Wolkers' ik-personen zijn wreed én teder, hebben een grote mond en een bang hart

Maar hoe goed was Wolkers nou echt?

Je kon iets van seks opsteken voordat je eraan deed. Wolkers bracht de literatuur naar de mensen.

Jan Wolkers Foto anp

Turks fruit, dat was hét boek. Ons Boek. Beter bestond gewoon niet. Het was opwindend, grappig, hartverscheurend, rauw, goor, wreed, lief en ontzettend zielig. En dat allemaal in één roman. Er stonden zinnen in als: 'Ik zag die stang van mij steeds tussen die twee reusachtige bolle blanke heuvels verdwijnen' en: 'Ik sleepte meiden naar mijn hol en rukte ze de kleren van het lijf en ramde me een ongeluk.' Dat je dat zomaar kon opschrijven! En mocht lezen! De leraar Nederlands had het boek zelfs aangeraden. Nou, als dít literatuur was, dan wilde ik ook bij de literatuur.

Dat was in 1971. Niet iedereen was zo ruimdenkend als de leuke leraar die ons 15-jarigen aan het lezen bracht. Maar dat sommige ouders het een 'smerig boek' vonden (wat leraren Nederlands tegenwoordig ook weer te horen krijgen) en dat de bibliotheekjuffrouw met haar nijpmondje de boeken van Jan Wolkers niet wilde uitlenen, maakte ze nog begeerlijker. Voortaan kocht ik ze van mijn zakgeld: een singletje van The Beatles óf een 'literaire reuzenpocket', een moeilijke keus. Het kleurige rijtje op mijn geel-rood-grijze Brabantia-boekenrek groeide: Serpentina's petticoat, Kort Amerikaans, Gesponnen suiker, Een roos van vlees, Horrible Tango, Terug naar Oegstgeest. Stuk voor stuk prachtboeken.

Onze leraar kon eindeloos doorzeuren over de Grote Drie, Harry Mulisch, Gerard Reve en W.F. Hermans, maar die boeken vond ik niet om door te komen. Voor mij was er één Grote Een. Wat een man. Hij was ook beeldhouwer. En hij had een kop als keizer Nero. Gulzig herlas ik zijn boeken. Zo kon je iets van seks opsteken voordat je eraan deed. Het was alsof ik ook even deel had aan het echte leven waarin mensen elkaar heftig beminden, smadelijk verrieden en de dood injoegen.

Een paar jaar later werd ik mijn eerste literaire held ontrouw. Ik vond Reve toch beter. Geestiger, wanhopiger. Nu herkende ik mezelf in hém. De botte, gedesillusioneerde Hermans kon ik ook wel hebben. En de dromerige Remco Campert. Vrouwelijke schrijvers aan wie ik me spiegelde, ook al noemde ik mezelf feminist, kende ik nog niet. Na De kus (1977) was het lange tijd gedaan met mijn liefde voor Wolkers. Het werd me te gezwollen, dat proza, te ronkerig. De viriele held, dat kunstenaarsbeest, ging me ineens tegenstaan. Die piemelnaakte foto's op zijn boekcovers. En dat gedoe met dieren. 'Kippenneuker Drolkers' noemde Reve hem. Hij had gelijk.

Achteraf loopt mijn waardering voor Wolkers parallel aan die van de literaire kritiek, al las noch schreef ik toen recensies.

Ineens was de magie van Wolkers verdwenen. De romans De doodshoofdvlinder (1979), Brandende liefde (1981), De junival (1982) en Gifsla (1983) werden neergesabeld in de pers. Wolkers zou een karikatuur van zichzelf zijn geworden, met clichématige, sentimentele verhalen en opdringerige metaforen. Puur effectbejag. Die kritiek maakte hem razend.

Iemand als Kees Fens, ooit een bewonderaar van zijn werk, was ineens 'een roomse schijterd'. Ook konden de literaire jury's hun prijzen 'in hun reet steken'. Een groot deel van zijn publiek bleef hem trouw. Het is, wat je ook vindt van zijn werk, geweldig dat Wolkers de literatuur naar een groot publiek heeft gebracht.

Wat maakt Wolkers zo'n onverwoestbare jeugdheld? Misschien alle tegenstrijdigheden die hij verenigt. Hij paste, in de jaren zestig en zeventig, helemaal in de tijdgeest, in de jongerencultuur. Tegelijk was hij, anders dan wij, echt iemand van voor de oorlog, uit een gereformeerd milieu. Een jongen die leed onder een archaïsche patriarch van een vader, en een alziende, straffende God. Voor mij exotisch. Zo raar.

Wolkers sprak de taal van de hippe, protesterende jongeren maar óók de 'tale Kanaäns' klonk in zijn werk. De volwassen ik-figuren hebben zich van hun ketenen losgerukt en zijn vrije kunstenaars, die onbekommerd vrouwen verleiden en schelden op het grootkapitaal. Maar ze zijn ook nog die gereformeerde, verkrampte jongen, doordrenkt met schuldbesef. Ze zijn wreed én teder, hebben een grote mond en een bang hart. De vermenging van die tegendelen is, denk ik, de kracht van dit werk. Een door en door moderne schrijver die het diep-religieuze besef dat de dood ons leven beheerst, tot zijn hoofdthema maakte.

Het was ook zijn stijl natuurlijk. Niemand schreef zo als Wolkers in zijn vroege werk. Gebeeldhouwde zinnen, genadeloze observaties. Plat realisme is het niet. Wolkers had het talent om alledaagse waarnemingen te verheffen tot een symbool. Hij kon scherp kijken, hij was beeldend kunstenaar. Zelf noemde hij het 'betekenisvol zien'. Bij Wolkers kan één detail een heel verhaal dragen. De jongen in Kort Amerikaans heeft - net als Wolkers - een litteken op zijn slaap. Het is een 'kaïnsteken', denkt hij. Daarom voelt hij zich, als zijn oudere broer aan difterie sterft, schuldig aan broedermoord.

Is Wolkers' latere werk echt zo veel minder dan dat uit de begintijd? In de jaren negentig schreef hij geen romans meer. Wel schitterende essays, zoals die in de bundels Tarzan in Arles en Rembrandt in Rommeldam. Ook hierin was scherp en liefdevol kijken, nu naar het werk van anderen, zijn kracht. Ik hoop dat de biografie van Jan Wolkers het verlangen oproept zijn werk te herlezen, en op waarde te schatten.

Wolkers' beste boeken

1. Kort Amerikaans (1962) debuutroman. Beklemmend verhaal over een kunststudent die onderduikt op een atelier, met een gipsen torso als geliefde. De hele Wolkers zit hierin: de gehate vader, de betreurde broer, de obsessie met erotiek.

2. Serpentina's petticoat (1961), Wolkers' prozadebuut. Motto: 'Hij die op den Dood komt moet van voren af aan beginnen en betaalt den Inzet', en over de dood gaat het vaak in deze indrukwekkende, hoogst originele verhalen.

3. Terug naar Oegstgeest (1965), terug naar de bron van alle ellende, én de grootste inspiratiebron: het gereformeerde gezin boven de winkel in Koloniale Waren.


De hele Jan Wolkers

'Lieve opa Wolkers' blijkt ook een agressieve testosteronbom
Donderdag is het precies 10 jaar geleden dat Jan Wolkers overleed. De Volkskrant viert de schrijver en beeldhouwer. Onno Blom kreeg met het schrijven van Wolkers' biografie de opdracht van zijn leven.

De smerigste citaten van Wolkers volgens de Volkskrantredactie
Donderdag is het tien jaar geleden dat schrijver en beeldhouwer Jan Wolkers overleed. De Volkskrant selecteerde het smerigste uit zijn werk.

Met Nooit meer Auschwitz revancheerde Wolkers zich als woeste kunstenaar
Jan Wolkers tekende in de oorlogsjaren met een woeste eigenzinnigheid, die hij later kwijtraakte. Maar toen kwam het Wertheimparkmonument.

Wat vond een liefhebber als Wolkers van de verfilming van zijn eigen boeken?
Jan Wolkers was een groot filmliefhebber. Wat vond hij van zijn eigen boeken op het witte doek, en van de acteurs die zijn personages vertolkten?

Wolkers bevrijdende kracht drong met Turks Fruit eindelijk door
In protestantse gezinnen, zoals dat van Bert Wagendorp, hakte Turks Fruit erin. De jeugd kreeg er geen genoeg van, ouders stonden machteloos. En er was geen weg terug. Een ode aan een taboedoorbrekend boek.

'Jan Wolkers en ik zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden geraakt in de verbeelding'
Ze zagen elkaar nauwelijks, maar Jan Wolkers en acteur Rutger Hauer waren sinds Turks Fruit 'onverbrekelijk met elkaar verbonden'. Hauer legt uit waarom.

Wolkers beeld John Coltrane (Boy Edgar Prijs) blijkt al 54 jaar onverwoestbaar
Verdronken, begraven, goud gespoten, als kerststukje en vergeten. Hoe hard de winnaars het ook hebben geprobeerd, de door Wolkers vervaardigde trofee John Coltrane blijkt onverwoestbaar.

Foto Max Kisman / de Volkskrant