Woorden die vuur evenaren

'ER IS een wonder gebeurd', schreef Alexander Blok in maart 1917 aan zijn moeder. 'En er zullen nog andere wonderen volgen....

Hij was niet de enige Russische kunstenaar die de februarirevolutie, en later ook de definitieve omwenteling van oktober, als een bevrijding verwelkomde. Mandelstam, Pasternak, Majakovski, de meeste schilders, theatermakers en filmregisseurs, plus het leeuwendeel van wat we de 'intelligentsia' noemen, reageerden geestdriftig op de ondergang van het oude, vermolmde Rusland. Een bekende criticus plaatste de lang verbeide vernieuwing in een historisch perspectief door alvast een begin te maken met de annexatie van het verleden ten gerieve van de (communistische) actualiteit: 'Peter de Grote', riep hij uit, 'was de eerste bolsjewiek.'

Ook in dat opzicht was Marina Tsvetajeva de bijna eenzame uitzondering. Zij dichtte: 'Revolutionaire troepen komen langs/ Met de kleur van zand, de kleur van as. . . Geen gezichten hebben ze, geen naam/ en geen zangen.'

Ze was bijziend, dus misschien daarom dat het rood van de marcherende horden haar ontging. Maar afgezien daarvan. Voor een revolutie zonder zangen - lees: zonder muziek, zonder poëzie, zonder een spoor van artistieke bevlogenheid - kon ze onmogelijk geestdrift opbrengen. In haar optiek was het 'oude Rusland' dood, zonder de minste kans dat er werkelijk een nieuw uit de as zou herrijzen. Dus schreef ze: 'Over de weiden gaat een dodenmis./ 't Geheime boek van Ruslands genesis/ waarin het lot der wereld ligt besloten/ is uitgelezen en voorgoed gesloten./ De wind waart door de steppen, ritselt zacht:/ O martelaar! O Rusland! Goedenacht!'

De herontdekking in het Westen van haar unieke talent dateert van de jaren tachtig. Voordien circuleerden haar verzen mondjesmaat per samizdat in de Sovjet-Unie, en werd ze daarbuiten nauwelijks gekend. Logisch als je bedenkt dat ze in de dagen van de revolutie alleen nog maar in beperkte kring naam had gemaakt, en dat ze als emigrante (van 1922 tot 1939) bijna letterlijk tussen twee werelden viel: taboe in het land van Stalin, en meer gewantrouwd dan bewonderd door haar in ballingschap levende Russische lotgenoten. 'Ik val werkelijk, absoluut, tot in mijn merg buiten iedere stand, professie, rang', had ze al in 1918 vastgesteld. 'Achter een tsaar staan tsaren, achter bedelaars bedelaars, achter mij is leegte.' En nog onherroepelijker: 'Ik ben een misverstand.'

Pas de laatste jaren kunnen we ook in Nederland van en over haar lezen. In 1996 verscheen een deel van haar herinneringen in Levend over levend, kort daarna werd de biografie van Viktoria Schweitzer vertaald en werden de poëtische Werken (lyriek en 'poëma's', in de vertaling van Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes) uitgegeven in de Russische Bibliotheek - en sinds kort zijn er de verzamelde dagboekschetsen en brieven uit de revolutiedagen, die zij later zelf voor publicatie had bestemd, maar waarvan het complete manuscript nooit is ontdekt. Aardse kenmerken had ze de collectie willen noemen. Irina Grivina reconstrueerde de oorspronkelijke opzet onder de titel Ik loop over de sterren.

Tsvetajeva was pas 25 toen de revolutie uitbrak. 'Het voornaamste', tekende ze op, 'vanaf de eerste seconde van de Revolutie beseffen: alles is verloren. Dan is alles gemakkelijk.'

Vijfentwintig, moeder van twee meisjes - de één vijf, de ander nog een zuigeling - en echtgenote van een vaandrig uit het tsaristische leger die zich in 1918 zal aansluiten bij de contrarevolutionaire 'Witten', en die dus na de nederlaag in de burgeroorlog het land moet ontvluchten. De relatieve welstand waarin Marina heeft geleefd - bemiddelde intellectuelen onder vrienden en familie, kunstenaarsvakanties op de Krim - is in één klap tenietgedaan, het door de (wereld)oorlog toch al geteisterde land raakt nog verder ontwricht, ze moet op hongertocht, de provincie in en haar kinderen tijdelijk onderbrengen in een door de communisten beheerde 'kolonie' (waar de jongste sterft), en ze woont ten slotte op een rommelzolder.

Daar leert Ilja Ehrenburg haar kennen - later een trouw propagandist van de Nieuwe Orde, maar toen nog, net als zij, beducht voor wat de bolsjewieken teweeg zullen brengen. In zijn memoires (Ik ben nooit onverschillig geweest) schreef hij: 'Wat je bij haar onmiddellijk trof was een mengsel van hoogmoed en verwardheid; haar houding was trots, het hoofd in de nek geworpen, een heel hoog voorhoofd; maar haar ogen verrieden haar innerlijke onzekerheid: grote hulpeloze, als het ware niet-ziende ogen. Ze had kortgeknipt haar, met een pony. De indruk die ze bij je achterliet was iets wat tussen een kuise maagd en een dorpsjongen in lag.'

En over haar onderkomen: 'Ik stond perplex: je kunt je moeilijk een grotere rommel voorstellen. Iedereen leefde toen in voortdurende rep en roer, maar een uiterlijke vorm werd toch altijd nog in acht genomen. Marina scheen opzettelijk haar hol te hebben verwoest. Overal slingerde wat rond, bedekt door stof en sigarettenas.'

Niettemin: over dat 'hol' schreef Tsvetajeva in 1919 het fiere gedicht dat begon met de regel 'Mijn zolderpaleis is een waar paradijs', en dat eindigde met de strofen: 'Maar als u geen hout meer hebt voor uw fornuis?/ Een dichter heeft altijd een voorraad in huis/ van woorden, die vuur evenaren./ Ons dreigen dit jaar geen gevaren./ En wordt het gebrek zelfs de dichter funest/ in Moskou's jaar negentien, jaar van de pest:/ Wij hoeven geen brood, nog geen zemel!/ Ons dak is toch vlak bij de hemel.'

Het lijkt typerend voor haar ogenschijnlijke onaanraakbaarheid. Ze was een zekere luxe gewend, ze heette een slechte huisvrouw (en een slechte moeder), ze zou met twee linkerhanden zijn geboren - maar in de rijkdom van haar dagboeknotities kom je nooit ook maar de geringste vorm van zelfbeklag tegen, integendeel: het is alsof ze met de dag vitaler, opmerkzamer en geïnspireerder wordt. Het heeft iets weg van bewustzijnsverwijding - al haar zintuigen, al haar poriën staan open voor wat er om haar heen gebeurt, en ze registreert de werkelijkheid met ongemene scherpte, en als in een explosie van creativiteit, ondanks het gebrek aan eten of het gebrek aan hout voor het fornuis.

De losse gedachten en invallen die ze verzamelt zijn de vruchtbeginselen voor haar poëzie - het loont de moeite, de aantekeningen zo nu en dan naast de nauwkeurig gedateerde gedichten uit de Werken te leggen - en voorzover er geen poëzie van is geworden, hebben ze hun eigenstandige waarde als ooggetuigenverslagen bewaard. Zoals de belevenissen op een van haar voedseltochten, waarvoor ze toestemming had gekregen onder het voorwendsel dat ze provinciale 'borduurwerken' zou bestuderen (volkscultuur was heilig voor de communisten).

Of haar kantoorervaringen op het Volkscommissariaat van Nationaliteitszaken waar ze volstrekt zinloos 'classificatie'-werk (het uitknippen en opslaan van krantenartikelen) moet verrichten, dat een huiveringwekkend beeld oproept van wat straks de meest gruwelijke vorm van staatsbureaucratie zal worden. 'Classificatie', noteert ze met haar feilloze intuïtie, 'komt daar niet het hele communisme op neer?'

En al die tijd blijft ze trouw aan zichzelf, trouw aan de opvatting dat er geen enkele zegen kan rusten op een regime zonder zangen. 'Vier jaar lang', schrijft ze in 1921, 'woon ik in sovjet-Moskou, vier jaar lang kijk ik iedereen aan op zoek naar - een gezicht. En vier jaar lang zie ik tronies.'

Dat ze ten slotte emigreert heeft mogelijk niet eens te maken met het feit dat ze het niet meer kon uithouden; in 1922 heeft ze, zo niet materieel dan toch geestelijk, nog enige bewegingsvrijheid, de kunsten zijn nog niet volledig gelijkgeschakeld, de schrijversbond is haar misschien niet goed gezind, maar ze wordt ondanks haar 'witte' sympathieën gedoogd. Ze wil weg omdat ze intussen weet dat haar man - van wie ze meer dan drie jaar geen levensteken heeft ontvangen - veilig in Praag woont, en omdat ze hem (dus zichzelf) ooit 'hondentrouw' heeft beloofd.

In haar laatste aantekening uit Moskou beschrijft ze de korte visite van de sovjet-dichter Antokolski, die ze snel de deur wijst omdat ze nog maar een uur heeft om 'mijn gedachten te verzamelen', en die nog net romantisch kan opbiechten: 'Marina, ik heb eindeloos spijt van elke minuut van deze jaren die ik niet met u heb doorgebracht.'

Van zulke blijken van innige genegenheid zal ze in de komende emigrantenjaren goeddeels verstoken blijven. Riga, Berlijn, Praag en Parijs - elke stad biedt haar dezelfde armoede als ze in haar vier sovjet-jaren heeft gekend. Haar productiviteit blijft groot, maar zoals gezegd: in emigrantenkringen is ze niet geliefd, al was het maar omdat ze weigert Majakovski (de communist) af te vallen en bij zijn dood in 1930 een cyclus aan hem gewijde verzen publiceert. 'Ach heimwee!', schrijft ze al in 1934. 'Onzin, die, allang/ ontmaskerd is! Onnodig lijden!/ Het is totaal niet van belang/ waar de eenzaamheid me wacht (. . .) Het maakt niet uit, te midden van/ welk volk mijn haren van gevangen/ leeuw overeind staan, welke stam/ of welke kringen mij verbannen.'

In juni 1939 is ze terug in Moskou. Haar man blijkt agent van de KGB te zijn geworden, maar dat biedt in de 'zuiveringsjaren' niemand een garantie: hij verdwijnt, en moet vermoord zijn. Dochter Alja wordt gearresteerd op beschuldiging van spionage (en zal pas in 1956 uit Siberië terugkeren en worden 'gerehabiliteerd'). Marina probeert met haar in ballingschap geboren zoon Mur het vege lijf te redden, tot ze in 1941 - de Duitsers naderen Moskou, de twee zijn geëvacueerd - de zinloosheid van haar pogingen inziet, en zelfmoord pleegt.

'Ik ken geen vreselijker lot dan dat van Marina Tsvetajeva', zou Nadjezda Mandelstam in haar Mémoires schrijven, na in het desbetreffende hoofdstuk van haar herinneringen met een soort berouw te hebben teruggedacht aan haar enigszins jaloerse relatie tot Marina, met wie Mandelstam een korte, maar hevige romance had beleefd. 'Misschien', schreef ze, 'had ze in het algemeen een erge hekel aan de vrouwen van haar vrienden.'

Irina Grivnina, die Ik loop over de sterren bezorgde, heeft de fragmenten gelardeerd met eigen verbindende, soms heel informatieve teksten, waarin een apologetische toon overheerst: alsof Marina, zoveel jaren na haar dood, nog een pleitbezorgster nodig had tegenover de vele 'onnozele, egocentrische domme vrouwen', die haar volgens Nadjezda Mandelstam zouden hebben 'gebrandmerkt'.

Je vraagt je af of het nog nodig is.

'In haar leven en haar werk', getuigde Boris Pasternak - één van haar vele 'betoveringen' - liet ze zich hongerig en gretig gaan in haar zoektocht naar het finale en onherroepelijke, en in die jacht ging ze verder dan wie dan ook.'

Daar maak je op het algemeen-menselijke vlak meestal geen vrienden mee.

En dat wist ze zelf. 'Ik heb alle dingen in mijn leven', schreef ze eens, 'liefgehad door het afscheid ervan, en niet bij de ontmoeting, door een breuk en niet door de vereniging ermee.'

Reprimandes over haar levenswandel verbleken daarbij. Het is zoals Marko Fondse in z'n nawoord van de Werken opmerkte: 'Binnen en buiten Rusland kan de nazaat haar niet benaderen zonder door de grond te gaan van plaatsvervangende schaamte.'

Marina Tsvetajeva: Ik loop over de sterren - Schetsen, dagboekfragmenten en brieven over de Russische Revolutie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden