Wraak van de oriëntalisten

In 1978 beschuldigde de Palestijnse Amerikaan Edward Said westerse oriëntalisten ervan een vals beeld te hebben geconstrueerd van het Midden-Oosten....

‘Arabisch, wat moet je daar nu mee?’ Het was een reactie die ik vaak hoorde toen ik in de jaren tachtig studeerde in Leiden, en ze ging meestal vergezeld van een meewarige blik die zei: ‘Grow up. Studie is geen hobby. Je weet toch ook dat rechten of economie tenminste toekomstperspectieven biedt.’ Als ik me achteraf de afgestudeerde theologen en iranisten voor de geest haal die ik in uitgemergelde staat bij de balie Inkoop van De Slegte tegenkwam, hadden ze misschien wel gelijk. In elk geval had ik zelden de moed uit te leggen dat mijn studiekeuze niet was ingegeven door de wens in dienst te treden van het grootkapitaal maar door een ongeremde hang naar de romantiek van de Oriënt.

Het begon toen mijn oudste zus me op 11-jarige leeftijd meenam naar de film Lawrence of Arabia, die ging over de Arabische opstand tegen de Ottomanen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het verhaal ontging me volledig, geobsedeerd als ik was door de beelden van Peter O’Toole die op een kameel door een landschap van oases en nobele bedoeïenen deinde. Vier uur en vijf koetjesrepen later was ik verkocht. Niet dat het eenvoudig was mijn opgewekte honger naar de Oriënt te stillen. Er was nog geen internet en nauwelijks toegankelijke literatuur. Ik schreef een brief naar de enige Arabier die ik kende, de Saudische koning Feisal (adres: Royal Palace, Riad), en ontving een kleverig boekje met postzegels retour.

Uiteindelijk vond ik wat ik zocht in de reisboeken van Daniël van der Meulen, oud-gezant van Nederland in Saudi-Arabië. Zijn reizen door de uithoeken van het Arabisch schiereiland in de jaren dertig beschreef hij in boeken als Verdwijnend Arabië: ‘Ik voelde mij verwant met dat oude Arabië en scheen er te herkennen een lang geleden verlaten tehuis.’ Tussen verschoten zwartwitfoto’s van patriciërswoningen in Hadramaut en armoedig geklede Jemenitische joden beschrijft Van der Meulen in gedragen stijl zijn kleurrijke ontmoetingen met hardvochtige imams, Britse kolonialen en losgeslagen avonturiers. En met maar één doel voor ogen: te weten wat achter de horizon lag.

Ik heb Van der Meulen één keer ontmoet, in 1980. Hij was inmiddels een hoogbejaarde man met een witte baard. Tijdens een congres zat hij stoïcijns te luisteren met een grote toeter aan zijn oor – hij was stokdoof –, geflankeerd door twee tantes op leeftijd die telkens herhaalden: ‘Hij sprak hoog én laag Arabisch’, een verwijzing naar klassiek en gesproken Arabisch. In de verleden tijd, alsof Van der Meulen al afgeschreven was. En in zekere zin was dat ook zo. De oriëntalistiek zoals hij en zijn vakgenoten die volledig te goeder trouw hadden bedreven, was twee jaar eerder in een kwaad daglicht komen te staan. De aanstichter was de Palestijns-Amerikaanse literair criticus Edward Said, die in zijn boek Orientalism (1978) frontaal de aanval had geopend op de westerse oriëntalistische traditie.

In het boek beschreef Said wat hij de ‘subtiele en persisterende eurocentrische vooringenomenheid jegens Arabieren en moslims en hun cultuur’ noemde. Hij voerde aan dat de westerse oriëntalisten een vals en geromantiseerd beeld van het Midden-Oosten hadden geconstrueerd. En erger, dat ze daarmee de koloniale en imperialistische ambities van Europa en de VS hadden gelegitimeerd. Said beschuldigde niet alleen oriëntalisten maar ook ontdekkingsreizigers en romanschrijvers. Hij verweet hun de superioriteit van het Westen te prediken. Oriëntalisten werden volgens hem niet voortgedreven door nieuwsgierigheid, maar waren paternalistisch en racistisch gemotiveerd.

Said, die in september 2003 overleed, is er tot op zekere hoogte in geslaagd een hele generatie oriëntalisten te stigmatiseren. Met name in kringen van niet-oriëntalisten die in gelukzalige onwetendheid verkeren van de talloze feitelijke onjuistheden in Orientalism, werd het boek een ware cultus. Met als gevolg dat de arabist tegenwoordig geen neutrale figuur meer is. In Syrië ben je een spion, in Israël een antisemiet en in Nederland een moslimvriendje of een vijand van God. En ook al werd Said fel bekritiseerd, feit blijft dat zijn ideeën nog steeds worden beschouwd als een nuttige bijdrage aan de discussie over de integriteit van tientallen vooraanstaande oriëntalisten.

De Britse wetenschapper Robert Irwin heeft nu de tegenaanval ingezet. Onder de prachttitel For Lust of Knowing, ontleend aan The Golden Journey to Samarkand van de 19de-eeuwse dichter J.E. Flecker, neemt hij het op voor de door Said zo verguisde oriëntalisten. Sterker, als Saids Orientalism er niet was geweest, zou hij dit boek nooit hebben geschreven, stelt Irwin. ‘Door zijn belangrijkste boek aan te vallen, zal ik een aantal van mijn vrienden van me vervreemden. Aan de andere kant zal ik ook zeker oude vijanden in woede doen ontsteken, en dat zal ik met veel plezier doen.’ Irwin is niet het type dat vakgenoten spaart.

Orientalism sabelt hij neer als ‘een werk van kwaadaardige charlatanerie waarin het moeilijk is eerlijke fouten te onderscheiden van een opzettelijk verkeerde voorstelling van zaken’. Hij wijst erop dat Said zijn boek in allerijl lijkt te hebben geschreven. Hij zou dat hebben gedaan naar aanleiding van de door de Arabieren verloren oorlogen tegen Israël, die van Said een voorvechter van de Palestijnse zaak maakten. Feit is dat het in Orientalism wemelt van de fouten. Bij Said wordt Turkije eerder dan Noord-Afrika veroverd door de moslimlegers, en domineren de Britten en Fransen de Levant reeds in de 17de eeuw – bij elkaar opgeteld een misser van pakweg tien eeuwen. Said citeert foutief en negeert klassiekers die hij niet kan gebruiken.

Irwin heeft besloten dat hij Said het beste kon afmaken door eindeloos te hameren op de fouten en inconsequenties in Orientalism. Hij maakt zich druk om Saids aantijging dat geen van de door hem bekritiseerde oriëntalisten, zoals de befaamde Britse arabist Hamilton Gibb, ooit de bedoeling heeft gehad te schrijven voor Arabieren of moslims. ‘Waarom schreef Gibb dan in vredesnaam artikelen in het Arabisch?’, briest Irwin. En waarom zouden westerse academici publiceren in een tijdschrift als Muslim World dat zich richt op een Indiaas publiek? En waarom worden de boeken van Bernard Lewis, die door Said wordt aangevallen vanwege zijn pro-Israëlische sympathieën, vertaald in het Arabisch, Farsi en Turks?

‘Eerlijk gezegd vind ik het moeilijk te geloven dat Said zijn boek te goeder trouw heeft geschreven’, stelt Irwin. Maar waarom heeft het dan zoveel aandacht en lof gekregen? ‘Sommige schrijvers hebben Saids kant gekozen, niet omdat ze zich bekommerden om de ware geschiedenis van de oriëntalistiek, maar omdat ze antizionistisch of anti-Amerikaans zijn. De stelling van dit boek is gevoed door het schuldgevoel van het Westen met betrekking tot zijn imperialistische verleden.’ Zelfs al zouden sommige oriëntalisten een verborgen agenda hebben gehad, dan nog is het altijd mogelijk hun werken te beoordelen op hun wetenschappelijke merites, aldus Irwin.

Irwin heeft gelijk als hij Orientalism omschrijft als ‘een goede roman, maar in feite fictie’. Said blunderde, was vooringenomen en onvoldoende gekwalificeerd voor het uiten van dergelijke groteske beschuldigingen. Niettemin durft Irwin het grote debat met Said niet aan. De vraag blijft: hebben oriëntalisten nu wel of niet bijgedragen aan de imperialistische belangen van hun naties? Verder dan toegeven dat er ‘een heel klein beetje waarheid’ schuilt in Saids beschuldiging, komt Irwin niet. Al dan niet terecht noemt hij de Nederlander Christian Snouck Hurgronje (1857-1936), die verkleed als moslim enkele maanden in het voor niet-moslims verboden Mekka verbleef en daarover een schitterend boek schreef. Hij trad echter ook in dienst van de koloniale autoriteiten in Nederlands-Indië.

Er zijn echter tal van bekende oriëntalisten die onmiskenbaar een bedenkelijke rol hebben gespeeld, maar die laat Irwin vrijwel onbesproken. T.E. Lawrence (‘Lawrence of Arabia’) en Gertrude Bell hadden grote invloed op het vaststellen van de huidige staatsgrenzen in het Midden-Oosten en het ontstaan van een met bloed gemetselde tirannie in Irak. En wat te denken van St. John Philby, de Britse adviseur van Ibn Saud, grondlegger van het Saudische koninkrijk? Philby gold in de eerste helft van de vorige eeuw als dé autoriteit op het gebied van Saudi-Arabië. Hij werkte echter ook voor de Britse geheime dienst, faciliteerde de intocht van de Amerikaanse oliemaatschappijen in de Golf, hielp heimelijk de zionisten in Palestina, kocht zijn vrouw op een slavenmarkt en deed nog veel meer. Philby stierf in 1960 met de woorden ‘God, I’m bored’.

Ook voor wie niet geïnteresseerd is in Irwins polemiek met Said, is For Lust of Knowing een mooi boek. Het biedt een zeer uitgebreid overzicht van de belangrijkste oriëntalisten vanaf de oudheid tot heden. Achter stoffige boeken blijken kleurrijke karakters schuil te gaan. Wie had ooit kunnen vermoeden dat Alfred Beeston, de auteur van dat taaie leerboek voor eerstejaars, Written Arabic, ‘naakt door Oxford fietste terwijl hij achtervolgd werd door de politie’? Zo ga je zijn uitleg van de imperatief – ‘stop!’ – toch heel anders lezen. Of dat de Franse communist Maxime Rodinson, die in 1961 een biografie van Mohammed schreef, later zou opmerken dat hij de profeet ‘onbewust had vergeleken met Stalin’.

Irwin noemt de Fransman Guillaume Postel (1510-1581) de eerste grote oriëntalist. Hij was een talenwonder en leerde zo snel Arabisch, dat zijn Turkse leraar dacht met een duivel te maken te hebben. In 1539 bezette Postel de eerste leerstoel Arabisch aan het Collège de France in Parijs. Hij was met name geïnteresseerd in de druzen, een sekte binnen de islam die voornamelijk leeft in Libanon, Syrië en Israël. Postel dacht dat ze van Franse afkomst waren en dat hun naam was afgeleid van ‘druïde’. Bijzonder was dat Postel voor zijn tijd relatief positief was over de Oriënt, waar volgens hem bomen groeiden die lammetjes als vrucht droegen. Moslims beschouwde hij als halve christenen.

Dat was in de late Middeleeuwen wel anders. Als de islam er al bij werd gehaald, was dat meestal niet uit interesse maar om de katholieke kerk aan te vallen. De opmars van de Turken was een straf van God voor het gewelddadige en corrupte optreden van de kerk. De Britse dichter William Langland (1332-1400) presenteerde Mohammed bijvoorbeeld als een ‘afvallige priester die een nieuwe religie had opgezet omdat hij was gedwarsboomd in zijn ambitie om paus te worden’. Islam was ketterij. ‘Zij die Arabisch vertaalden of de islam bestudeerden, liepen nog eeuwen het risico ervan te worden beschuldigd heimelijke moslimsympathisanten te zijn’, zegt Irwin.

Eigenlijk is dat nog steeds zo. De Turken van toen zijn de Bin Ladens van nu. De reformatiestrijd is het integratiedebat geworden. Maar de oriëntalistiek wordt bij tijd en wijle nog steeds tegenstribbelend de politieke arena in gesleurd door islamofobe opportunisten of apologeten van de islam die op zoek zijn naar munitie om elkaar de hersens in te slaan. O, wat een verademing is het dan om Irwin te horen zeggen: ‘Echt, pure wetenschapslieden bestaan. Met een paar van hen heb ik zelfs weleens thee gedronken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden