AchtergrondExpositie Extra Large

Wollig, aaibaar en gigantisch – 100 jaar wandkleden in de moderne kunst

‘Extra Large – Wandkleden van Picasso en Le Corbusier tot Louise Bourgeouis’, te zien in de Kunsthal in Rotterdam.Beeld Marco De Swart

Op de expositie Extra Large in de Kunsthal schudt het wandkleed zijn stoffige imago af. Deze kleden zijn magnifiek. En allemaal gemaakt in Frankrijk. Hoe zit dat?

Van een afstandje lijkt het een reusachtige collage, maar schijn bedriegt: Pablo Picasso’s 4 bij 3 meter tellende Les femmes à leur toilette (De vrouwen maken hun toilet) is een wandkleed. De schijnbaar losjes aan elkaar geplakte, caleidoscopische compositie is het resultaat van zes jaar intensieve handarbeid. In de jaren dertig maakte hij het ontwerp van behangpapier, maar de eerste weefproeven waren niet naar de smaak van de kunstenaar. De plannen bleven liggen. Tot de toenmalige Franse minister van Cultuur de collage eind jaren zestig bij een tentoonstelling zag hangen en Picasso overhaalde er alsnog een kleed van te laten maken, in opdracht van de staat. Het werden er zelfs twee. Normaal gesproken hangen ze in de Franse ambassade in Madrid, nu is er eentje op diplomatiek bezoek in de Rotterdamse Kunsthal, in de tentoonstelling Extra Large.

De kans is redelijk groot dat u bij het woord ‘wandtapijt’ niet direct denkt aan moderne kunst. Eerder aan historische taferelen in aardetinten dan aan de heldere primaire kleuren van moderne meesters. Eerder aan Rubens dan aan Picasso. Dat ligt niet aan u: de rivalenstrijd tussen de weefkunst en de schilderkunst is ergens in de loop der eeuwen gewonnen door de schilderkunst. Het ooit populaire wandkleed werd naar een verdomhoekje van de kunstwereld verdreven, samen met andere meer toegepaste kunstvormen als keramiek. Naast ‘decoratief’ had de weefkunst bovendien nog een ander imagoprobleem: ze stond te boek als vrouwenkunst. En dus, want zo ging dat, als niet volwaardig.

‘Femmes à leur toilette’ (1971-1977) van Pablo Picasso.Beeld Pictoright Amsterdam/Françoise Baussan

Die tijden zijn voorbij. Het wandkleed is, om het zo maar te zeggen, weer behoorlijk hot. Wie op de laatste editie van Art Rotterdam rondliep kon er niet omheen: de aaibare wandversiering was overal. Ook buiten Nederland zagen we de liefde ontvlammen. Kunstkolos Tate Modern in Londen wijdde in 2018 al een blockbustertentoonstelling aan het werk van Bauhausweefster Anni Albers, en kunstbeurs Frieze wijdde tijdens de afgelopen editie een aparte tentoonstelling aan hedendaagse textielkunst onder de titel Woven.

En dan is er nu dus de tentoonstelling Extra Large in de Kunsthal, een overzicht van wandkleden die de afgelopen 100 jaar gemaakt zijn in de beroemde weefateliers van Frankrijk. De tentoonstelling laat zien, aan de hand van exemplaren ontworpen door kopstukken als Picasso, Joan Miró, Sonia Delauney en Louise Bourgeois, dat het wandtapijt nooit helemaal is weggeweest. Tenminste, niet in Frankrijk. Sterker nog, de Franse staat heeft zich de afgelopen eeuw ingespannen om deze bijzondere kunstvorm te behouden. Het grootse deel van de 56 wandkleden in Extra Large zijn gemaakt door wevers in de beroemde Manufacture des Gobelins in Parijs, het laatste atelier ter wereld waar deze tapijten met de hand worden geweven. De tentoonstelling hangt vol prachtige, imposante en kleurrijke tapijten die laten zien dat de weefkunst nog springlevend is. Ze vertelt ook het verhaal achter de opmerkelijke eigenaar van deze en aanverwante weverijen: de Franse staat.

‘Panel 1954’ van Sonia Delaunay.Beeld Pracusafoto/Isabelle Bideau

Dat zit zo: het voor onze begrippen nogal curieuze model van de staatsweverij stamt uit de 17de eeuw, toen in opdracht van het Franse koningshuis wandkleden werden vervaardigd voor paleizen en buitenhuizen. Ter meerdere eer en glorie van de monarch en het vaderland, uiteraard. Dankzij de monumentale afmetingen en kostbare materialen waren ze als pronkkunst populairder dan schilderijen. Terwijl de monarchie sneuvelde onder de guillotine, leefde het weefatelier opmerkelijk genoeg voort en nam de staat de rol van mecenas over van het koningshuis. Al eeuwenlang worden er in de Manufacture des Gobelins uitsluitend wandkleden in opdracht van de Franse staat gemaakt, vaak naar ontwerpen van beroemde kunstenaars.

Normaal gesproken sieren ze Franse ministeries en ambassades, nu hangen ze in volle glorie aan de museummuren. Extra large, inderdaad: de enorme formaten, vaak 4 bij 3 meter, passen perfect bij een museumbezoek in de anderhalvemetersamenleving. Die megalomanie zit gelukkig alleen in de kunstwerken zelf, de tentoonstelling is heerlijk gefocust. Er hangt geen werk te veel. Tien min of meer chronologische hoofdstukken laten zien hoe de Franse tapijtkunst zich de afgelopen eeuw heeft ontwikkeld en aan haar stoffige imago heeft ontworsteld. Die ontwikkeling loopt van imposante maar brave genrestukken uit de periode vlak na de Eerste Wereldoorlog langs spetterende tapijten van moderne meesters als Picasso, Miró en Calder naar het digitale tijdperk waarin fotorealisme en pixelkunst hun opwacht maken bij het weefgetouw.

Dat de geschiedenis van de staatstapijten ook een schaduwkant kent, is te zien in het hoofdstuk over de Tweede Wereldoorlog. In opdracht van het collaborerende Vichy-regime en de Duitse bezetter werd de staatsweverij in deze periode ingezet als propagandamachine. Met als hoogtepunt, of dieptepunt, twee sterke staaltjes neoclassicistische nazi-kitsch, ontworpen door de Duitse kunstenaar Werner Peiner. Na de oorlog lagen ze decennialang opgeslagen in de diepste kelders van het Louvre. Ze vormen een loodzware herinnering aan een duistere tijd, deze tapijten, zeker als je bedenkt dat er jaren werk en zo’n 3,5 kilo gouddraad in zitten. Een van de doeken kwam nooit af: de wevers werkten er extra langzaam aan.

‘Canapé II’ (1963) van Le Corbusier.Beeld Pictoright Amsterdam

Na de Tweede Wereldoorlog kregen de weverijen het moeilijk. Het maken van wandkleden is een kostbare aangelegenheid en de populariteit was tanende. Pompen of verzuipen: in plaats van de weefkunst een stille dood te laten sterven, koos Frankrijk ervoor om het ambacht te innoveren. Toonaangevende kunstenaars kregen carte blanche om ontwerpen te maken die in de staatsweverijen werden uitgevoerd. Die samenwerking tussen moderne kunstenaars en wevers moest ervoor zorgen dat het ambacht verankerd bleef in de moderne tijd. Vakmensen konden hun kunde en inventiviteit inzetten om de weefkunst te vernieuwen, en voor de kunstenaars was het een gelegenheid om de mogelijkheden van het medium te verkennen.

Het is indrukwekkend om te zien dat een eeuwenoude, onrendabele kunstvorm toch zo springlevend is gehouden. En dat het de staat is die hier op de bres is gesprongen voor het beschermen van kunst en ambacht. Om stikjaloers van te worden, ook wel. (Ministers, leest u mee?)

Levert het ook daadwerkelijk goede kunst op? Jazeker. Dat is op de tentoonstelling duidelijk te zien. De tapijten zijn veel meer dan slechts een reproductie van schilderijen. Het is interessant om te zien hoe ontwikkelingen in de kunst gelijk oplopen met ontwikkelingen in de tapisserie. Hoewel, niet helemaal gelijk, het handweven blijft een trage kunstvorm. In het beste geval duurt het maken van een tapijt een jaar, soms zijn dat er tien. Maar juist die spanning tussen innovatiedrang en traagheid maakt deze tapijten zo indrukwekkend. Het is of in de kleden twee soorten tijd samen komen. Moderniteit en traditie, individuele artistieke expressie en eeuwenoud vakmanschap botsen hier vrolijk op elkaar. Nou ja, botsen. Juist niet. Ze worden verweven.

Prachtig hoe de diepe kleuren van geverfde wol de abstracte, geometrische werelden van moderne meesters tot leven wekken. Alexander Calder, de man van de mobiles, laat zijn geliefde geometrische vormen over het tapijt wervelen. Door de felle, verzadigde pigmenten lijken ze van het doek af het luchtledige in te zweven. 

Ook de warme, heldere kleuren van Sonia Delaunays Panel 1954 stralen je tegemoet. Delaunay schilderde het ontwerp voor het tapijt in aquarel, haast onmogelijk om de teerheid daarvan te vertalen naar de wollige volheid van het wandtapijt. Toch is het gelukt, en het resultaat is veel meer dan een indrukwekkende kopie. De zachtheid van het weefsel geeft de ronde vormen extra diepte en warmte. Door minuscule kleurverschillen is het de wevers gelukt om hier en daar het glazige effect van waterverf te interpreteren. Je ziet de kleuren bijna vloeien.

Begin jaren zeventig wordt een speciale afdeling opgetuigd waar wordt gewerkt met nieuwe materialen en technieken. Vanaf dat moment beginnen de kunstenaars en wevers aan het traditionele platte vlak van het wandkleed te tornen. Plooien, gaten, uitstulpingen: wandkleed wordt wandsculptuur. Wevers krijgen steeds meer vrijheid om de visies van kunstenaars om te zetten in tapijten. Bijvoorbeeld bij Saint Sébastienne (Heilige Sebastiana) van Louise Bourgeois, die overigens zelf dochter was van een weefster (daar komen haar beroemde moederspinnen vandaan). Zij gaf de wevers toestemming om haar ontwerp naar eigen inzicht te interpreteren. De heilige Sebastiana, Bourgeois’ versie van de martelaar Sint-Sebastiaan, is afgebeeld als zwanger, hoofdloos vrouwenlichaam waar negen pijlen op worden afgevuurd. Scherp steken ze af tegen de roomwitte achtergrond. Het lichaam van Sebastiana, in hetzelfde roomwit, verdwijnt juist bijna in die achtergrond. De buik, borsten en billen steken in reliëf naar voren, sterk en kwetsbaar tegelijk. Een prachtig voorbeeld van hoe het werken met verschillende weeftechnieken en materialen een kunstwerk letterlijk nieuwe diepte kan geven.

‘A Map of Japan’ (2012-2017) van Alain Séchas.Beeld Pictoright Amsterdam/Isabelle Bideau

De toegevoegde waarde van de weefkunst zie je, veel subtieler, maar daarom niet minder spectaculair, misschien nog wel het beste in A Map of Japan (2012-2017). Dit wandkleed is gebaseerd op een sterk uitvergrote reproductie van een olieverfschilderij van de Franse schilder Alain Séchas. Van meters afstand is het haast niet van een schilderij te onderscheiden, van dichtbij voegt de fijne weefstructuur een heel eigen dimensie toe. 

Elke opgeblazen kwaststreek is tot in het fijnste detail in het weefpatroon verwerkt, je ziet elke kleurnuance in de verf, elke penseelstreek. Twee tijdzones smelten samen in een kunstwerk. Die van de penseel die over het doek beweegt: losjes, intuïtief en snel. En die van de draad op het weefgetouw: horizontaal, gecalculeerd en langzaam het beeld opbouwend. Dit is pure alchemie. Met dank aan de Franse staat.

EXTRA LARGE

De expositie Extra Large – Wandkleden van Picasso en Le Corbusier tot Louise Bourgeois is  t/m 3/1 te zien in de Kunsthal in Rotterdam. Reserveren kan op kunsthal.nl/tickets.

Moderne nomaden

Voor architect Le Corbusier (1887-1965) was het wandkleed de mooiste kunstvorm, een perfect huwelijk tussen kunst en architectuur. ‘Nomadische muurschilderingen’ noemde hij zijn muurvullende creaties, waarvan er in de tentoonstelling twee te zien zijn. Bij elke verhuizing, aldus de architect, zijn ze makkelijk op te rollen en onder de arm mee te nemen naar een nieuwe stek. Het past in zijn utopische beeld van de stadsmens als moderne nomade.

Textielmuseum

Een door de staat beheerde fabriek is het niet, maar Nederland kent ook een eigen bijzondere textielwerkplaats: het TextielLab van het Textielmuseum in Tilburg. Onder anderen Peter Struycken, Jan Fabre en Jennifer Tee ontwikkelden hier samen met wevers technieken tapijten, in opdracht van het museum of op eigen initiatief. Niet handgemaakt, wel indrukwekkend. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden