Willem-Alexander te paard

Nog steeds worden bij elk woningbouwproject kunstenaars ingeschakeld om de onpersoonlijke nieuwbouwwijken te voorzien van 'een eigen identiteit'. En nog steeds zien veel mensen het liefst een bronzen beeld op een plein....

CORNELIUS ROGGE weet het nog goed: het was zijn tweede opdracht, een vrije opdracht. Dertig duizend gulden kreeg hij begin jaren zestig voor de twee, op elkaar gestapelde stenen. In die tijd was Rogge bezig met 'ingesnoerde materie', en uit de stenen had hij smalle banden gehouwen zodat het leek alsof de stenen aan elkaar waren vastgebonden. De gemeente Amsterdam was er gecharmeerd van en plaatste het bij de Sloterplas. 'Niets aanstootgevends aan', was het oordeel. Maar daar dachten de omwonenden anders over.

Een gepensioneerde dokter nam het initiatief, hij kocht beitels en hamers en deelde die uit in de buurt.

Inmiddels kan de 67-jarige Amsterdamse kunstenaar er wel om lachen. 'Die dokter werd er blijkbaar erg agressief van. Hij ontketende een complete volksopstand.'

In de achtertuin van zijn boerderij annex atelier in Zutphen herinneren de brokstukken aan het incident. Ruim dertig jaar en vele openbare kunstopdrachten later zijn de stukken nog steeds het tastbare bewijs van zijn theorie: dat de zestiende-eeuwse beeldenstorm niet is uitgewoed in Nederland.

Zodra de bescherming van de museummuren wegvalt, is de kunst 'vogelvrij, overgeleverd aan mensen die er geen verstand van hebben'. Maar helemaal onbegrijpelijk is zo'n woedeuitbarsting ook weer niet. 'Veel mensen denken toch: daar heb je weer zo'n kunstwerk van honderdduizend gulden waar je niets aan hebt', zegt kunstenaar Sjoerd Buisman. 'Als er dan toch geld wordt uitgegeven, hebben ze liever een tuintje of een fatsoenlijke speelplein voor hun kinderen. En geef ze eens ongelijk.'

Nee, wie volgens de kunstenaars echt geen verstand heeft van kunst, is de gemiddelde gemeenteambtenaar die verantwoordelijk is voor de openbare opdrachten. 'Hoe vaak komt het niet voor dat je een opdracht krijgt en dan op het laatst te horen krijgt dat het niet meer hoeft? zegt de 60-jarige beeldhouwer Jan van Munster, die al veertig jaar in het vak zit. Nonchalance en desinteresse van opdrachtgevers is de gewoonste zaak.

Van Munster zit sinds een paar maanden met een halfafgemaakt beeld. Voor het materiaal reisde hij helemaal naar India af. Alleen daar kwam dat ene soort zwart graniet voor, dat hij per se nodig had. Kosten noch moeite gespaard, maar alles voor niets. September vorig jaar kreeg hij onverwachts te horen dat het project niet doorging.

Hij was niet de enige die was uitgenodigd een beeld te maken voor de Expo 2000 in Hannover. Nog 21 kunstenaars onder wie Marinus Boezem, Sjoerd Buisman, Sigurdur Gudmundsson, Tom Klaassen, Frank Mandersloot, Roos Teeuws en Cornelius Rogge, waren ruim twee jaar geleden benaderd voor een bijdrage aan de tuin van het Nederlandse paviljoen daar. 'Contracten werden opgesteld en door alle partijen ondertekend', zegt Marinus Boezem. 'Allemaal heel keurig en officieel.'

Totdat de opdrachtgever, de Stichting Nederland Wereldtentoonstellingen, er achterkwam 'dat de beelden bij nader inzien toch niet pasten bij het concept van het paviljoen'.

Het liefst slepen de kunstenaars de opdrachtgever meteen voor de rechter. Maar hun advocaat wil de zaak liever schikken en eist een fikse schadevergoeding: 135 duizend gulden per kunstenaar. Als de Stichting hier niet op ingaat, komt er alsnog een rechtzaak.

In Nederland kan er geen belastingkantoor of politiebureau opengaan zonder dat er een bronzen figuur wordt onthuld. Met andere woorden: de overheid is gul. En kan dat zijn, dankzij de zogenoemde percentageregelingen.

Was 'ruimte' in de jaren vijftig nog synoniem voor openheid, transparantie en dus veiligheid, vanaf de jaren zestig wordt 'ruimte' ervaren als leegte: ongezellig en onveilig. Door de percentageregelingen werd elke gemeente verplicht een deel van haar budget aan kunst te besteden.

Kunst in de openbaarheid is een beetje een verplicht nummer geworden. Dat beaamt ook Ton van Gestel van de Stichting Kunst Openbare Ruimte (SKOR). Om die reden heeft dit voormalige Praktijkbureau Beeldende Kunstopdrachten zich per 1 januari van dit jaar losgemaakt van de Mondriaan Stichting. Van Gestel: 'De kunst zou het uitgangspunt moeten zijn. Maar bij de overheid gaat het andersom: er is geld, en daar moet dan een invulling voor komen. Een inhoudelijke motivatie is er nauwelijks, en de persoonlijke betrokkenheid van de ambtenaren is vaak gering.'

Van Gestel werkte mee aan het boekje Beeldende kunst in de openbare ruimte, een handreiking voor gemeenten. Daarin wordt de hele procedure doorgenomen, van het uitkiezen van de kunstenaar, de financiering en de contracten tot en met de onthulling van het kunstwerk en de publiciteit. Handige tips: 'Bij een beeldende opdracht is het van belang om de juiste kunstenaar bij de juiste opdracht te kiezen.' En: 'Laat het publiek meebeslissen.'

In de Drentse regio Ooststellingwerf organiseerde SKOR vorig jaar een kunstmanifestatie. Acht binnen- en buitenlandse kunstenaars maakten een (tijdelijk of permanent) werk, geïnspireerd op de taal en de cultuur van het gebied. Een van de tijdelijke werken was de mobiele bioscoop van Job Koelewijn: een gesloten, rechthoekige ruimte met stoeltjes en aan één kant een raam zonder glas van de grootte van een bioscoopdoek. Door de kadrering krijgt een heel gewoon Hollands landschap ineens een fictief, filmisch karakter; een toevallige voorbijganger die tegen de wind in fietst lijkt een acteur.

Ook dat is kunst in de openbare ruimte. Tijdelijke of eenmalige kunstprojecten winnen aan populariteit. Natuurlijk omdat ze niet zo wind-, regen-, en vandaalbestendig hoeven te zijn, maar ook omdat het publiek er actief aan kan deelnemen. Desondanks wordt het meeste geld nog steeds uitgegeven aan het traditionele 'bronzen beeld bij het stadhuis'.

Nog steeds, constateert Camiel van Winkel in zijn boek Moderne Leegte - Over kunst in de openbaarheid, worden kunstenaars ingeschakeld om de onpersoonlijke nieuwbouwwijken te voorzien van 'een eigen identiteit', 'authentieke plekken' of 'een oriëntatiepunt'. De termen stammen nog uit de jaren zeventig. Uit de tijd dat de eenvormige naoorlogse prefabwoonwijken werden verfraaid en volop nieuwe woonwijken werden bijgebouwd. Toen heette het 'omgevingskunst', nu is het image-building voor de Vinexlocatie.

Toch trekken de meeste kunstenaars van toen nu een vies gezicht bij het woord 'omgevingskunst'. Bah, toegepast, zeggen ze dan: kunst heeft helemaal geen maatschappelijk doel meer; bevordering van de leefbaarheid in een woonwijk is bijzaak. Ook kunst in de openbare ruimte is autonoom, vinden ze.

'Eigenlijk willen de meeste mensen het liefst een Willem-Alexander te paard of een bronzen premier Kok', zegt Rogge. Maar het probleem is dat de gemiddelde kunstenaar niets voor dat soort beelden voelt: veel te traditioneel. 'Goede kunst zet mensen even op het verkeerde been', zegt Jan van Munster. 'Kunst moet associaties oproepen, en mensen even op een andere gedachte brengen.'

Toch reageren de meeste kunstenaars voornamelijk om financiële redenen op de advertenties in het BK-blaadje. Een opdracht brengt al gauw een smak geld in het laatje - van een paar duizend gulden tot tonnen - waardoor de kunstenaar zich in alle rust kan richten op het echte werk. Van Munster: 'In het atelier ontwikkel je je als vrij kunstenaar. Daar kun je experimenteren, daar zet je nieuwe stappen.' Buisman: 'Exposeren is het belangrijkste. Het werk in de openbare ruimte is een afgeleide van de ideeën en gedachten die je in het atelier ontwikkelt.'

Maar ook als een kunstwerk er eenmaal staat, kan er van alles misgaan. Afgezien van de normale risico's van roest, graffiti, pis en overlast van junkies zijn talrijke rampscenario's mogelijk. Het Monument voor A. Winkler Prins van André Volten in het parkje van het Frederik Hendrikplein in Amsterdam moest worden aangepast omdat kinderen dachten dat deze toren met opgestapelde geldstukken een klimrek was. Toen bleek dat kinderen er steeds vanaf vielen, werd de ruimte tussen de schijven dichtgemetseld. En dat is dan nog een subtiele oplossing.

Kunstenaars zijn erger gewend. Het komt voor dat een gemeente een kunstwerk zonder enige overleg met de maker 'total loss' wordt verklaard, oftewel: wordt verwijderd. Ook kan een beeld zomaar worden verplaatst. Sinds de herinrichting vorig jaar van het Thorbeckeplein in Alphen aan den Rijn is er geen plek meer voor het beeld van Marinus Boezem. De gemeente weet nog niet wat zij aan moet met de twee kolossale arcaden met erop een leeuw en een tijger. Voorlopig liggen ze opgeslagen in de loods waarvan de gemeente de naam niet wil noemen, uit angst voor roof of vernieling.

Het kan nog gekker. Op een doodgewone avond in 1985 waren de omwonenden van het Leeuwarderplein in Almere zich rotgeschrokken. Op het plein, dat vier meter onder zeeniveau ligt en daarmee het laagste punt is van de stad, had Jan van Munster een 55-meter hoge cortenstalen mast gebouwd; de hoogste toren van Almere. Op die bewuste avond zwiepte het werk, 'de naald' in de volksmond, zo ontzettend heen en weer, dat men bang was dat het beeld zou omvallen. De politie en brandweer rukten uit, en de wijkbewoners werden geëvacueerd.

'De volgende dag bleek dat er op veertig meter hoogte een flinke storm had gewoed', zegt Van Munster lachend. Nu staat het beeld bij het station. 'Het is jammer dat het nu niet meer op het laagste punt staat. Want dat was het concept: de hoogste toren op het laagste punt. Maar ja, ik ben allang blij dat het werk destijds in overleg is verplaatst.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden