers waren die naar Suriname zijn gegaan. Hun opdracht was de mensen die hun vrijheid zochten in de jungle van Suriname op te jagen, gevangen te nemen en dood (hun rechterhand als bewijs meenemend) of levend terug te brengen’, schreef Wonny aan de Volkskrant.

Nu in haar tuin, zegt Wonny, droogjes: ‘Best opmerkelijk. Dat de Afro-Surinaamse Stugers graag pronken met hun naam.’

De Rijn komt bij Lobith ons land binnen

De geschiedenis van Wonny gaat niet slechts over de kracht van verhalen die we onszelf vertellen, maar meer nog over de uitwerking van verhalen die anderen ons voorhouden. Anton de Kom, verzetsschrijver en vrijheidsstrijder, zou het zelfbeeld van de Stugers vermoedelijk een staaltje geslaagde koloniale indoctrinatie hebben genoemd.

‘Ik herinner mij hoe het zusje van een van mijn vrienden niet meer met haar eigen broertje wandelen wilde, omdat zijn huidskleur een schakering donkerder was dan de hare’, schreef hij in 1934 al in zijn manifest Wij slaven van Suriname.

Geïnternaliseerd racisme bleek een van de kern-ingrediënten van het (post-)koloniale recept. ‘Wij leerden op school dat alles wat zwart of gekleurd was, alles wat met Suriname te maken had, slecht, dom en minderwaardig was’, zegt de bekende Surinaamse schrijver en oud-docent Cynthia McLeod (85) hierover.

En dus kon McLeod (toen nog Ferrier) op haar 8ste een prachtig opstel schrijven over Sietske in Friesland en een dag vol ‘ijspret’, zonder ooit een bevroren sloot te hebben gezien, maar had ze geen enkel idee van hoe het leven van haar eigen voorouders op de plantages eruit had gezien.

Tot ver in de jaren zestig en zeventig van de 20ste eeuw was dergelijk op Nederland gericht en van racisme doordesemd onderwijs de norm in Suriname. Wonny herinnert zich hoe zij in de jaren zestig met haar donkere huid achterin de klas moest zitten, terwijl de lichtere kinderen verder naar voren zaten. Als kind was ze zich daar niet van bewust, vertelt ze. ‘Het was meer een gegeven: witte kinderen zijn rijker, hebben grotere huizen, worden voorgetrokken, mogen meer, krijgen minder vaak straf – het is zoals het is.’

Ze vertelt hoe ze met een liniaal slaag kreeg op haar handen nadat ze op het schoolplein per ongeluk in het Sranan tegen een vriendinnetje had gesproken. Bij elke lettergreep een klap: JIJ MAG GEEN SU-RI-NAAMS SPRE-KEN IN DE KLAS OF OP HET PLEIN.

‘Sranan werd als onbeschaafd gezien, ze noemden het een brabbeltaaltje. We hoorden netjes Nederlands te spreken.’

Zoals menig Surinamer of Surinaamse Nederlander van pakweg boven de 50 kan Wonny als op commando opdreunen: ‘De Rijn ontspringt in Zwitserland en komt bij Lobith ons land binnen. Ons land heeft elf provinciën.’ Ons land – want Suriname was een stukje overzees Nederland.

Al die ongein zit nog steeds in mijn hoofd, zegt ze. ‘Surinaamse kinderen moesten denken als Hollandse kinderen. Weet je hoe we huizen tekenden? Met puntdaken, schoorstenen en sneeuw.’

Ze vertelt het op haar gelijkmatige, kalme manier. Ogenschijnlijk emotieloos. Pas als ze vertelt over de onwetendheid van Nederlanders met wie ze in aanraking kwam na de verhuizing van de familie naar ‘het moederland’, brandt er een vuurtje in haar ogen. ‘Toen ik hier kwam wonen, ontdekte ik dat wij alles over Nederland wisten, maar de mensen hier niks over ons, over Suriname, en nog steeds niet. Dat doet soms pijn.’

Op de middelbare school in Katwijk vroegen docenten Wonny hoe het toch kon dat ze kon lezen en schrijven. En of ze in Suriname een bananenrokje droeg en in een boom woonde. Haar zusjes en broertje hadden met zulke uitwisselingen overigens beduidend meer moeite dan Wonny zelf, vertelt ze. ‘Ik genoot ervan om in de klas bij Nederlands als enige het goede antwoord te weten’, zegt ze. Met een guitige blik: ‘Dat was mijn wraak.’

Minderheid en meerderheid

Het koloniale denken dat de Surinaamse samenleving beheerste en de inprenting van minderwaardigheid bij de zwarte en gekleurde bevolking zijn volgens historica Mildred Caprino ergens op terug te voeren: de getalsmatige verdeling tussen de plantagebezitters en de tot slaaf gemaakte mensen gedurende drie eeuwen slavernij.

Waar de wit-zwartverhouding op een eiland als Curaçao ongeveer 1 op 3 was, was die in Suriname gemiddeld bijna 1 op 100 en op de plantages nog schever. ‘En die kleine witte elite in de tijd van de slavernij’, zegt Caprino, ‘vreesde permanent voor een overmacht van zwart, voor een opstand. Daarom tuigde het koloniale regime een uitvoerig systeem van wetten en straffen op om de tot slaaf gemaakte mensen onder de duim te kunnen houden.’

Tussen 1637 en 1815 (het jaar waarin de Nederlandse slavenhandel officieel werd afgeschaft, hoewel het nog tot 1863 zou duren voordat de slavernij werd afgeschaft) verscheepten Nederlanders ruim een half miljoen Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen als slaven naar de Cariben en de Amerika’s. Naar schatting tussen de 200 en 350 duizend van hen kwamen in Suriname op een van de vierhonderd plantages terecht.

Het aantal witte Europeanen (uit Nederland, Duitsland, Engeland, Frankrijk en Portugal) in Suriname was omstreeks 1780 niet meer dan zo’n drieduizend, waarvan een derde ook nog eens in de stad leefde. De plantage-opzichters voelden zich niet alleen een schamele minderheid, ze wáren het ook.

De Europese mannen namen, ook als ze getrouwd waren en een gezin hadden, zelden een vrouw mee naar Suriname. De aanvankelijke wetgeving die gemengde relaties verbood, bleek dan ook onhoudbaar.

‘In het begin zijn er wel mensen beboet omdat ze een relatie hadden met een tot slaaf gemaakte of inheemse vrouw, of omdat ze kinderen verwekten’, zegt Caprino. Maar vanaf het einde van de 18de eeuw werd het bezwangeren van zwarte en gekleurde vrouwen volgens haar juist gestimuleerd. De gedachte erachter: de bewuste creatie van een lichtgekleurde elite die het dagelijks bestuur in de kolonie kon overnemen van de Europeanen.

Mensenjagers

Het was in deze maatschappij dat de twee Duitse broers, de ‘slavenjagers’ Johannes en Coenraad Stuger, in 1775 in Suriname arriveerden. Ze maakten deel uit van een groep militairen die werd ingezet om te jagen op marrons: Afrikaanse mannen en vrouwen die de gewelddadigheden en onderdrukking op de plantages ontvluchtten om in vrijheid een eigen samenleving in de bossen op te zetten.

Johannes verwekte kinderen bij een tot slaaf gemaakte vrouw, zijn broer Coenraad bij een inheemse vrouw. Wonny stamt af van een van Johannes’ zonen: Jan Carel Stuger.

De Europese mensenjagers werkten samen met een legioen van tot slaaf gemaakte mannen die werden gedwongen om op ‘hun eigen mensen’ te jagen: het Neeger Vrijcorps, vooral bekend onder de naam Redi Musu (naar de rode muts die zij droegen). De term redi musu wordt in Suriname nog altijd als scheldwoord voor ‘verraders’ gebruikt.

Het was een slinkse tactiek van de Nederlanders, die ervoor zorgde dat de tot slaaf gemaakte mensen verdeeld raakten. Zolang zij elkaar onderling niet konden vertrouwen, bleef de kans op een opstand of verzet minimaal.

Opu yu kloru

Vanaf de 18de eeuw ontstond er een hiërarchie in huidskleur, die tot in de 20ste eeuw, ver na de afschaffing van de slavernij, zou blijven bestaan. Oudere Surinamers kennen de termen die Nederlandse ambtenaren bedachten voor kinderen met verschillende kleurschakeringen vaak nog goed. In volgorde van een donkere naar een steeds lichtere huid – oftewel: met een hoger percentage Europese genen – kende men: kaboeger, mulat, mesties, casties en pusties. Hoe lichter de huid, hoe groter de kans op enige stijging op de sociale en economische ladder.

Deze hiërarchie in kleur en het raciale denken hebben de hedendaagse Surinaamse samenleving gevormd. Wat begon met vrouwen in slavernij die doorhadden dat ze op de sociale ladder konden stijgen door kinderen te krijgen met witte mannen, culmineerde in de post-plantagesamenleving in de bekende Surinaamse uitdrukking opu yu kloru.

De kaart van  plantage Belair, eigendom van voorvader Jan Carel Stuger.  Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
De kaart van plantage Belair, eigendom van voorvader Jan Carel Stuger.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Opo of opu yu kloru betekent zoiets als ‘verhef je kleur’. ‘De gedachte dat je je kind een beter leven kon geven dan je zelf had door voor een partner met een lichtere huid te kiezen, is blijven bestaan’, zegt Caprino. ‘Tot lang nadat de slavernij was afgeschaft.’

Hoe meer iemand in uiterlijk voor Europees kon doorgaan, hoe knapper diegene werd gevonden, vervolgt ze. Uiterlijke kenmerken als kroezend haar, een brede neus, volle lippen of een bepaalde botstructuur waren ‘minder mooi’ of ‘lelijk’. Eigenlijk ziet de historica pas de laatste tien jaar een brede verschuiving in de maatschappij naar het omarmen van ‘zwartheid’. Veel jongeren dragen hun kroeshaar nu los en natuurlijk – niet strak vastgebonden, stijl gemaakt of weggestopt.

Caprino denkt dat colorisme, zoals de hiërarchie in huidskleuren ook wel wordt genoemd, in Suriname steeds minder een rol speelt. ‘Al is het een hardnekkige koloniale erfenis’, zegt ze.

Dat colorisme ook in Nederland bestaat, toonde journalist en radiomaker Nicole Terborg in haar radiodocumentaire Dichtbij wit uit 2019. De koloniale sporen zitten heel diep, concludeert Terborg, die haar hele leven hoorde hoe haar zus met een lichter uitgevallen huid werd geroemd om haar schoonheid vanwege die lichtere huidskleur. In de documentaire hebben de zussen, beiden in de 40, voor het eerst een gesprek over het onderwerp. ‘Wat ben je mooi licht’, is een compliment dat haar zus nog altijd krijgt van andere mensen van kleur. En ook de neefjes van Terborg, tieners nog en opgegroeid tussen vrouwen met een donkerbruine huid, blijken ‘lichtgekleurd’ onbewust aantrekkelijker te vinden.

Het gold en geldt niet alleen voor de uiterlijke verschijningsvorm, maar ook op het terrein van intellectuele vermogens. Wie zwart was, kon namelijk niet slim zijn – ook dat idee was diepgeworteld. Op de Surinaamse arbeidsmarkt liepen Afro-Surinamers met een donkerdere huid daarom lange tijd tegen een muur op, zegt Caprino. Ze geeft het voorbeeld van de wiskundige Herman Sno, die als onderwijzer alleen op de openbare school mocht lesgeven. Op de ‘betere’ St. Paulusschool met katholieke fraters was hij niet welkom. Caprino: ‘Hij was knapper dan al die fraters bij elkaar.’ Het was in die periode dat de vader van Wonny, Michiel Stuger, in Paramaribo naar school ging. Ook hij leerde: het is ondenkbaar dat een zwarte man of vrouw intellectueel begaafd is, ‘jullie’ moeten het hebben van je spierkracht. Wasvrouw, strijkster, karreman, tuinman – dat waren de ‘zwarte’ beroepen.

Leden van de gekleurde elite in Paramaribo weigerden regelmatig om zwarte mensen in dienst te nemen, zegt Caprino. ‘Pas op, je bedrijf kleurt zwart, werd gezegd. Dat werd gezien als een teloorgang, zo ingeprent was het dat zwarte mensen niet zo goed konden denken.’

Michiel Stuger

Wonny’s vader groeide dus op in een een samenleving waarin een hiërarchie bestond op basis van huidskleur, maar hij verzette zich daartegen. Op zijn eigen rustige manier.

In de zomer van 1975, Wonny was bijna 15, verhuisde het gezin naar Nederland, vanwege de nieraandoening van haar vader die in het ziekenhuis in Paramaribo niet goed kon worden behandeld. Tussen zijn behandelingen door ging Michiel Stuger naar het archief in Den Haag. Dan kwam hij thuis met verhalen over de familie Stuger, waarnaar niemand wilde luisteren. Ook Wonny niet, tot haar spijt nu.

Al herkent ze het maar al te goed. Ook op haar verhalen zitten ze thuis niet per se te wachten. Interessant, schat, nu kijk ik even voetbal, zegt man Elvis. En de kinderen kijken amper op van hun telefoon als Wonny weer eens van wal steekt over de hugenoten die in de 18de eeuw de oversteek van Europa naar de kolonie Suriname maakten. Huge-wat?

De vader van Wonny las de boeken van James Baldwin. Beeld Getty
De vader van Wonny las de boeken van James Baldwin.Beeld Getty

Wonny’s vader was een man van de jaren zestig en zeventig, die las over en luisterde naar mensen als Martin Luther King, Malcolm X en Mohammed Ali, de bokser die door iedereen werd bewonderd en zijn de aan zijn voorouders gegeven slavennaam Clay verruilde voor een zelfgekozen naam. Hij las boeken van James Baldwin en volgde met interesse de Black Panther-beweging, die in de Verenigde Staten opkwam voor de rechten van zwarte burgers en streed voor gelijkheid.

De Verenigde Staten zijn een land dat in historie en maatschappij misschien niet écht, maar toch ook wél leken op mijn vaders land, vertelt Wonny. Ook daar had je een grote groep mensen wier voorouders uit Afrika waren verscheept om te werk te worden gesteld op plantages.

Wonny: ‘Mijn vader maakte een bewustwording door, alsof hij ontdekte: hé, ik ben zwart en heb ook smart. Hij hield van de naam Stuger, maar hij liet dat idee van ‘wij zijn Europees’ los.’ En dus luisterde Michiel Stuger naar James Browns Say It Loud – I’m Back and I’m Proud en speelden zijn vijf kinderen niet met witte poppen, maar – voor zover die er waren – met zwarte. Tot verdriet van de kinderen. Wonny: ‘Wij wilden juist poppen met blonde haren en blauwe ogen.’

Destijds begreep Wonny haar vader niet. Nu, decennia later, wel. ‘Hij wilde ons behoeden voor datgene wat Surinaamse kinderen van jongs af aan krijgen ingeprent: dat het beter is om licht van huid te zijn, met steil haar, een smalle neus en dunne lippen. Hij wist dat je daar een minderwaardigheidsgevoel aan overhoudt.’

Michiel Stuger werd niet alleen door zijn kinderen, maar ook door zijn familie niet begrepen. Onder Stugers klonk nog altijd een ander geluid, het oude koloniale geluid: wij zijn toch Duits, laat je haren niet in een onfatsoenlijke afro groeien.

Wonny kan er nu om lachen. Ze vertelt niet zonder trots hoe haar vader zijn tijd ver vooruit was met het doorgronden van het koloniale perspectief. Vroeger zorgde zijn houding echter ook weleens voor botsingen. Toen zij in een katholieke kerk besloot te trouwen, kwam haar vader niet naar de ceremonie. ‘Hij was heel principieel. De kerk is door witte mensen voor witte mensen gemaakt, zei hij.’

De koffer

Ergens in 1991, veel exacter kan ze het zich tot haar spijt niet herinneren, vond Wonny ‘de koffer’ van haar vader terug. ‘Koffer is misschien het verkeerde woord’, verbetert ze zichzelf. ‘Het was zo’n bruine aktetas.’ Ze was net met man Elvis naar Zoetermeer verhuisd, na in hun studententijd te hebben gekraakt in Den Haag.

Tijdens het opruimen en inpakken, stuitte ze op de tas: vaal, stoffig en al tien jaar ongeopend. Ze had hem van haar vader gekregen, net voor zijn dood, met de woorden: ‘Ooit wil je hier misschien iets mee, meisje.’

Ze sloeg hem open en vond dikke stapels papier. ‘Hij had zoveel uitgezocht. Ik vond een deel van onze stamboom, plantagegegevens, illegale kopieën van hele boeken in het archief. Ineens herinnerde ik me dat hij tegen ons had gezegd: die Stugers hadden ook slaven, moet je zien.’

In de tijd dat Wonny de ‘koffer’ van haar vader kreeg, was ze nog zo jong. Een tiener die wilde dansen en ‘geen tijd had voor oude boeken’. Maar daar op zolder, al bladerend door de documenten, kwamen de monologen van haar vader terug. ‘Dat de moeder van zijn oma nog in slavernij leefde. Of hij begon over de oorlog in Vietnam, dat zwarte Amerikanen daar niet hoorden te vechten omdat het de witte Amerikanen waren die hen onderdrukt hadden, niet de Vietnamezen.’

Wonny schenkt nog wat drinken in. En zegt dan: ‘Bij mij ging dat destijds het ene oor in, het andere uit. Jammer hè, hoe dat werkt als je jong bent.’

Guyababasi en Louisa

Wonny laat een zwart-witfoto zien van een man in politie-uniform, met een indrukwekkende snor. Het is Ithuriël Izaak Stuger, haar overgrootvader, geboren in 1882. Hij stond destijds bekend onder zijn bijnaam: Guyababasi, naar een dunne tak van de stevige doch buigzame guaveboom (in het Sranan ‘guyaba’ genoemd) die hij steevast bij zich droeg. Wonny, vrolijk: ‘Daarmee sommeerde hij spijbelende kinderen terug naar school. Hij kon goed raken.’

Voor Wi Rutu, het tijdschrift van de vereniging voor Surinaamse genealogie waarvan ze een tijd voorzitter was, schreef Wonny in 2005 een kort verhaal over haar overgrootvader. Het is een perfecte illustratie van hoe er in het verleden met de naam Stuger werd gepronkt.

Op een dag ergens omstreeks 1910 besloot Louisa, de vrouw van Guyababasi, een beleefdheidsbezoek aan drie ‘aristocratische’ tantes van haar man te brengen. Voor het bezoek had Louisa de jurkjes en broeken van haar kinderen nog even keurig gladgestreken.

De tantes bleven bovenaan de trap van de veranda van hun woning staan, alsof hun muiltjes niet vies mochten worden. ‘Wat brengt je hier, hoe is het met mijn neef, hij komt nooit meer, houd je hem soms van ons weg? Je hebt maar geluk dat een Stuger met je gaat’, beet een tante haar toe in het Nederlands, want Surinaams was uit den boze bij de keurige tantes. Toen zei Louisa iets doms: ‘Ik zie hem ook weinig, soms vrees ik dat hij een andere vrouw heeft.’

Er viel een ijzige stilte. Toen bitste een tante haar toe: ‘Stugers kunnen er niets aan doen dat ze zo gewild zijn bij de andere sekse. Ze hebben een goed voorkomen, zijn aantrekkelijk en begerenswaardig.’ Een andere tante zei: ‘We hebben hetzelfde probleem met onze Herman, de broer van Ithuriël. We hadden een goede partij voor hem, maar hij ging zijn eigen gang. Gelukkig heeft hij dankzij zijn opvoeding toch een goede keuze weten te maken: een mooi lichtkleurig meisje, van goeden huize.’

Koloniale denkpatronen

De Nederlandse blik op het koloniale verleden verandert inmiddels voorzichtig. Het Rijksmuseum richtte een tentoonstelling in over slavernij, in Amsterdam, Rotterdam en Utrecht onderzochten historici in hoeverre slavernij de ontwikkeling van die steden en hun inwoners heeft beïnvloed. Tijdens de landelijke herdenking van het slavernijverleden in 2021 maakte de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema excuses voor de betrokkenheid van haar voorgangers bij de slavernij.

Een nieuwe lichting historici publiceert kritische boeken en studies, met soms pijnlijke conclusies. In zijn recent verschenen beschouwing, Slavernij en beschaving, onderzoekt historicus Karwan Fatah-Black van de Universiteit Leiden hoe het toch kan dat ‘mensen vaak zeggen dat slavernij een gevoelig onderwerp is’. Want is de wereldwijde consensus niet ‘dat slavernij een kwaad is dat moet worden uitgebannen’? Zijn conclusie: meer dan we willen toegeven zijn denkpatronen uit de koloniale tijd tegenwoordig nog altijd aanwezig.

Ook Wonny realiseerde zich dat zij het product is van deze denkpatronen. Want hoe geweldig ze het ook vindt om zich te buigen over de testamenten en plantagedocumenten van haar Duitse Stuger-voorouders, en hoe nieuwsgierig ze ook is om hun geboortedorpje ‘Gemunde aan de Wooz’ te vinden (‘Google Maps kent het niet’), ze besloot zich in haar onderzoek van de veel beter gedocumenteerde witte tak van de familie naar de zwarte tak te bewegen. Dat bleek moeilijker, omdat er inderdaad minder in archieven bewaard is gebleven, maar beetje bij beetje vond ze de afgelopen jaren van alles. ‘Er worden steeds meer documenten in de archieven ontsloten, zoals de emancipatieregisters (met de namen van mensen die in 1863 met de afschaffing van de slavernij vrij werden, ‘geëmancipeerd’ werden en een achternaam kregen, red.). Ook staat er veel in de doopboeken van de EBG (de Evangelische Broeder Gemeente, een Duits kerkgenootschap dat in Suriname erg actief was met missiewerk, red.) en in het boek van professor Humphrey Lamur, waarin elke Afro-Surinaamse familie kan opzoeken op welke plantage hun voorouders hebben geleefd.’

En pas nu, zegt Wonny, snapt ze hoe het kan dat haar vader amper wist dat het overgrote merendeel van zijn voorouders in slavernij leefde. ‘Zoveel Surinamers hebben een Europees klinkende achternaam, je moet er bewust bij stilstaan om te beseffen hoe dat komt.’

Een naam om met trots te dragen

Wonny realiseert zich wat voor invloed het kan hebben als je een paar eeuwen hoort hoe kinderlijk, dom, gevaarlijk en barbaars ‘jouw soort’ is, hoe het kan doorwerken als je hoort dat ‘mensen zoals jij dichter bij dieren staan dan bij de witte mens’. Ze denkt dat haar zoektocht – naar al die uiteenlopende aspecten van de geschiedenis van haar voorouders – eraan heeft bijgedragen dat de verschillen, het onbegrip en de scheefheid in ieder geval voor haar minder zijn geworden.

Wonny,  eind jaren 70.  Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Wonny, eind jaren 70.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Toen ze net in Nederland woonde, wilde Wonny mensen vaak uitleggen hoe het toch kwam dat er plotseling een Surinaams gezin in Katwijk woonde. ‘Weten jullie wel waarom wij hier zijn?’, zei ze dan. ‘Omdat jullie voorouders heel lang daar zijn geweest.’

Nu, al die jaren later, doet ze dat niet meer. Ze is niet iemand die de confrontatie opzoekt. Ze is ook niet gemakkelijk uit de tent te lokken, met haar berustende gemoed. Als het dan een keer over slavernij ging en ze wilde haar collega’s iets vertellen over haar voorouders, dan ging het gesprek al snel over iets anders. Die Poolse vrouwen die nu in de kassen werken, dat is pas erg.

Het is een vorm van niet-luisteren, die ze goed van zich af kan laten glijden. Al blijft ze het jammer vinden. ‘Ik zie het zo: mij heeft het veel rijkdom gebracht om me te verdiepen in mijn eigen geschiedenis, in alle kanten van die geschiedenis. Ik denk ook niet: die eerste Stugers waren slechte mensen. Ik denk bijvoorbeeld dat Jan Carel, de zoon van mijn stamvader Johannes, best een goede man was.’ Dan, lachend: ‘Hij zorgde goed voor zijn nakomelingen, hij verdeelde zelfs keurig de nog niet geboren slaven onder zijn neefjes en nichtjes in zijn testament. Een echte familieman.’

Voor Wonny is de naam Stuger nog altijd een naam om met trots te dragen. Niet omdat de naam haar ‘wit’ of ‘Hoogduits’ maakt, maar omdat hij haar toegang verleende tot een geheime tuin vol geschiedenis.

Het geeft haar kracht, vertelt ze, te weten dat ze door allerlei kleine en grote beslissingen van haar zwarte, witte en gekleurde voorouders hier vandaag in haar weelderige tuin in Zoetermeer haar verhaal aan de Volkskrant zit te vertellen.

Eigenlijk is er maar één ding dat ze betreurt: dat ze nooit aan haar vader heeft kunnen vertellen hoe ze het stokje van hem overnam als genealoog van de familie Stuger. ‘Ik zie hem nog voor me, met zijn loep, gebogen over die kopieën. Dan zei hij: Wonny, kom hier, lees voor. Daar had ik nooit zin in.’

Zo zal het misschien ook gaan als ze er straks zelf niet meer is, fantaseert ze. ‘Dat een van mijn kinderen aan zijn eigen kinderen vertelt: je oma Wonny, die wist alles van de geschiedenis van onze familie. Moet je luisteren.’

Over deze serie

Dit is de achtste aflevering van een serie interviews over het koloniale verleden van Nederland. De volgende keer: Ernestine Wijdh (50) over identiteit. Van tijd tot tijd vraagt Ernestine haar Surinaamse vader of hij met haar en de kleinkinderen naar zijn geboorteland wil. ‘Hij is onvermurwbaar. Hij wil echt niet meer naar Suriname’, zegt Ernestine. Maar zij wél: want, zo luidt een bekende Surinaamse odo (gezegde): als je niet weer waar je vandaan komt, weet je ook niet waar je naartoe gaat.

Met dank aan

Dit verhaal is mede tot stand gekomen met de hulp vanstamboomonderzoeker Ank de Vogel-Muntslag, schrijvers Tessa Leuwsha en Cynthia McLeod. Voor achtergrondinformatie is ook geput uit Jaguarman van Raoul de Jong Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, Op zoek naar Papa Koenders van Andre Reeder, Jules Rijssen & Roy Wijks, en Tijdschrift OSO, nummer 2 jaargang 1987 (gewijd aan taalpolitiek en onderwijs in Suriname).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden