Ze springen, dwarrelen, stampvoeten

Het moest een keer gebeuren dat een schrijver het beste uit de kinderliteratuur achter elkaar zet, ook al werd die soms hoorndol van alle dieren of modieuze aanstellerij, schrijft Abelkader Benali....

Het samenstellen van mijn bloemlezing uit de Nederlandse kinderliteratuur was geen opdracht, het was een wandeling door mijn kindertijd. En die kindertijd begon zónder boeken. Mijn ouders lazen niet. Water halen met de ezel bij de dorpsbron was belangrijker dan het klaslokaal. Mijn vader had een hekel aan papieren. Hij stopte ze weg in een kast totdat ze eruit vielen. Dan raapte hij ze op en gooide ze weg. ‘Ik wacht wel tot hij kan lezen’, zei hij tegen mijn moeder en hij wees dan naar mij. De eerste brief die ik hem voorlas, was van de belasting. Ik zag dat mijn vader teleurgesteld was. ‘Met het lezen komt ook het slechte nieuws. Snap je nu waarom ik al die brieven niet las?’ zei hij tegen mijn moeder.

Op de kleuterschool werd ik aan de zorg van Rita overgelaten. Ze was lang, had krullen en vond alle kinderen aardig. ‘Hij heeft de langste naam van iedereen’, zei ze verheugd. ‘Tien letters.’ Waarom ze zo verheugd was, bleef me een raadsel. Namen betekenden nog niets voor mij. De kinderen keken naar me alsof ik een worstje was dat snel doorgeprikt moest worden. Nog voor het middaguur gooide een jongen met een kortere naam mij in de zandbak. De eerste jongen van wie ik een klap kreeg was een Turk. Daarna zouden klappen van een Nederlander, een Marokkaan, een Somaliër, een Ghanees, een Fries, een Italiaan, een Hongaar en een Serviër volgen.

De les was afgelopen, de kinderen renden naar binnen, ik sjokte er achteraan. In een hoekje van de klas stonden boeken opgestapeld. Er was enige afstand ontstaan tussen de kinderen en mij, een buitenkansje voor de verhalenfee. Ik rolde met het zand nog op de mond in het hoekje, trok een boek van de plank, sloeg het open, bladerde wat en gleed weg uit de wereld van de mensen in de wereld van de sprookjesfiguren. Ik las niet zozeer, ik droomde.

Het ging allemaal zo vanzelf dat toen ik werd geroepen door Rita het leek alsof mijn moeder me wakker schudde. De kinderen van mijn klas waren met ecoline bezig. Ik doopte een rietje in de ecoline en liet dat uitstromen over een wit vel zodat er allerlei fantastische effecten ontstonden. Ik verveelde me ermee en begon aan het rietje te zuigen. De ecoline stroomde mijn slokdarm binnen en ik moest overgeven. Rita liet me terug gaan naar de boeken.

De bonte verzameling verhalen in deze bloemlezing is een persoonlijk verslag van de eerst tien levensjaren van mijn kindertijd, rijkelijk aangevuld met de verhalen die ervoor en erna kwamen.

Mijn eerste meesterwerk was Rupsje Nooitgenoeg dat ging over een rups dat zich pagina na pagina door van alles en nog wat heen eet zodat het een vlinder kan worden. Dieren komen in alle vormen en maten voor in kinderverhalen. Ze springen, dwarrelen, vliegen, stampvoeten, sluipen en trippelen door het Nederlandse kinderverhaal. Ze huilen, praten, smeken, brullen. Dieren en kinderen hebben met elkaar gemeen dat ze aan de grillen van volwassenen overgeleverd zijn. Ze hebben ook gemeen dat ze bedreigd worden in hun bestaan door diezelfde mens.

Het zal niet lang duren of kinderen zullen, gepokt en gemazeld door de nieuwe media, gewend aan het naakt en geweld op televisie, geen kindertijd meer hebben, zoals de winter door de opwarming van de aarde steeds dichter tegen de herfst aan kruipt.

Kinderen gaan zich in de verhalen steeds meer gedragen als volwassenen. Ze hebben de ambities van volwassenen, willen succes hebben, in een popband zitten, een meestermessenwerper worden; er moet zo snel mogelijk een volwassene verslagen worden. Niet voor niets raakt het grote publiek opgewonden wanneer het een kind ziet optreden in een programma als Idols en daarbij de volwassenen naar de kroon steekt. Kinderen zijn de nieuwe helden van onze tijd. Ze zijn nog niet volwassen maar hebben wel het talent, de eerzucht en de energie om het te worden. In Nico Voskamps verhaal De Zwaardenkast wil Fred een illusionist worden en loopt in zijn eigen zwaard. Het is eigenlijk nooit anders geweest.

Bloemlezen is herontdekken. Je kijkt met de blik van een volwassene, de sensatie is die van een kind. Het lucifersdoosje van Annie Schmidt gaat over een jongen die bij de dood van zijn vader een lucifersdoosje krijgt. Wat moet hij met zo’n lucifersdoosje? Veel, want het blijkt een opslagplaats te zijn voor alles dat je maar wenst. Ik bladerde door kindertijdschriften die de afgelopen honderd jaar zijn verschenen om op een verhaal te stuiten waardoor ik van mijn stoel viel van het lachen. Het heet Pech en is van een mij volstrekt onbekende auteur, Anthony Cornelis de Vletter. Een jongen wil zo graag trombonist worden in het orkest dat hij er alles voor over heeft. Dit verhaal ontdekken, kwam het dichtst bij de sensatie van mijn kindertijd toen elke gang naar de bibliotheek zo’n verhaal kon opleveren.

De grens tussen kinderliteratuur en wat als literatuur voor volwassenen wordt gezien, is de afgelopen twintig jaar vervaagd door schrijvers als Toon Tellegen. Hij is de postmoderne La Fontaine in wiens wereld dieren de hele tijd knipoogjes naar ons, de lezer, geven. Jacques Vriens las ik niet als kind maar heb ik omarmd tijdens mijn leestocht. Niemand kan beter over de speelse, intense interactie tussen kinderen schrijven.

Het verhaal de Vis van Hans Andreus maakte vroeger al diepe indruk op me, juist door de vanzelfsprekendheid waarmee de wereld van de dieren en de mensenwereld in elkaar overliepen. Een mannetje gaat kopje onder en komt in contact met een sprekende vis. Ik weet nog dat ik langs de sloot liep en me afvroeg of daar beneden een vis zwom die met mij in contact zou willen treden.

Het is gevaarlijk een schrijver om zo’n arbeid te vragen. Zijn geloofwaardigheid kan in het gedrang komen. Waarom schrijft hij niet die kinderverhalen zelf in plaats van ze te verzamelen? En zoveel uitstekende verhalen lezen, ontmoedigt de schrijver ook. Wat moet hij daar nog tegenover stellen, mocht hij het al willen. Ik moet ook zeggen dat ik soms hoorndol werd van alle dieren, de stroperige moralistische ondertonen van de vroeg twintigste eeuw en de modieuze aanstellerij van de contemporaine kinderliteratuur. Het moest een keer gebeuren dat een schrijver zich ertegen aan bemoeide om het beste wat de Nederlandse literatuur aan kinderverhalen te bieden heeft, achter elkaar te zetten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.