Worsten tussen de boeken

De Engelse auteur Harold Nicholson schreef vele boeken, duizenden kritieken, alles is verstoven, behalve het schitterende bijproduct, de dagboeken die zijn zoon heeft uitgegeven.

Een mooi voorbeeld van toegevoegde roem is de Duitse natuurkundige en schrijver Georg Christoph Lichtenberg (1742-1799). In 1987 verscheen onder de titel Donderslagen op muziek een keuze uit zijn kladboeken. Samenstellers en vertalers waren Adriaan Morriën en Henk Mulder. In het ‘Nawoord’ schrijft de laatste: ‘Lichtenbergs publicaties zijn zeer sterk tijdgebonden. Dat geldt zowel voor zijn natuurwetenschappelijke artikelen als voor zijn literaire geschriften (. . .) Mijns inziens zijn beide genres alleen nog interessant voor wetenschaps- en literatuurhistorici. Anders is het gesteld met de geschriften die niet voor publicatie waren bestemd, met zijn brieven en kladboeken – die schreef hij inderdaad grotendeels “voor alle tijden”.’

Lichtenberg was een mismaakte dwerg om te zien, maar op dat dubbelgebochelde lijfje stond een van de knapste koppen (uitdrukking die hij graag gebruikt) van zijn tijd. Hij was een groot, in heel Europa beroemd natuurkundige, gevierd hoogleraar in Göttingen (hij deed als een der eersten proeven op zijn colleges) en had mooie tegendraadse opvattingen over cultuur en literatuur van zijn tijd.

Maar de Sudelbücher, kladboeken, een grote verzameling invallen en voorlopigheden die men maar de soortnaam ‘aforismen’ heeft gegeven, gaven hem definitieve faam. Een ervan gaat over het kladboek zelf, het is een heel goede karakterisering van zijn Sudelbücher: ‘Kladboekmethode, ten zeerste aanbevolen. Geen zegswijze, geen uitdrukking ongeschreven laten. Rijkdom verwerft men ook door het opsporen van waarheden van een cent.’ De laatste zin is natuurlijk zonder meer schitterend en het gelijk ervan werd duidelijk na zijn dood toen zijn wijsheden onbetaalbaar bleken. Zijn scherpte, geestigheid, wijsheid ook werden geprezen. Ik zelf vind een der meest wijze dit aforisme of piepklein essay:

‘Ik kan mij heel goed voorstellen hoe gemakkelijk iemand door lofprijzingen in de krant ertoe kan worden verleid te geloven dat hij uiteindelijk is wat die scribenten van hem beweren. Complaisance baart complaisance, maar in de harten van de mensen met gezond verstand leeft het ware oordeel; het oordeel van het nageslacht ligt daar al gereed, zij het nog ongepubliceerd, onder het zegel van de etiquette dat alleen door het nageslacht mag worden verbroken.’

Dat is de triomf van de scepsis (en van de eigen onzekerheid).

Voor wie van zichzelf houdt, deze waarschuwing: Lichtenberg had een hekel aan Nederlanders. In een brief van 21 april 1786 schrijft hij: ‘In Holland heb ik weinig of geen kennissen. Ik houd niet van de mensen daar, de steden zijn prachtig en u zult daar woninginrichtingen zien zoals je die in je dromen voorstelt. (. . .). Ik heb zijn scheepvaart en zijn huizen bekeken, maar zijn bewoners vond ik, enkele geleerden uitgezonderd, onverdraaglijk. Ze halen het op geen stukken na bij de Engelsen. Wie vanuit Engeland naar Holland komt, denkt van een gezelschap welopgevoede officieren terecht te zijn gekomen tussen tamboers en provoosten.’ Al eerder had hij in een reisdagboek geschreven: ‘Een vreemdeling die door Holland reist zonder minstens zes maal te zijn bedrogen, moet al lang zelf een bedrieger zijn geweest.’ De grootmeester van de inval is ook de meester van de uitval.

Lichtenbergs brieven delen in de roem van zijn kladstukken. De wetenschappelijke uitgave ervan in vijf delen is niet lang geleden in Duitsland voltooid. Marion en Cyrille Offermans hebben nu een bloemlezing eruit in het Nederlands verzorgd. Cyrille Offermans beweegt zich al enige jaren in de eeuw van de Verlichting (hij schreef al eerder over Lichtenberg). De brieven zijn geschreven in de periode 1770-1799. Die uit de eerste vijf jaar zijn verreweg het opwindendst, het vitaalst ook. Lichtenberg woont in twee perioden in Londen en hij moet daar aan een dagelijkse opgewektheid hebben geleden. Als astronoom was hij uitgenodigd door George III, die ook keurvorst van Hannover was (en Lichtenbergs universiteitsstad Göttingen hoorde bij het koninkrijk Hannover).

Vanuit de Duitse provincieplaats kwam Lichtenberg in een wereldstad. En hij schrijft over wat hij ziet en hoort (ook aan lawaai, zo sterk dat hij niet kan horen wat hij schrijft!) en over wie hij ontmoet. Beroemdheden als de toneelspeler Garrick, actrices, politici, geleerden, maar vooral de koning en de koningin, met wie hij zeer vertrouwelijk is en bij wie hij soms enkele uren in hun paleis verblijft. George III had een grote wetenschappelijke belangstelling en daardoor bewondering voor Lichtenberg als astronoom. De brieven uit Engeland zijn vooral gericht aan de boekverkoper en uitgever Johann Christian Dieterich, wiens uitgaven in Engeland – ook bij de koning – groot enthousiasme wekken.

Iets van dat altijd intrigerende en fascinerende spel van intellectuele uitwisselingen wordt zichtbaar. Groots in beschrijvingskunst van Londen is de beroemde brief die Lichtenberg in 1775 aan de Göttingse geneesheer Ernst Gottfried Baldinger schrijft, een superieur stadsbeeld in veel opzichten. Misschien is dit naschrijft bij een brief aan Dieterich wel het ongewoonste stukje uit de hele correspondentie; hoe dorps kan ook een wereldstad zijn:

‘Vanmorgen om tien uur is de koning bij mij thuis geweest. Heinrich, die hem op de voordeur zag afkomen, liep volkomen overstuur naar de deur en opende die. De koning vroeg hem in het Duits: “Is de professor thuis?” Ik schoot in de andere kamer in mijn pak, ik stapte in mijn schoenen alsof het pantoffels waren, stopte de veters erin, en met afhangende kousen kwam ik naar buiten en had een gesprek met hem dat meer dan een kwartier duurde. Heb je ooit zo iets gehoord?’

Nee.

Na terugkeer gaat hij weer naar de universiteit. De brieven uit de periode 1775-1799 zijn in veel opzichten bedaarder dan de Londense. Lichtenberg is in de geleerdenkring opgenomen. Enkele brieven gaan over zijn proeven met luchtballonnen, er zijn een paar eerbiedige brieven aan Goethe – een heel mooie naar aanleiding van diens ‘kleurenleer’ – en aan Kant opgenomen. Het gaat hier wel om eerbied met maar één gesloten oog; het andere doorziet de dichter en de filosoof. Lichtenberg was te scherpzinnig om voor het grootse te bezwijken.

Misschien typeert hem dit. In 1784 stuurt hij een pakketje Göttingse worsten aan een vriend. De worsten hingen in zijn bibliotheek te drogen, tussen Shakespeare en Hume. Worst tussen de boeken – zo kan Lichtenbergs leven worden omschreven. Hij was zelf het zeventiende kind van een dominee; hij heeft er veel aan gedaan dat getal ook zelf te halen. Hij had een heel druk gezin. Hij had alles tegen voor het beoefenen van de zuivere wetenschap! Maar hij zócht ook de weerstand van ander plezier. En daarin is hij geslaagd. Zijn kladboeken en brieven bewijzen het.

Georg Christoph Lichtenberg: Gekleurde schaduwen. Vertaald uit het Duits door Marion Offermans, samengesteld en ingeleid door Cyrille Offermans. De Arbeiderspers; 264 pagina’s; ¿ 24,95. ISBN 90 295 6281 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden