Winkeldochters om van te houden Fondation Beyeler herbergt formidabele collectie

Basel heeft er een nieuwe trekpleister bij: het particuliere museum Fondation Beyeler. Een 'symbiose van kunst, architectuur en natuur', gelegen tussen de boomgaarden en landerijen....

HET Zwitserse Basel is zo langzamerhand uitgegroeid tot een interessant reisdoel voor liefhebbers van moderne kunst. Afgezien van de kunstbeurs die jaarlijks in juni wordt gehouden, onder haar vele concurrenten nog steeds de beste, bezit de stad in het Kunstmuseum en het daaraan gelieerde Museum für Gegenwartskunst een eersteklas collectie kunst van de twintigste eeuw. En er is meer: het eenmansmuseum gewijd aan de manische machines van Tinguely; het ook architectonisch interessante, door Frank Gehry ontworpen Vitra-stoelenmuseum in het nabijgelegen Weil am Rhein; het Goetheanum en andere curieuze gebouwen die Rudolf Steiner in de jaren twintig concipieerde voor het centrum van de antroposofie in Dornach.

Aan deze reeks is in oktober vorig jaar nog een trekpleister toegevoegd met de opening van de Fondation Beyeler, een particulier museum in Riehen, een dorpje onder de rook van Basel.

Gepassioneerde kunstverzamelaars op leeftijd staan voor een dilemma. Ze kunnen alles verkopen en comfortabel kleiner gaan wonen, ze kunnen de lusten en lasten overdragen aan hun kinderen of verdere familie; ze kunnen ook in het zicht van de eeuwigheid een goede daad verrichten en hun verzameling nalaten aan de gemeenschap. Heel wat musea danken een belangrijk deel van hun collectie aan schenkingen en legaten. Dat moet vooral zo blijven.

De overwegingen die bij zo'n beslissing spelen zijn niet alleen van financiële aard. Zwaarder weegt vaak de vraag wat er later met de verzameling zal gebeuren, hoe toegankelijk ze zal zijn en hoe herkenbaar de herkomst. In Amerikaanse musea zijn soms grote verzamelingen ondergebracht in aparte vleugels - doorgaans door de schenkers gefinancierd en naar hen vernoemd - maar het heeft iets ongelukkigs als bijvoorbeeld de schilderijen van Monet over drie, vier plaatsen in het gebouw verspreid zijn.

Je kunt ook niet blijven uitbreiden en kunstwerken stapelen; er is een grens aan het opnamevermogen van de bezoeker. Musea zijn dan ook zelden bereid te garanderen dat een geschonken verzameling compleet en permanent te zien zal zijn. Ze willen die het liefst integreren in het geheel en op grond van de kwaliteit van de individuele werken bepalen wat daarvoor in aanmerking komt.

Veel schenkers hebben begrip voor dat standpunt. Er zijn er zelfs die het goed vinden dat minder passende delen van de schenking verkocht worden ten bate van substantiële toevoegingen aan de collectie van het begunstigde museum. Anderen echter hechten er zozeer aan dat hetgeen zij verzameld hebben bij elkaar blijft en openbaar wordt, dat ze de stap zetten om zelf een museum te stichten. Dat gebeurde vroeger ook - Museum Kröller-Müller is zo begonnen, in Zwitserland bestaan al sinds decennia de Stiftungen Oskar Reinhardt in Winterthur en Emil Bührle in Zürich -, maar de tendens is in recente tijden sterker geworden, heb ik de indruk.

Daar zijn verschillende redenen voor te bedenken. De toenemende behoefte aan individuele onderscheiding en naamsbekendheid die zich in de maatschappij aftekent, is blijkbaar ook verzamelaars niet vreemd. Ze zijn minder dan voorheen genegen hun kostbare bezit te laten opgaan in bestaande museumcollecties. Sommigen stellen zich bovendien kritisch op tegenover de dominantie van het beleid van die overheidsinstellingen en willen ten onrechte verwaarloosde kunst onder de publieke aandacht brengen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Museum Beelden aan Zee in Scheveningen en het Frisia Museum in Spanbroek, om twee musea in Nederland te noemen die er in de laatste jaren bij zijn gekomen.

Deze overweging moet ook het Baselse verzamelaarsechtpaar Ernst en Hildy Beyeler hebben gemaakt toen het besloot zijn verzameling onder te brengen in een stichting en een eigen museumgebouw. In een interview in de museumcatalogus komt de kwestie expliciet ter sprake, met name de verhouding tot de collectie van het Kunstmuseum in Basel die 'soortgelijk is en uit dezelfde geest ontstaan'.

Beyeler verklaart dat hij in principe geen bezwaar zou hebben gehad tegen integratie van zijn bezit in het bestand van het museum, maar dat dan waarschijnlijk zo'n veertig procent naar het depot zou verhuizen (dat zegt veel over de kwaliteit van het museum, én van zijn eigen verzameling).

Hij voert nog een ander argument aan: naast moderne kunst omvat zijn verzameling veel Afrikaanse en Oceanische sculpturen - 'voor mij een aantrekkelijk tegenwicht voor de kunst van het Westen', zegt hij - die in het Kunstmuseum niet zou passen en waarschijnlijk al spoedig zou zijn doorgesluisd naar het Museum der Kulturen. Om die redenen koos hij voor de vestiging van een eigen museum in Riehen, op enige afstand van het grote museum in de stad.

Dat de twee collecties gedeeltelijk overlappen valt niet te ontkennen, maar de verschillen in de presentatie ervan zijn evident. Basel biedt kunst van de verschillende stromingen van de twintigste eeuw aan in een brede context. De Fondation Beyeler richt zich op een beperkt aantal coryfeeën. In de esthetische combinatie van westerse en niet-westerse kunst en in de intieme schaal van het museum is het karakter van een particuliere collectie behouden gebleven. Het is, in de beste zin van het woord, een hedonistisch museum. De hele ambiance is toegesneden op puur kunstgenot.

DAARTOE draagt het gebouw van Renzo Piano veel bij. Piano ontwierp in het begin van de jaren zeventig Beaubourg in Parijs, spannend maar als museum een crime. Hij heeft zich daarna ruimschoots gerevancheerd met het prachtige museum voor de collectie De Menil in Houston, en nu opnieuw met de Fondation Beyeler. Het lage museumgebouw ligt naast een oude straatweg op een glooiend terrein, met landerijen, boomgaarden en verspreide huizen. Het uitzicht vanuit de wintertuin is even fraai als het aanzicht van het museum, dat met zijn donkerrode natuursteen en glas waarin zich de heuvels weerspiegelen, harmonieert met de omgeving.

De plattegrond voorziet in een afwisselende opeenvolging van grotere en kleinere zalen. De lichtval door het dak, gereguleerd door een ingenieus systeem van lamellen en roosters, is uitstekend. De geslotenheid van het zalencircuit wordt incidenteel onderbroken door hoge deuropeningen en glazen wanden die uitzicht naar buiten bieden. Het water van de vijver aan een van de kopse kanten van het gebouw werpt zijn spiegelingen in de aangrenzende zalen. In het interview spreekt Beyeler van 'een symbiose van kunst, architectuur en natuur', een museaal concept waarvoor verzamelaar en architect wellicht inspiratie hebben opgedaan in klassiek geworden musea zoals Kröller-Müller, Louisiana bij Kopenhagen of de Fondation Maeght in het Zuidfranse St. Paul de Vence.

Met het laatstgenoemde museum heeft de Fondation Beyeler nog een opvallende overeenkomst: evenals Aimé Maeght dat was, is Ernst Beyeler kunsthandelaar, een van de grootsten in zijn vak. Begonnen als medewerker in een antiquariaat, heeft hij zijn fortuin gemaakt met de verkoop van werk van de meesters van de klassiek-moderne kunst.

Sommige kunsthandelaars zijn niet graag de concurrent van hun klanten en geven er de voorkeur aan hun verzameldrift te bevredigen door zich op een heel ander gebied te richten. Beyeler heeft juist die kunstenaars verzameld van wie hij ook tentoonstellingen maakte in zijn Baselse galerie, van Picasso, Matisse, Léger, Kandinsky, Klee, Mondriaan en Giacometti tot Bacon, Kelly, Stella, Lichtenstein en Baselitz. Het zijn louter gevestigde namen; voor avontuurlijke expedities in de jongste kunst moet men elders zijn. Maar op het terrein dat hij bestrijkt, heeft Beyeler een formidabele collectie bij elkaar gebracht, in het genot waarvan nu iedere bezoeker mag delen.

Ik kan een opsomming geven: meer dan twintig Picasso's, een zaal vol Giacometti, twee zalen met Matisse, een zaal met Dubuffet; acht schilderijen van Mondriaan, negen van Léger, vijf van Miró, drie van Rothko, vier van Bacon. Ik kan er werken uitlichten die voor mij de hoogtepunten zijn: een grote pastel door Degas van een vrouw die uit bad stapt; een wand met vroeg-kubistische schilderijen en collages van Picasso en Braque, vergezeld van enkele Afrikaanse sculpturen van topkwaliteit; een van de mooiste schilderijen van Henri Rousseau, een geheimzinnige oerwoudscène met een leeuw die een antilope verslindt; een negen meter lange vijver met waterlelies van Monet; een schilderij in rood en zwart van Barnett Newman, met ernaast een even indrukwekkend fragment van een houten trom met een zittende mannenfiguur uit Nigeria; een wild gevormd en beschilderd Melanesisch masker; Kiefers ruig geschilderde boom waaraan een palet van lood is bevestigd; een heel bijzonder, donker tuingezicht van Matisse. Zo kan ik nog wel even doorgaan, maar dat heeft niet veel zin. Het is zoiets als het recept van een lekker gerecht oplezen in plaats van het te laten proeven.

Voor Beyelers keuze van kunstenaars zou elk museum tekenen. Westerse en niet-westerse kunst met elkaar confronteren, het is eerder gedaan. Er zijn gelukkig meer voorbeelden op de wereld van zo'n zorgvuldige presentatie als de Fondation Beyeler te zien geeft. Maar valt er in de collectie ook nog iets persoonlijks te ontdekken ? Die vraag intrigeerde me tijdens mijn bezoek en geleidelijk vormde zich een, weliswaar speculatief, antwoord. Ik denk dat het museum een aantal winkeldochters van de galerie bevat: werken die de handelaar Beyeler niet makkelijk kon verkopen, waar de verzamelaar Beyeler dan stiekem blij om was omdat hij er bepaalde kwaliteiten in zag die anderen niet zagen.

HET gaat niet om een groot aantal: misschien tien of vijftien. Ze zijn niet a-typisch voor de kunstenaar - dat had ook gekund - maar ze missen de geacheveerdheid of de appetijtelijkheid die de meeste particuliere en museale verzamelaars in een werk op prijs stellen. Dat geldt voor de ruwe figuurstudie voor de Demoiselles d'Avignon van Picasso, de schetsmatige Vrouw in fauteuil van Léger, voor de geheel in grijze tinten gehouden kubistische weergave van een eucalyptustak door Mondriaan, voor Miró's surrealistische krijttekening op een blank doek, voor sommige zeer sombere werken van Klee, voor de genoemde donkere tuin van Matisse.

Het beste voorbeeld in deze categorie is Cézannes portret van zijn vrouw, dat Beyeler overigens niet in zijn galerie had maar onlangs uit een New Yorkse collectie verwierf. Geen schoonheid, mevrouw Cézanne, met haar stugge gezicht. Rond de ogen had de schilder er misschien nog aan verder willen werken maar het bleef bij wat bleke verfstreken, zodat het lijkt alsof ze een matglazen bril op heeft. Zo'n uitdrukking schrikt kopers af.

Beyeler, zo stel ik me voor, zag hoe ongehoord mooi de donkerrode jurk en de handen van mevrouw Cézanne geschilderd zijn, zo mooi als op de beste schilderijen van de meester, en hij was verkocht. De ware liefhebber verloochent zich niet.

Fondation Beyeler, Baselstrasse 101, Riehen/Basel, tel. 00.41.61.6459700. Dagelijks geopend, 11-17 uur, in de zomer 11-19 uur. Toegang 8 Zw. Fr. Vanaf Basel Hauptbahnhof rijdt elk half uur een speciale tram naar het museum.

Vanaf 5 april tot en met 3 mei brengt het museum de expositie Colours-Sounds, waarin schilderijen van Kadinsky uit de periode 1908-1914 worden gekoppeld aan het werk van de componist Arnold Schönberg.

Een retrospectief van Roy Lichtenstein, het eerste overzicht van zijn werk in Europa na zijn dood in september 1997, is te zien van 16 mei tot en met 27 september.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden