Willem de Kooning

Jarenlang leefde de Hollandse emigrant Willem de Kooning in armoede in New York, maar de dood van Jackson Pollock in 1956 maakte voor hem de weg vrij. Hij werd de King of Canvas, en zijn schilderijen brengen nu miljoenen op. Ter viering van zijn honderdste geboortejaar is in de Rotterdamse Kunsthal een fraaie overzichtstentoonstelling van zestig schilderijen en tekeningen.

De Kooning. Schilderijen en tekeningen. Kunsthal Rotterdam. T/m 3 juli.

Het klonk zo eenvoudig ï het advies dat Willem de Kooning zijn studenten in 1948 gaf. De schilder was destijds uitgenodigd voor een zomercursus aan de befaamde Black Mountain College in het ruwe landschap van North Carolina, Amerika. Volgens een van de studenten begon De Kooning het college met het minutieus opstellen van een klassiek stilleven, waar hij twee uur mee bezig was. Hij vertelde ze de schalen, glazen en bloemen zo precies mogelijk af te beelden, zoals hij dat zelf had geleerd aan de academie in Rotterdam. Daarna moesten ze de voorstelling al tekenend om zeep helpen, om er vervolgens aan door te werken 'until it comes back on its own'.

Een relatief eenvoudige opdracht, achteraf dan wel, want De Kooning zou er zelf dertig jaar over doen om zijn destructietheorie tot uitvoering te brengen. Jaren had hij geëxperimenteerd, eerst in klassiek ogende portretten van zichzelf en zijn vrienden. Schilderijen die een geoefende tekenhand verraadden waarvoor hij destijds op de Rotterdamse avondschool een medaille had ontvangen. Later in een serie hardcore zwart-witschilderijen, die naadloos pasten bij de mode van abstracte kunst uit de jaren veertig. Totdat hij in 1950 zijn oude, geliefde thema weer eens oppakte: vrouwen. Binnen de Amerikaanse kunstwereld zou hij ermee uitgroeien tot de King of Canvas.

Bill de Kooning (spreek uit 'koening'), de van oorsprong Nederlandse schilder, in 1904 geboren aan de Zaagmolenstraat in Rotterdam. Als jongetje van twaalf werd hij leerling decorateur en volgde tekenlessen aan de avondacademie. Op zijn tweeëntwintigste stak hij als verstekeling aan boord van het Engelse vrachtschip SS Shelle y de Atlantische Oceaan over, om in New York zijn geluk te zoeken, als huisschilder ('Ik had helemaal niet verwacht dat er hier kunstenaars waren'). Een hooglijk romantische droom die maar ten dele uit kwam: hij werd uiteindelijk kunstschilder.

Ter viering van zijn honderdste geboortejaar is in de Rotterdamse Kunsthal momenteel een fraaie overzichtstentoonstelling van zestig schilderijen en tekeningen te zien ï hoewel een jaar te laat en ondanks dat de Kunsthal van de serie vrouwenportretten maar een paar middelmatige exemplaren heeft weten te bemachtigen. Met name aan de eerste uit die reeks, Wo m a n I had hij zijn doorbraak te danken. De Kooning, toch al nooit snel in het nemen van beslissingen en een notoire uitslaper, had er twee jaar aan geschilderd. En hij zou er nog zeker een jaar aan vast hebben geplakt als de Amerikaanse kunsthistoricus Meyer Shapiro hem er, begin 1952, niet op had gewezen dat het misschien al voltooid was. Zelfs toen kon De Kooning maar moeilijk aan het idee wennen: hij werkte er nog drie maanden aan door.

Het schilderij sloeg destijds in als een bom. De Kooning had de vrouw, volgens zijn destructieve richtlijnen, behoorlijk toegetakeld. Alsof hij de voorstelling met een slagersmes had geschilderd. Het resultaat was een kenau gewapend met een gebit vol scherpe tanden en felle ogen, met borsten als ijsbergen en vuurrode dijen waarop je een spijker krom kon slaan. Verhalen deden al snel de ronde dat De Kooning het doek had geschilderd tijdens een crisis met zijn vrouw Elaine. En dat het een afrekening was. Wat volgens haar niet klopte. Ze liet zich zelfs voor het schilderij fotograferen, om de schijn van verwantschap tussen haar en de vervaarlijk afgebeelde vrouw ongedaan te maken.

Ook de New Yorkse kunstwereld wist zich geen raad met zoveel vermeende vrouwenhaat. Dat kwam niet alleen door het agressieve karakter van het portret. De weerstand lag aan het simpele feit dat De Kooning, tijdens de hoogtijdagen van de abstracte kunst, was teruggekeerd naar de figuratie. Het doek werd als verraad gezien. Wat De Kooning had gedaan was niet minder dan een a-historische daad. Gericht tegen de voortgang van de kunstgeschiedenis, zoals die met veel bravoure was uitgestippeld door zijn meest uitgesproken woordvoerder, criticus Clement Greenberg.

Nu hield de oud-communist Greenberg er strikte ideeën op na hoe de moderne kunst zich over een periode van honderd jaar had ontwikkeld, van het impressionisme, via Cézanne, Picasso en Mondriaan, naar het Amerikaanse Expressionisme. Want daar moest alles uiteindelijk samenkomen. In het bijzonder bij Greenbergs favoriet, Jackson Pollock. Dat Pollock, op het moment dat De Kooning met zijn Gevreesde Vrouw verscheen, weer aan de drank was geraakt en niet meer tot serieus schilderen kwam zal Greenberg hebben gestoken. Bovendien was De Kooning geen echte Amerikaan (hij zou pas in 1962 een Amerikaans paspoort krijgen). Hoe kon een geboren Nederlander het modernisme, dat sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog in Amerikaanse handen was geraakt, waardig uitdragen?

Dat De Kooning met zijn Big City Dames t o ch succesvol werd, viel dan ook samen met de langzame aftakeling en dood van Jackson Pollock. Pollock, alias Jack the Dripper, stierf in 1956 zoals een 'drinkende cowboy' betaamde: na weer eens een middagje excessief drankgebruik vloog hij met zijn wagen uit de bocht. Pollock brak zijn nek, medepassagier Edith Metzinger stierf in de auto. Alleen Pollocks minnares Ruth Kligman overleefde de crash. De dood van Pollock maakte de weg vrij voor De Kooning om de hegemonie binnen de New Yorkse beau monde over te nemen. Ter bevestiging van zijn nieuwe status eigende hij zich voor enkele jaren zelfs Kligman als nieuwe vriendin toe.

Werden de jaren vijftig in De Koonings werk gedomineerd door het succes van zijn vrouwenportretten, in de jaren zestig begon hij aan zijn opus magnus van pastorale landschappen. Aanvankelijk schilderde hij ze in zijn atelier op Broadway, later in zijn nieuwe onderkomen op Long Island, vlakbij de zee die hem deed denken aan de Hollandse kustlijn. De hoekige stijl van zijn vrouwenportretten veranderde in een meer smeuïge. Verfslierten werden met brede armgebaren op het doek gedeponeerd. In kleuren waarmee hij het 'Noord-Atlantische licht' probeerde te verbeelden.

Wie in de Kunsthal het gefilmde interview met De Kooning ziet, zal opvallen dat er in zijn atelier tal van onvoltooide schilderijen tegen muur staan, waarbij de moed je in de schoenen zakt. Hoe was het mogelijk om uit die brei van verf en kleuren iets behoorlijks te destilleren? Dat vermoeden moet De Kooning zelf ook hebben gehad. Urenlang kon hij vanuit zijn schommelstoel turen naar de schilderijen in wording, om er tenslotte een klein verfstreekje aan toe voegen, een kleur te veranderen of het doek gewoon een paar slagen om te draaien. Alles om zijn aanvankelijke scepsis -'dat wordt niets' -zijn voordeel om te zetten.

Zijn moeizame werkproces was symbolisch voor de erkenning die relatief laat kwam. Jarenlang leefde hij in armoede, nauwelijks in staat om de huur van dertien dollar per maand voor zijn onverwarmde appartement te betalen. Na ruim twintig jaar schilderen had hij nog maar een schilderij verkocht, waardoor je al snel denkt aan Van Gogh en Mondriaan -de twee andere Nederlandse schilders die eveneens naar het buitenland verhuisden, daar hun beste werk maakten, maar vergelijkbare problemen kenden om hun producten te slijten.

Maar na de dood van Pollock leek alles samen te komen. Niet alleen dankzij Elaine en haar uitgebreide netwerk aan contacten, die ze grotendeels tussen de lakens had leren kennen, zoals Harold Rosenberg, de kunstcriticus die De Kooning zijn hele leven zou steunen, en Thomas Hess, hoofdredacteur van het toonaangevende kunstblad ArtNe ws. Ook het imago van De Kooning als rasschilder kreeg erkenning. Hoewel hij binnen het Abstract Expressionisme, waartoe hij wordt gerekend, een buitenbeentje bleef. Zijn Amerikaanse vakbroeders, zoals Pollock, Newman en Rothko, waren hun aanpak programmatischer en monomaner. Beperkter in hun techniek en directer gericht op het eindresultaat dat hen voor ogen stond.

De Kooning was eerder een schilder die vanuit een impressionistische warboel van indrukken en verftoetsen uiteindelijk een helder beeld wist te maken. Een echte action painter dus. En bovendien een begenadigd drinker en womanizer. Die haast bovenmenselijke hoeveelheid testosteron en viriliteit leverde hem, binnen pikorde van de Amerikaanse kunst, een ereplaats op. En de waardering van de kunsthandelaars. Eind jaren zestig gingen zijn schilderijen al voor 75 duizend dollar over de toonbank. Een record destijds. En waarschijnlijk ook een reden waarom hij in Nederland zo weinig werd gekocht ï een andere reden was dat de Nederlandse museumwereld nauwelijks in Amerika was geïnteresseerd, en zijn handen vol had aan zijn eigen wilde schilders, zoals Karel Appel.

Ondanks zijn successen bleef de tragiek hem niet bespaard: toen De Kooning eenmaal was doorgebroken, leek zijn tijd alweer voorbij. De overwinning van De Kooning op Pollock viel

samen met de opkomst van twee nieuwe generaties Amerikaanse kunstenaars. Eind jaren vijftig richtten de New Yorkse galeries en musea hun aandacht op de schilders van de Color Field Painting, zoals Noland, Kelly en Stella, en de hippe Pop Art-schilders Warhol, Rosenquist en Lichtenstein.

Overigens diende zich de verandering al in 1953 aan, toen de jonge Robert Rauschenberg zich bij De Kooning meldde met het verzoek een van zijn tekeningen te mogen uitgummen. De Kooning was verrast, maar voelde zich ook vereerd. Om het Rauschenberg niet te makkelijk te maken, zocht hij de meest hardnekkige tekening uit, waar Rauschenberg inderdaad twee maanden mee bezig zou zijn. Door de uitgegumde tekening, tegen de uitdrukkelijke wens van De Kooning, toch tentoon te stellen, leek het lot van de Nederlander te zijn bezegeld: Rauschenberg had een vadermoord gepleegd. Voor De Kooning voelde het aan als een publieke machtsovername.

Maar het grootste drama tekende zich af rond 1977: door zijn chronische drankgebruik begon hij langzaam maar zeker geestelijk weg te teren. Eerst het korte termijngeheugen, daarna het lange, vervolgens zijn artistieke schilderdrift en tenslotte zijn kleurgebruik. Elaine en enkele assistenten probeerden te redden wat er te redden was. Om de productie op gang te houden knepen ze de tubes voor de getroebleerde schilder uit, waardoor ze verantwoordelijk werden voor zijn palet. Als De Kooning niet meer bij machte was zelf te schilderen, hielpen ze hem bij het inkleuren van de houtkooltekening die de basis vormde voor de schilderijen.

Toen de situatie onhoudbaar leek, werd De Kooning ontoerekeningsvatbaar verklaard. Het was een groezelige periode waarbij Elaine, om haar eigen financiën te waarborgen, nog geprobeerd heeft een aantal litho's van De Kooning bij te laten drukken, zonder toestemming. De Kooning stierf uiteindelijk in 1997, nadat hij acht jaar zijn slaapkamer niet meer was uitgekomen. Een roemloos einde van een schilder die slachtoffer werd van zijn eigen destructieprincipes. Een selfmade man, zoals hij zich noemde, waarvan het werk nu voor enkele miljoenen dollars wordt verkocht ï ook de fletse schilderijen waar hij mogelijk alleen naar heeft gekeken. Vanuit zijn schommelstoel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden