interviewT.C. Boyle

‘Wij zijn dieren die geen dieren willen zijn’

In zijn nieuwe roman Praat met mij verplaatst de Amerikaanse schrijver T.C. Boyle zich in het perspectief van een verwende chimpansee die gebarentaal leert. Die lijkt meer op ons dan we willen erkennen.

T.C. Boyle: ‘Misschien zouden wij en de wereld veel beter af zijn met het soort taal dat chimpansees hebben.’ Beeld HH / Redux
T.C. Boyle: ‘Misschien zouden wij en de wereld veel beter af zijn met het soort taal dat chimpansees hebben.’Beeld HH / Redux

‘Als ik terugkijk op de thema’s die mij als schrijver in de loop der jaren hebben beziggehouden, moet ik concluderen dat ik eigenlijk altijd schrijf over de mens als een diersoort die probeert te ontkennen dat hij een diersoort is. Dat manifesteert zich in de manier waarop we een god hebben uitgevonden om het onverklaarbare te verklaren, maar ook in de manier waarop we andere diersoorten behandelen, en de natuur in het algemeen. Mijn obsessie is biologie. Ik ben graag in mijn eentje buiten, diep in de natuur – of wat daar nog van over is.’

T.C. Boyle is een productieve schrijver. Onlangs verscheen zijn 29ste boek in Nederlandse vertaling: Praat met mij. Het origineel, Talk to Me, verschijnt in september in de VS. De roman is geïnspireerd op de zogeheten cross-fosteringexperimenten die in de jaren zeventig en tachtig plaatsvonden in de Verenigde Staten. Daarbij werden chimpanseebaby’s opgevoed alsof het mensenbaby’s waren, om zo inzicht te krijgen in de verschillen tussen mens en dier.

Ik begrijp dat uw roman is geïnspireerd op het geval van de chimpansee Nim, waarmee diverse taalexperimenten werden uitgevoerd en die daarom wel Nim Chimpsky werd genoemd – een knipoog naar de taalwetenschapper Noam Chomsky.

‘Ik was zeer onder de indruk van het hartverscheurende verhaal in het boek Nim Chimpsky, geschreven door Elizabeth Hess. En van Next of Kin door Roger Fouts, en de boeken over primaten van Frans de Waal. Die stimuleerden mij om dit onderwerp in fictievorm te onderzoeken. Eigenlijk ontdek ik pas wat ik van bepaalde zaken vind, als ik me er als romanschrijver mee bezig ga houden.

‘De grote vraag die de onderzoekers van Nim en andere chimpansees zich stelden was: is het mogelijk de barrières tussen mens en dier te slechten? Zouden we met dieren kunnen communiceren zoals met andere mensen? Zouden we door deze dieren te bestuderen iets kunnen leren over de essentie van het mens-zijn? Over de zin van het bestaan? Dat zijn vragen die de mensheid zich al stelt sinds haar ontstaan.’

U heeft eerder over dit onderwerp geschreven.

‘Ik hoorde voor het eerst over experimenten met mensapen, toen ik de Iowa Writers’ Workshop volgde. Ik schreef toen een komisch verhaal over de driehoeksverhouding tussen een vrouwelijke onderzoeker, haar partner en de charismatische chimpansee die deel uitmaakt van haar onderzoek. Dat werd The Descent of Man, het titelverhaal van mijn debuutbundel.

‘In Praat met mij keer ik terug naar het onderwerp, maar dit boek is eerder drama dan komedie. Communiceren met dieren is een aantrekkelijk maar naïef idee, een geschikt thema voor kinderboeken als Doctor Dolittle. Een typische mensendroom. De ironie is immers dat chimpansees al hun eigen taal hebben, met zowel gebaren als geluiden, die hun in de loop van de evolutie prima van dienst is geweest. Meer hebben ze niet nodig. En wat doen wij? We verwoesten hun habitat en sluiten ze op. Terwijl het hier om gevoelige en intelligente wezens gaat.’

In de roman staat dat een chimpansee emotioneel en intellectueel net zo ontwikkeld is als een kind van 3,5 of 4 jaar.

‘Precies. En een kind wil ook niet worden opgesloten. Dat opsluiten is op een gegeven moment onvermijdelijk, omdat je cross-fosteringexperimenten alleen kunt uitvoeren met heel jonge chimpansees. Zodra ze ouder worden, worden ze veel te sterk en daardoor onhandelbaar. Het zijn en blijven wilde dieren, maar het vermogen om in de natuur te leven, is ze ontnomen. De honden en katten die wij als huisdieren houden, zijn duizenden generaties lang gefokt om ze te ontdoen van ongewenste genen, ze zijn volledig gedomesticeerd. Maar chimpansees worden pas sinds twee of drie generaties gefokt.’

De chimpansee in Praat met mij heet Sam. Hij woont samen met onderzoeker Guy Schermerhorn op een ranch in het zuiden van Californië. Sam krijgt pizza en hamburgers te eten, drinkt Cola en 7Up, kijkt televisie, ‘leest’ de kinderboeken van Dr. Seuss en draagt een luier. Guy leert hem communiceren via een reeks gebaren, die dikwijls te maken hebben met eten en drinken, maar ook begroetingen kunnen uitdrukken, of bijvoorbeeld ‘geef me een knuffel’.

Op een gegeven moment raakt de jonge student Aimee Villard bij het project betrokken. Zij bouwt in korte tijd een innige band op met de chimpansee en komt al snel inwonen bij Guy en Sam. De onderlinge verhoudingen en problemen rond de financiering van het programma leiden vervolgens tot een reeks heftige verwikkelingen.

De hoofdstukken in het boek zijn afwisselend geschreven vanuit het standpunt van de onderzoekers – vooral Guy en Aimee – en het perspectief van Sam. Dat laatste moet een uitdaging zijn geweest.

‘Ja, daarin zat voor mij de uitdaging én het grote schrijfplezier: schrijven vanuit het standpunt van een verwende chimpansee die gebarentaal leert. Taal en communicatie zijn zaken die mij buitengewoon fascineren. In de hoofdstukken die zijn geschreven vanuit Sams perspectief, is eigenlijk de verteller aan het woord. Maar ik geloof dat ik wel degelijk een reële weergave van Sams gevoelens en gedachtenprocessen heb kunnen geven.’

Als Sam na allerlei gebeurtenissen in een kooi belandt en andere apen ziet, beschouwt hij hen als ‘kevers’.

‘Dat is geïnspireerd op Nim Chimpsky, het boek dat ik eerder noemde. Net als Sam werd Nim al jong weggehaald bij zijn moeder en kwam hij terecht in een onderzoeksprogramma. Hij kende zijn eigen soort niet, had nooit andere apen gezien. Nim wist, net als Sam, niet beter dan dat hij ook een mens was. Toen hij op een gegeven moment tóch met andere apen in contact kwam, associeerde hij hen met de zwarte insecten die hij regelmatig vond en dooddrukte: kevers.

‘Zoals ik al zei zijn chimpansees – die wel 50 kunnen worden – alleen geschikt voor cross-fosteringexperimenten als ze jong zijn. Daarna wordt een dier dat gewend is in een bed te slapen en aan tafel te eten in een kooi gestopt, en is het in de praktijk alleen nog bruikbaar voor medische experimenten. Die ervaring is uiteraard ongelooflijk traumatiserend. Dat probeer ik invoelbaar te maken als ik vanuit Sams perspectief schrijf.’

In Praat met mij gaat het over de cartesiaanse visie op dieren: het zijn slechts biologische machines, voortgedreven door instinct en niet in staat tot denken of plannen maken voor de toekomst. In uw roman gebeuren dingen die in een andere richting wijzen.

‘Ik hink op twee gedachten. Wij claimen dat de mens een vrije wil heeft en ik denk dat dat in zoverre waar is dat we ons eigen leven kunnen beëindigen. Het is een vraag die in het boek ter sprake komt: kan een mensaap zó depressief raken dat hij zelfmoord pleegt? Als mensapen bij hun ouders en uit hun omgeving worden weggehaald, weten we dat ze dezelfde soort depressies kunnen krijgen als wij.

‘Ik denk dat het cartesiaanse idee van dieren als een soort machines, gestuurd door hun endocriene systemen, voor een groot deel ook voor mensen geldt. We proberen het te ontkennen, maar als ik naar mijn eigen leven kijk, dan was alles wat ik heb gedaan, alles wat volgens mij zo nieuw en interessant leek, in feite voorgeprogrammeerd.

‘Ik was in de jaren zestig en zeventig een losgeslagen hippie die zich tegen de maatschappij verzette. Waar ging dat allemaal om? Simpel: aantrekkelijk zijn voor een partner. En die vond ik. Waarom wilde ik die partner? Om een huis en kinderen te kunnen krijgen. Daar was ik me toen totaal niet van bewust. Ik dacht dat wij hippies de seks hadden uitgevonden. Maar uiteindelijk heb ik moeten concluderen dat alles, onze gevoelens en handelingen, is voorgeprogrammeerd. Wij zijn gewoon dieren en worden beperkt door onze dierlijke lichamen.’

Tegelijk speelt het typisch menselijke fenomeen identiteit in uw boek een belangrijke rol.

‘Het gaat daarbij vooral om identiteit via taal. Hoe weten we wie we zijn? Omdat we tegen onszelf praten. We hebben taal gekregen en kunnen daarom namen geven aan de dingen in de natuur. Hoe zit dat bij andere diersoorten? Hebben zij namen nodig? Is het een zuiverder vorm van bestaan om een hond, aap of eekhoorn te zijn? Is het beter om een minder gedefinieerde identiteit te hebben, zoals dieren en heel jonge kinderen, dan wat wij hebben? Dat zijn vragen die mij bezighouden. Denk aan Wordsworths idee dat het onschuldige kind superieur is aan de volwassene.’

T.C. Boyle: ‘Je hoort vaak de term ‘dystopische literatuur’ vallen. Maar hoe verdwaasd en van de feiten losgezongen moet je zijn om een utopische roman te kunnen schrijven?’ Beeld HH / Redux
T.C. Boyle: ‘Je hoort vaak de term ‘dystopische literatuur’ vallen. Maar hoe verdwaasd en van de feiten losgezongen moet je zijn om een utopische roman te kunnen schrijven?’Beeld HH / Redux

‘The Child is father of the Man’, schreef hij.

‘Precies. Wij mensen passen als diersoort allang niet meer goed bij de andere diersoorten. Integendeel, we zijn bezig zowel de andere diersoorten als onszelf te gronde te richten. Het kan best zo zijn dat de hersenkracht die ons in staat heeft gesteld de dubieuze wereld te scheppen waarin we nu leven, uiteindelijk onze zwakte zal blijken. Tyrone Tierwater, de ecoterrorist uit A Friend of the Earth, stelt dat je een vijand van de mens moet zijn om een vriend van de aarde te kunnen zijn. Misschien zouden wij en de wereld veel beter af zijn met het soort taal dat chimpansees hebben.’

U komt er sinds jaar en dag rond voor uit dat u een pessimist bent.

‘In 2030 hebben we het equivalent van 1,6 aardes nodig om iedereen te kunnen voeden en van energie te voorzien, het aantal vliegende insecten neemt wereldwijd dramatisch af, als gevolg van de opwarming van de aarde zal het leefgebied van honderden miljoenen mensen verdwijnen. Niet alleen Nederland, maar ook New York, Bangladesh, overal. Waar moeten die mensen heen? Je hoort vaak de term ‘dystopische literatuur’ vallen. Maar hoe verdwaasd en van de feiten losgezongen moet je zijn om een utopische roman te kunnen schrijven?’

Op Halloween kijken Aimee en Sam naar de oude film Frankenstein, met Boris Karloff. Sam reageert nogal heftig op het monster dat Doctor Frankenstein ‘naar zijn eigen gelijkenis’ heeft geschapen. Een knipoog naar wat de onderzoekers uit het boek met Sam proberen te doen?

‘Ja, het is interessant hoe dit soort elementen kennelijk intuïtief in mijn boeken belanden. Zoiets ontdek ik dan achteraf. Ik vind dat een van de fascinerende aspecten aan het schrijfproces. Schrijven is voor mij 10 procent controle en 90 procent emoties verwerken waarvan je de herkomst niet echt kunt traceren. Ik heb altijd muziek opstaan als ik schrijf, want die beat heb ik nodig om in de juiste schrijftrance te komen.’

Ook muziek van Nederlandse bands, begrijp ik uit Praat met mij.

‘Haha, ja. Radar Love van Golden Earring is een van Aimees favoriete road songs en ik deel haar mening. Er moet muziek in het proza zitten. Ik ben niet het type schrijver dat van tevoren weet welke kant een boek op zal gaan. Er zijn auteurs die met schema’s werken. Kazuo Ishiguro, die ik zeer bewonder, denkt eerst een vol jaar na over een boek en weet als hij begint te schrijven tot in detail wat er gaat gebeuren.

‘Voor mij is het avontuurlijke van schrijven mede dat ik vandaag niet weet wat er morgen gaat gebeuren. Ik schrijf juist romans vanwege dat improviserende karakter. Romanschrijven is als koorddansen zonder veiligheidsnet: het project kan crashen. Maar als dat niet gebeurt en alles aan het eind blijkt te kloppen, dan is je geluk compleet. Schrijven is voor mij vergelijkbaar met een heroïneverslaving. Na de extatische kick van een geslaagde roman wil ik meer en begin ik aan mijn volgende boek.’

Uw pessimisme heeft dus geen invloed op uw productiviteit.

‘We moeten allemaal iets vinden om onze uren te vullen, ons productief te voelen, tevreden te zijn over onszelf. Maar zoals ik als student al van de existentialisten leerde: of je nu een levensreddend vaccin ontwikkelt of baby’s vermoordt, uiteindelijk maakt het niet uit. Uiteindelijk doet niets ertoe.’

Mogen we de essentie van uw werk zo samenvatten?

‘Lang geleden, toen ik nog in Los Angeles woonde, had ik een goede vriend op bezoek, die ik al van jongs af aan kende en met wie ik in onze hippietijd veel heb gedronken, geslikt, gefilosofeerd en avonturen beleefd. Iemand die me door en door kent, kortom. Toen er een Franse journalist langskwam voor een interview, vroeg mijn vriend of hij daarbij mocht zitten. Ik had destijds ongeveer tien boeken geschreven en we hadden het over racisme, dat in een aantal van die boeken een belangrijke rol speelde. Ook ging het over de mens als diersoort en de zoektocht naar een vaderfiguur. Mijn vriend maakte tijdens dat gesprek slechts één opmerking: ‘Tom, jij hebt maar twee thema’s: shit and death. Dat werd dus de alles samenvattende kop boven het interview: ‘La merde et la mort’.

Wie is T.C. Boyle?

Thomas Coraghessan Boyle werd op 2 december 1948 geboren in Peekskill, New York (vernoemd naar de Nederlander Jan Peeck, die de nederzetting in de 17de eeuw stichtte) en heeft Iers en (een beetje) Nederlands bloed in de aderen. Hij studeerde Engels en geschiedenis aan de State University of New York en creative writing aan de University of Iowa, waar hij les kreeg van onder meer John Cheever en John Irving.

In 1979 debuteerde hij met de verhalenbundel Descent of Man. Met zijn derde roman World’s End (1987), over Nederlandse immigranten in de VS, brak hij door bij een breder publiek. In zijn romans en verhalenbundels betoont Boyle zich een zeer veelzijdig auteur. Hij liet zich onder meer inspireren door gezondheidsfreak John Harvey Kellogg (The Road to Welville, 1993), het lot van de Mexicaanse immigranten (The Tortilla Curtain, 1995), de verwoesting van het milieu (A Friend of the Earth, 2000), de hippiecultuur (Drop City, 2004), seksonderzoeker Alfred Kinsey (The Inner Circle, 2004), identiteitsdiefstal (Talk Talk, 2006), architect Frank Lloyd Wright (The Women, 2009) en de typisch Amerikaanse ontkenning van elke vorm van overheidsgezag (The Harder They Come, 2015).

Boyle doceerde 37 jaar creative writing aan de University of Southern California. Hij woont in Santa Barbara, in het eerste huis dat zijn held Frank Lloyd Wright (in 1909) liet bouwen in de staat Californië.

null Beeld Meridiaan
Beeld Meridiaan

T.C. Boyle: Praat met mij. Uit het Engels vertaald door Kees Mollema. Meridiaan; 352 pagina’s; € 24,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden