'Wij zijn niet tegen religie of wat dan ook'

De ouders van Daniele Ciprì hadden in Palermo een fotowinkel en maakten kiekjes op bruiloften en partijen. Daniele liep als jongetje met zijn ouders mee, mocht ook wel eens de camera vasthouden en ging zelf 8-mm filmpjes maken....

Van onze verslaggever Peter van Bueren

De twee praatten over hun beider liefde en dat gesprek is nog steeds gaande, resulterend in hun nieuwste film: Totò che visse due volte.

Franco Maresco: 'We bleken dezelfde ideeën te hebben, deelden een hartstocht voor oude zwart-witfilms uit Hollywood, John Ford, Orson Welles, Buñuel, Pasolini. Het enige meningsverschil betrof Steven Spielberg. Over diens eerste opwindende film, Duel, zijn we het eens, maar ik vind de rest infantiel, terwijl Daniele vanuit zijn optiek grote waardering heeft voor Spielbergs technische vermogen.'

Aanvankelijk maakten ze korte, experimentele films en boften dat in die tijd (tien jaar geleden) de lokale televisie vrij baan gaf aan iedereen die wat dan ook wilde vertonen. Tussen porno en troep vielen de filmpjes van Ciprì en Maresco op, niet door hun vulgariteit maar door hun vorm. Hun als zwarte humor ontvangen experimentele sketches, die ze uitzonden onder de titel TV Cinico ('Cynische tv'), trokken de aandacht van de toen nog niet verburgerlijkte RAI 3, en van daaruit van directeuren van kleine filmfestivals.

Maresco: 'Producent Galliano Juso, gespecialiseerd in vuilnisbakfilms, gaf ons vier jaar geleden de kans op een eerste lange speelfilm. Dat werd Lo zio di Brooklyn, een bizarre mafia-film. De directeur van Venetië, Gillo Pontecorvo, wilde hem wel vertonen, maar durfde hem toch niet op te nemen in het hoofdprogramma, de lafaard. Juso verkocht de film door aan Aurelio De Laurentiis, de commercieel ingestelde producent en distributeur. Daar liep het stuk, want die man dacht alleen dat het om hilarische humor ging. Onze artistieke inzichten verschilden, zoals dat heet.'

Sindsdien houden ze de productie in eigen hand. Totò che visse due volte, hun tweede lange film, ging vorig jaar in première op het festival van Berlijn. Een recensie in de bisschoppenkrant Avvenire zorgde voor opschudding. De film werd walgelijk en godslasterlijk genoemd en verboden door de censuur. Wonderlijk genoeg leidde de daarop volgende discussie over censuur juist tot het afschaffen ervan.

Maresco: 'Die man van Avvenire bleek de film helemaal niet gezien te hebben. Maar het is een misverstand dat wij tegen de kerk, de religie of tegen wat dan ook zijn. Wij zijn ook niet communistisch of proletarisch, dat zijn anachronistische termen. De religie is veel gecompliceerder dan wat het Vaticaan zegt. De katholieke kerk kan zich helemaal niet de zegsman noemen van religieuze waarden. De kerk verdedigt waarden uit een vorige eeuw en spreekt alleen uit de mond van een bepaalde, met rechtse politieke partijen verbonden, vleugel. Een andere vleugel heeft de film verwelkomd om wat hij is: van een tragische, wanhopige religiositeit.

'Onze films geven een beeld van onze visie op de mensheid aan het einde van deze eeuw. De personages hebben alle waardigheid verloren, ze zijn helemaal niet om te lachen, het zijn mannen zonder enig uitzicht. Vrouwen zie je niet, die worden in film alleen maar geromantiseerd en in onze optiek zijn zij net als kinderen het symbool van een leven dat in onze films ontbreekt, dus komen ze er niet in voor.'

Los van de inhoudelijke betekenis vallen de films van Ciprì en Maresco op door hun radicale vormgeving. Een troosteloos landschap van kaalheid en ruïnes is het decor voor wegwerpwezens, mannen die zelfs de goot niet halen.

Maresco: 'Hoewel we in Totò wel meer structuur hebben proberen aan te brengen, is het uitgangspunt toch de improvisatie. Geen helder scenario, de meeste acteurs zijn niet professioneel, die halen we van de straat. Door de keuze van de acteurs kan de richting van de film tijdens het maken veranderen. Het is zoiets als een jazzimprovisatie rond een solospeler.

'Een van onze korte films heet La providenza. Die is gesitueerd in een kleine kamer in een achterbuurt, er zitten een paar arme mensen aan tafel. Opeens valt er een kip uit het plafond op de grond. Om een of andere reden kloppen er steeds mensen aan de deur, die misschien wel op de geur van de kip afkomen. Steeds meer mensen komen binnen tot het uiteindelijk helemaal vol is in die kamer. De laatste die binnenkomt is een dief, die er met de kip vandoor gaat. Dat lijkt toch erg op die scène van de Marx Brothers in A Night at the Opera, die zich afspeelt in de hut van een schip, waar ook steeds meer mensen binnenkomen, tot het zoveel is dat hij ontploft.'

De Italiaanse film heeft volgens Maresco al jaren geen enkele impuls meer. Sergio Leone was de held van zijn jeugd, van de geëngageerde films van Francesco Rosi vindt hij alleen Salvatore Giuliano verteerbaar, al het andere mist enige moraal of sociologisch relevante context. Eén man heeft hij herondekt, die hij ooit als bombastisch en burgerlijk beschouwde: 'Fellini! Ik kom er steeds meer achter dat hij de grootste was.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden