WINKELDOCHTERS OP EEN BEURS

De grote overzichtstentoonstelling La Force de L’Art in Parijs wil de moderne Franse schilderkunst rehabiliteren. Vergeefse moeite: ze is hier per ongeluk afgestoft....

Probeer dat decor maar eens weg te denken. Weg met die titel en de slogans, La Force de l’Art, de Kracht van Kunst. Weg met de dranghekken in haarspeldbochtopstelling voor de deur, die duizenden bezoekers per uur suggereren. En weg met – het allermoeilijkste – het licht in het Grand Palais, dat je na een korte overtocht door een donkere hal als een douche omspoelt. Bijna tastbaar is het. Op deze lichte, warme meidag daalt het, verspreid door het immense glazen dak, in de ruimte neer als miniscule deeltjes warme sneeuw. Het is overweldigend. De zonnebril gaat op. Kunst kijken door getint glas, terwijl de suppoosten in de schaduw schuilen.

Het is niet moeilijk je te laten imponeren door de grandeur van La Force de l’Art, de tentoonstelling die door sommigen als onderdeel van de ‘grands travaux’ van de staat wordt beschouwd. De tentoonstelling is immers geïnitieerd door de Franse premier Domenique de Villepin; hij droeg vijftien kunstspecialisten op een overzicht van de Franse kunst van de afgelopen vijftien jaar samen te stellen. Maar als je dat allemaal even vergeet; wat zie je dan eigenlijk?

Dat de in razend tempo uit de grond gestampte La Force de l’Art in feite een kunstbeurs is. Met iets meer structuur, doordat de witte, dakloze hokjes clusters vormen zodat de bezoeker niet van galerie naar galerie, maar van tentoonstelling naar tentoonstelling dwaalt. Veertien in totaal, en dan nog een tiental andere ruimtes erbij: videotheek, bibliotheek, concertzaal, podcast-luisterruimte. Verder met dezelfde niet-coherente, vrolijke en toch wat tuttige chaos die bij een doorsnee grote kunstbeurs hoort – inclusief de aanwezigheid van een paar geheide knallers uit de twintigste eeuw, zoals hier François Morellet, Niele Toroni en Daniel Buren. Franse kunsthelden vanaf de jaren zestig.

Hoog boven de expositie torent het Michelin-mannetje van Bruno Peinado, het symbool van de Franse auto-industrie, vermomd als Black Panther-strijder. ‘Ik geloof niet in spoken, maar ik ben er wel bang voor’ staat aan zijn voeten te lezen; een uitspraak van Jean Cocteau, titel van de expositie samengesteld door criticus Bernard Marcadé. Het zal nog even duren voor je hem bereikt, want tussen de entree en de toren van steigerpijp waar de tekst op staat, zijn al minstens zes andere tentoonstellingen met even klinkende titels te zien.

Natuurlijk zitten daar goede en minder geslaagde pogingen bij om een beeld van de Franse kunst van de afgelopen vijftien jaar te geven. Zo is er de in Parijs werkende Hou Hanru, de Chinese curator die zijn globalisering-en-stedenbouw-stokpaardje berijdt, net zoals op kunstmanifestaties overal ter wereld. ‘Laboratorium voor een onzekere toekomst’ heet zijn tentoonstelling dit keer, met kunst die er bekend uitziet. Prachtige fotocollages van onmenselijke woonwijken, heel actueel in Frankrijk, van het architectenduo Mapoffice. En ook de nieuwe eenheidsmunt voor het Afrikaanse continent, de ‘Afro’, van Pascale Martine Thayou. Het is kritisch, het is verantwoord – en precies het soort tentoonstelling dat Hou Hanru om het even waar maakt.

Anders is dat in de frivole tentoonstelling Rose Poussière, zo genoemd naar een bepaald soort cosmetica. Bedacht door Olivier Zahm, de hippe hoofdredacteur van het blad Purple. Hier is elke zaal door een modehuis onder handen genomen; Hedi Slimane, Chanel, Yves Saint Laurent. In elke ruimte wordt met behulp van bijvoorbeeld een schilderij van Bernard Frize (zachte kleurovergangen) of hypnotiserende draaischijven van Alain Sechas een sfeer, een imago neergezet – image-building in zijn meest gesophisticeerde vorm. Dat Inez van Lamsweerde uit Nederland en de VS komt en Stefan Balkenhol uit Duitsland, doet daar verder niet toe. Zahm streeft al sinds de oprichting van zijn blad naar een versmelting van cultuur en industrie en ook dat hoort blijkbaar bij een update van Franse kunst.

Er is een tentoonstelling van in Frankrijk levende ballingen; van autobiografische werken; van ‘vervreemdende’ kunst. Daar duiken namen op die het sowieso goed doen in het internationale circuit. Bijvoorbeeld de met vijf werken vertegenwoordigde Betrand Lavier, die een nieuw soort readymades laat zien als een geheel met dikke acrylverf ingesmeerde rode Ferrari. Pierre Huyghe, Philippe Parreno, de cijferschilder Roman Opalka, de videokunstenaar Claude Closky, en nog een heleboel internationaal opererende kunstenaars.

Zij dragen de tentoonstellingen, vormen soms zelfs wondermooie zalen. Kartonnen, reusachtige skeletten van Xavier Veilhan staan als in een rondedans tussen op schaal gemaakte windmolens van Didier Marcel, beschenen door zonnestralen van tl-buizen van Mark Handforth. Zo’n zaal doet je direct weer vergeten wat een beroerde indruk de Franse schilderkunst maakt, die terecht genegeerd werd de afgelopen vijftien jaar en hier per ongeluk afgestoft is.

Parijs, zo leren alle kunsthistorici, verloor zijn koploperspositie in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Het abstract-expressionisme, met Jackson Pollock voorop, nam de fakkel over – al dan niet geholpen door Amerikaanse, anti-communistische propaganda. Daarna was New York heel lang de navel van de kunstwereld maar die periode is ook allang weer voorbij. Berlijn, Londen, Moskou, Vilnius, Beiroet, Peking – het is stuivertje wisselen geworden onder wereldsteden, zo snel dat er geen sprake meer is van een ‘centrum’. De toonaangevende theoretici en curatoren wonen wel nog allemaal in Parijs en New York, maar de kunstenaar komt overal vandaan.

Fransen spelen daarbij volop mee. Louise Bourgeois en Sophie Calle (zo opvallend afwezig in het Grand Palais dat ze er bijna bij is) zijn over de hele wereld bekend als toonaangevende kunstenaars, uiterst Frans in hun talige, intellectuele benadering bovendien. Maar ze spelen een rol tussen anderen.

Er is niets mis met een regelmatig overzicht van nieuwe kunst, zoals in Londen bijvoorbeeld met de overzichtelijke, kwalitatief veel betere Tate Triennial– een van de voorbeelden voor initiatiefnemer Villepin. Het spijtige is dat men de Franse kunst over een hele periode heeft willen ‘rehabiliteren’. Dat is niet nodig en niet mogelijk, blijkt pijnlijk uit de minder bekende kunstwerken uit de jaren negentig die hier nu als winkeldochters op de beurs hangen.

Over een paar jaar kan er zo’n tentoonstelling komen, die gewoon het beste van de afgelopen twee, drie jaar toont. Daarin komt hopelijk ook weer Pleix voor, Franse clipmakers die veruit de meest enerverende filmpjes op La Force de l’Art laten zien. En nu we toch fantaseren over een volgende editie, mag die dan samengesteld worden door Thomas Hirschhorn, de niet aflatend boze, grappige, geëngageerde Zwitserse banneling in Parijs? Want goede kunst wordt er zeker gemaakt in Frankrijk. Sneu van die vele miljoenen en dat prachtige gebouw, maar om daarvan overtuigd te raken was la Force de l’Art, met al zijn pretenties en klaroengeschal, eigenlijk niet nodig geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden