WILLEM SANDBERG Verknocht aan het museum dat hij wilde opheffen

Geboren: 24 oktober 1897 in Amersfoort. Hield niet van: vlees, bovenlicht, mengkleuren en hoofdletters. Vond: dat mooi en lelijk niet telden in de kunst....

HIJ had een bloedhekel aan musea. Ze deden hem aan kerkhoven denken, of aan weeshuizen. Doodse bewaarplaatsen van stoffig erfgoed. Toen D.C. Roëll, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, hem in 1938 vroeg zijn adjunct te worden, schrok hij zich wild. En hij zei ja. Want al vond Willem Sandberg een museum 'een noodbehelp', hij hield van moderne kunst en wilde die liefde delen met mensen die dachten dat kunst niets voor hen was.

Sandberg veranderde de betekenis van het woord museum. In de 25 jaar dat hij aan het Stedelijk verbonden was - van 1938 tot aan zijn pensioen in 1963, vanaf '45 als directeur - vervolmaakte hij zijn droom. Het museum moest weer een 'huis der muzen' worden, waar alle kunstvormen, dus ook fotografie, grafiek, film en muziek, konden bloeien. Een huis waar de geur van koffie hangt, waar paartjes zoenen en kinderen kleien, waar je hardop mag praten en een reproductie kunt kopen. En vooral: waar niemand je vertelt wat kunst is. Kortom, wat wij aan het eind van de twintigste eeuw gewoon een museum noemen.

Maar hij kreeg na de oorlog golven van loeiende verontwaardiging over zich heen. Een 'kleuterschool' en een 'warenhuis' had hij van het museum gemaakt, schreef wat toen nog de 'rechtse pers' heette. Hij had het erfgoed 'vernietigd' en 'moderne smeerkanussen' binnengehaald. En dat allemaal van 'onze belastingcenten'. Sandberg bleef er onbewogen onder. Onverstoorbaarheid was zijn meest kenmerkende karaktertrek. Kritiek hoort bij vernieuwing, meende hij. Hij kreeg een tegenstribbelend gemeentebestuur aan zijn kant, en het publiek stroomde toe. Onder zijn leiding groeide het aantal bezoekers van het Stedelijk van 60 duizend naar 300 duizend per jaar. Sandberg werd in de internationale museumwereld een lichtend voorbeeld.

Toen hij op veertigjarige leeftijd aantrad, had hij geen glanzende carrière achter de rug. Eerst wilde hij kunstschilder worden, een ongebruikelijke ambitie in zijn familie. Hij werd in 1897 als Willem Jacob Henri Berend Sandberg geboren in Amersfoort, een jonkheer in een stijf calvinistisch geslacht van bestuurders. Na het gymnasium vertrok hij naar Amsterdam, naar de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Een jaar later trouwde hij zijn vroegere lerares wiskunde, na twee jaar kregen ze een dochter. Op de academie hield hij het zes maanden uit. Hij leerde er alleen 'dat je kunst niet kunt leren'. Hij ontmoette Herman Gorter, die hem aanstak met de vurige hoop op een rechtvaardiger wereld. Dat ideaal bleef hij trouw, hoe groot de desillusie ook was bij de wandaden van Stalin. Sandberg, nog net geboren in de negentiende eeuw, had een vast vertrouwen in de maakbaarheid van de wereld.

Jarenlang zwierf hij door Europa. Rome, Parijs, hij schilderde er wat, maar met weinig overtuiging. Het idee dat hij nooit Mondriaan zou kunnen evenaren, ontnam hem de moed. In Wenen volgde hij colleges beeldstatistiek bij Otto Neurath, en psychologie bij Adler. In Zwitserland sloot hij zich aan bij de mystieke Mazdaznan-beweging, maar de verheerlijking van de leider stond hem al snel tegen.

Begin jaren dertig, terug in Amsterdam, inmiddels gescheiden en hertrouwd, vestigde hij zich als typograaf. Hij kreeg weinig opdrachten. Hij werd actief bestuurslid voor allerlei kunstenaarsvereningingen. Als commissaris voor de wereldtentoonstelling in Parijs in 1937 viel hij op door zijn gedurfde aanpak. Hij ontdekte het werk van H.N. Werkman. Sandberg achtte particulier kunstbezit verwerpelijk - kunst hoorde 'de gemeenschap' toe -, maar in zijn flat hing één kunstwerk: een 'druksel' van Werkman.

Zijn eerste ferme daad in 1938 was het opfrissen van het gebouw aan de Paulus Potterstraat. Over de poepkleurige wanden en lila lambrizeringen ging de witkwast. De maagdelijke pagina's van het museum zou Sandberg beschrijven met zijn verhaal van de moderne kunst. Op zijn eerste tentoonstelling liet hij de abstracten zien: Klee, Léger, Kandinsky, Van Doesburg, en Mondriaan - onbekenden voor het toenmalige publiek.

De oorlog brak uit; Sandberg ging in het verzet. Hij maakte duizenden valse persoonsbewijzen, die door Duitse specialisten voor echt werden gehouden. 'Dat is de grootste lof die ik voor typografisch werk heb gekregen', schreef hij in een van zijn Experimenta typografica, boekjes die hij maakte tijdens zijn onderduikperiode in 1943-1944. Sandberg was vogelvrij omdat hij was betrokken bij de overval op het Bevolkingsregister in 1943. De verzetsgroep werd verraden: dertien mannen gingen tegen de muur. Op de dag dat hij hoorde dat zij vrienden dood waren, werd zijn donkerblonde kuif op slag wit.

Maar zijn wil was ongebroken. Niet omzien maar vooruitkijken, niet twijfelen maar doen, dat was Sandberg. Hij ging er prat op dat hij nooit las over kunst. Kunsthistorici wantrouwde hij, want 'die zien niks'. Hij vertrouwde zijn ogen, zijn neus voor de tijdgeest en zijn instinct voor grote persoonlijkheden. De hele wereld reisde hij af op zoek naar kunst die toonde wat de oorlog had aangericht. Dat viel tegen. Tot zijn verbijstering kropen de meesten weer gewoon achter hun ezels om landschapjes en molentjes te produceren.

Karel Appel was de man op wie hij had zitten wachten, iemand die met een uitbarsting van kleur meldde dat nu alles anders werd. In 1946 was zijn werk in het Stedelijk te zien. Drie jaar later richtten de Cobra-schilders er zelf een expositie in. Publiek en pers waren heftig verdeeld over de schokkende experimentelen. En zo zou het blijven. Om alles wat Sandberg aanpakte, ontstond deining. Om zijn politieke voorkeur, om zijn geestdrift voor de avant-garde en om zijn internationale gerichtheid.

Kunst die ertoe deed was voor Sandberg altijd vernieuwend; alle groten uit het verleden behoorden tot de avant-garde. Dat de goegemeente geschokt werd, was onvermijdelijk. In 1959 publiceerde hij zijn credo in vier talen, Nu, midden in de XXe eeuw. Kunstenaars heb je in twee soorten, betoogde Sandberg: de eerste groep bouwt voort op het werk van voorgangers, de tweede groep 'tracht te beelden, wat nog niet is'. In die tweede groep zitten de 'grote kunstenaars', en hen wilde hij tonen in zijn 'oord van nu, waar de toekomst thuis is'.

Sandberg was veeleer een organisator van exposities dan een collectievormer. In zeventien jaar bracht hij driehonderd tentoonstellingen. Vrijwel alle catalogi en posters ontwierp hij zelf. Hij schiep een 'huisstijl': sober, helder en warm. Hij hield van 'onaf'; het bekendst werden zijn scheurletters, elke keer anders van vorm. Zijn museum was zijn grootste kunstwerk; hij werkte snel en intuïtief, met één vogelblik stelde hij vast of het goed hing.

Toch verrijkte hij het Stedelijk met belangrijke werken. Toen het nog kon, kocht hij enkele Mondriaans aan. Hij verwierf met veel tact de bijzondere Malevitsj-collectie, hij verzamelde grafiek van Chagall, hij kreeg twee Pollocks cadeau. Bij zijn afscheid in 1962 gaven kunstenaars, onder wie Zadkine, Moore en Tajiri, hem honderd werken. Hij schonk ze meteen door aan het museum.

Kort voor zijn vertrek manifesteerde hij zich als een ware action director. In twee geruchtmakende tentoonstellingen liet hij kunst zien die knarste en piepte, veerde en vibreerde. In Bewogen Beweging (1961) toonde hij de 'anarchistische machines' van Tingeley. Een jaar later, met Dylaby, was het kermis in het Stedelijk. Met schroot en kapot speelgoed bouwden kunstenaars een 'dynamisch labyrinth'. Het publiek mocht er pret maken: met een windbuks zakjes verf stukschieten op de beelden van Niki de Saint-Phalle. Eindelijk was Sandbergs museum een kunstwerkplaats in volle actie. Het had zichzelf opgeheven.

Sandberg was een mens met tegenstrijdige eigenschappen. Een tenger ventje dat een kolossaal gezag afdwong. Een charmante gastheer, onverzettelijk als hij besloten had wie erin kwam. Een workaholic, die de indruk maakte alle tijd te hebben. Een directeur die vond dat alle personeelsleden gelijk waren, maar dat er maar één de baas kon zijn.

In 1984 stierf hij, 86 jaar oud. Hij was getuige geweest van een revolutie in de kunst die, meende hij, niet onderdeed voor de Renaissance. Die revolutie was voorbij, jonge kunstenaars keken naar zijn smaak weer te veel achterom. En: 'Gelukkig had ik geen museum meer toen de conceptuele kunst opgang maakte.' Zelfs bij een geboren vernieuwer kent de liefde grenzen.

Aleid Truijens

Dit is de 39ste aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum). Onder het kopje Gepasseerd staan de namen van tijdgenoten die de tophonderd niet hebben bereikt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden