‘Wij slapen allen met de dood’

Tegen beter weten in volhardt de Portugese romancier José Saramago (86) in zijn overtuiging dat literatuur de wereld kan veranderen....

Nagenoeg alle romans van José Saramago beginnen met een ongerijmdheid. In De stad der blinden wordt een complete stadsbevolking op slag blind, in De stad der zienden besluiten de kiezers van een heel land voortaan massaal blanco te gaan stemmen en in zijn jongste roman, Het verzuim van de dood, gooit de dood het bijltje erbij neer. Zijn het gedachtenexperimenten, zijn het zelfgekozen uitdagingen voor de schrijver?

‘Ongerijmdheden?’, zegt de tanige, oude schrijver lachend, ‘zelfs onwaarschijnlijkheden, ongelooflijke, ja, onmogelijke gebeurtenissen. Het is alsof ik een contract met de lezer sluit: als hij nu voor de duur van het boek deze absurditeiten aanvaardt, dan beloof ik hem een verhaal dat in alle opzichten tegelijkertijd logisch en speels is. Maar ik doe het ook voor mijzelf. Als we nu dit of dat vooronderstellen, kunnen we dan nagaan wat daarvan de gevolgen zijn, waar wij zouden kunnen uitkomen? Er zit iets van wiskunde in, een schaakprobleem.’

Zo’n opstelling stelt niet alleen de beschreven mensen, de personages en hun samenlevingen op de proef, maar ook hun regeringen, de mensen die verantwoordelijkheid dragen. Gaat het in feite om politieke bespiegelingen in de gedaante van de roman?‘We ontdekken vreemde zaken, als we de regels van de werkelijkheid een beetje veranderen. De tijd waarin een schrijver door wat hij schrijft invloed kon uitoefenen op de samenleving waartoe hij behoort, is voorbij. Er zijn vanzelfsprekend nog altijd lezers die me komen vertellen dat sommige van mijn boeken erg belangrijk voor hen zijn geweest. Maar dat is geen invloed uitoefenen in de zin die ik bedoel. Voor lezers en schrijvers domineert nu het kleine spel, het spel tussen uitgevers, redacteuren, literatuurcritici en de schrijver en zijn lezers. ‘Het is misschien vanuit een zekere naïeve onschuld dat ik van de literatuur een indringender en onrustbarender rol verwacht, dat ik hecht aan een literatuur die iets kan bewerkstelligen. Zie het als een licht lichaam van woorden en ideeën, dat zich verzet tegen het zware van de werkelijkheid. Als je schrijft, wil je dat schrijvers deelnemen aan het debat, een debat waarvan zij zelf de agenda helpen bepalen. Zij brengen te berde welke serieuze problemen, welke vragen aan de orde zijn. Maar de hedendaagse schrijver stuit op een muur van onverschilligheid, op een oorverdovende stilte. Misschien is dat normaal en is het een tikje pretentieus de wereld te willen veranderen met een roman of een gedicht. Toch word ik er soms wanhopig van – en ik niet alleen: schrijvers willen present zijn.’Is het werkelijk zo erg? Amos Oz en David Grossman schrijven brieven aan hun regering, brieven die veel ophef maken en die serieus genomen worden. Orhan Pamuk gaat in zijn eentje de strijd aan met de regering van Turkije. Günter Grass stelde in zijn laatste roman het slachtofferschap van de Duitsers aan de orde en ontketende er een maatschappelijk debat mee. ‘Dat is waar, maar hebben zij iets veranderd? Israël is als land in zeker opzicht uniek; er heerst een wonderlijke eenheid, een groepssentiment, alsof het één grote familie is. Maar vergelijk dat eens met de Verenigde Staten, waar schrijvers de grootste moeilijkheden krijgen wanneer zij boodschappen over het voetlicht proberen te krijgen die niet helemaal politiek correct zijn. Zodra zij buiten de hoofdstroom van opvattingen treden, hebben zij moeite hun artikelen gepubliceerd te krijgen. En zelfs als hun dat lukt, rest hun doorgaans slechts onverschilligheid.’Is het ideaal voor de literatuur dan nog altijd dat van de 19de eeuw, met schrijvers die rechtstreeks in de politiek intervenieerden, zoals Lamartine, Hugo of Zola? ‘In de jaren vijftig en zestig van de 20ste eeuw waren er in Frankrijk schrijvers en filosofen die iets in beweging kregen. Tegenwoordig bestaat het culturele leven in Frankrijk uit projecties van obsessies op een buitenwereld waarin zij het verloren hebben. Europa is vermoeid, er zijn geen grote geestelijke bewegingen meer die het bewustzijn kunnen bijlichten en werkelijke discussies kunnen ontketenen. De toon van het gesprek is in mineur, en bijna en sourdine, fluisterend.’ In De stad der zienden en ook in Het verzuim van de dood brengt u de regeringen van de naties die u beschrijft in grote verlegenheid. Zij missen iedere legitimiteit, soms letterlijk, doordat zij geen mandaat hebben, soms overdrachtelijk, doordat zij geen moreel standpunt meer hebben. Zij bestaan in feite uit administrateurs, zonder politiek bewustzijn en zonder ideologie. Zijn zij er niet even beroerd aan toe als de schrijvers? ‘Dat is beslist juist – en het komt doordat zij de enige vraag mijden die er werkelijk toe doet, namelijk die naar de macht. Lange tijd werd de macht gedragen door een president, een parlement, een regering, en dus was die macht zichtbaar en controleerbaar. Maar die tijd is voorbij. Ook voor regeringen is het duidelijk dat de macht inmiddels elders ligt. “Het ware leven is elders”, zei Rimbaud, ik zeg: “de ware macht is elders”. Die ligt vandaag de dag bij de grote internationale ondernemingen, bij de wereldwijd opererende banken, die geen van alle ook maar enige democratische verplichting kennen. Zij regeren de wereld, ook in politiek opzicht – want de macht huist bij de economie en de financiën. Het bizarre is dat wij burgers, wij lezers, slechts kunnen ingrijpen door de ene regering te vervangen door een andere. De democratie is een louter politieke democratie en die beperkt zich tot de stembus. De coalities die daarna komen, kunnen hooguit verzachten wat door toedoen van de internationale economie over ons wordt uitgestort. Regeringen zijn zetstukken in het spelletje van de economische machthebbers.’ In uw boeken hebben degenen die verantwoordelijkheid dragen iets tragisch. Als er iets ongebruikelijks passeert, weten zij niet meer wat zij doen moeten. Zij lijken op mensen die dag in dag de post doen, die zonder plan of idee wachten op de dingen die komen gaan en op zijn best daarop kunnen reageren.‘Wij leven onder een alledaags, bestuurlijk pragmatisme. Dat beperkt zich tot de orde van de dag, morgen is er weer een andere dag. En regeerders zijn slechts in de weer met het verzinnen van verklaringen voor hun eigen optreden, met het geven van toelichtingen op hun eigen optreden. Daarom leven wij hoofdzakelijk tussen leugens en voldongen feiten. Het ware burgerschap, het burgerschap dat begon tijdens de Franse Revolutie en dat bloeide in de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste, het verantwoordelijke en zelfbewuste burgerschap, is voorbij.’ In De stad der zienden zegt de bevolking haar vertrouwen in de democratie op. Zij besluit niet meer te gaan stemmen door slechts blanco stemmen uit te brengen. Daarmee onttrekt zij de legitimiteit aan de regering, ieder mandaat vervalt. ‘Onthouding van stemmen is een legale manier van politiek bedrijven, maar de politiek heeft die buiten de orde geplaatst. Zelfs als 30 tot 50 procent van een bevolking niet gaat stemmen, geldt de verkiezingsuitslag toch. In mijn boek gaan de mensen wel degelijk de deur uit, naar het stemlokaal, alleen vullen ze niks in op het stembriefje. Daarmee zeggen zij: ik ga niet akkoord. De hele waaier van mogelijkheden die u mij op het stembiljet aanbiedt, van extreem rechts tot extreem links, past mij niet. Zo komen wij er niet uit, we moeten het anders aanpakken. Wij zijn de carrousel moe, wij zijn de retoriek en de woorden beu, want het gaat slechts om telkens andere configuraties van hetzelfde. Ik geef toe dat ik zelf ook niet weet hoe het wel moet, maar probeer iets anders, doe een ander voorstel, voor ons leven, voor onze onderlinge betrekkingen, voor wat rechtvaardigheid is. ‘Op het moment dat ik het boek schreef, dacht ik na over hoe je je stelselmatige onvrede het best zou kunnen uitdrukken. Gewoonlijk bedraagt het aantal blanco stemmen bij verkiezingen 2, hooguit 3 procent. Op de dag dat 15 of 20 procent van de bevolking blanco zou stemmen, zouden regeringen veel fundamenteler moeten gaan nadenken over het functioneren en de ware aard van de democratie. Dat zou “de witte revolutie” zijn.’ In uw boeken bent u geestig, spottend, ironisch. In werkelijkheid lijkt u een stuk somberder. ‘Ik ben ironisch met een ernstige ondertoon. Ironie kan echter in persoonlijke betrekkingen ook een gebrek aan respect zijn. In mijn laatste boek, Het verzuim van de dood, doet voor het eerst de humor zijn intrede, humor in plaats van ironie. Dat heeft alles te maken met de aanwezigheid van de dood, de humor is een antistof tegen de angst voor de dood. De dood is overzichtelijk en toch beangstigend: voor de dood is men er, na de dood niet meer. De plotselinge staking van de dood, in mijn boek, werpt licht op de groteske kanten van de menselijke samenleving. De staking van de dood is een catastrofe, een calamiteit. Die maakt de liefde grotesk en ook de menselijke handelingen. ‘De staking van de dood brengt dat aan het licht, want wat zouden wij van ons leven moeten maken wanneer de dood zou verdwijnen? Dat zou een schok zijn die we nooit te boven zouden komen. De reacties erop zijn daarom ridicuul – en dan komt de humor aan de beurt. In het boek praat ik daarom eigenlijk ook nauwelijks over de dood zelf, alleen over de reacties van de mensen. De dood is een detail.’ En zelfs een vrouw, in uw boek, een vrouw van ergens in de dertig. ‘In alle Romaanse culturen, in de hele Latijnse wereld is de dood vrouwelijk. Bij jullie, in de landen van de Germaanse talen en cultuur, is de dood een man. Dat is het verschil tussen ons, al is het een verschil waar je goed over moet nadenken. Voor mij moest de dood vrouwelijk zijn, dat zij een jonge vrouw moest zijn, stond niet van tevoren vast. Ik had echter nog wat plannen met haar. Een van mijn personages moest met haar slapen, slapen met de dood, zoals wij allemaal doen.’ U bent 84 jaar oud: is het schrijven van dat boek een bezwering geweest, een bezwering van de angst? ‘O, nee, nee, integendeel. Ik neem de dood niet erg serieus.’‘We ontdekken vreemde zaken, als we de regels van de werkelijkheid een beetje veranderen. De tijd waarin een schrijver door wat hij schrijft invloed kon uitoefenen op de samenleving waartoe hij behoort, is voorbij. Er zijn vanzelfsprekend nog altijd lezers die me komen vertellen dat sommige van mijn boeken erg belangrijk voor hen zijn geweest. Maar dat is geen invloed uitoefenen in de zin die ik bedoel. Voor lezers en schrijvers domineert nu het kleine spel, het spel tussen uitgevers, redacteuren, literatuurcritici en de schrijver en zijn lezers.

‘Het is misschien vanuit een zekere naïeve onschuld dat ik van de literatuur een indringender en onrustbarender rol verwacht, dat ik hecht aan een literatuur die iets kan bewerkstelligen. Zie het als een licht lichaam van woorden en ideeën, dat zich verzet tegen het zware van de werkelijkheid. Als je schrijft, wil je dat schrijvers deelnemen aan het debat, een debat waarvan zij zelf de agenda helpen bepalen. Zij brengen te berde welke serieuze problemen, welke vragen aan de orde zijn. Maar de hedendaagse schrijver stuit op een muur van onverschilligheid, op een oorverdovende stilte. Misschien is dat normaal en is het een tikje pretentieus de wereld te willen veranderen met een roman of een gedicht. Toch word ik er soms wanhopig van – en ik niet alleen: schrijvers willen present zijn.’

Is het werkelijk zo erg? Amos Oz en David Grossman schrijven brieven aan hun regering, brieven die veel ophef maken en die serieus genomen worden. Orhan Pamuk gaat in zijn eentje de strijd aan met de regering van Turkije. Günter Grass stelde in zijn laatste roman het slachtofferschap van de Duitsers aan de orde en ontketende er een maatschappelijk debat mee. ‘Dat is waar, maar hebben zij iets veranderd? Israël is als land in zeker opzicht uniek; er heerst een wonderlijke eenheid, een groepssentiment, alsof het één grote familie is. Maar vergelijk dat eens met de Verenigde Staten, waar schrijvers de grootste moeilijkheden krijgen wanneer zij boodschappen over het voetlicht proberen te krijgen die niet helemaal politiek correct zijn. Zodra zij buiten de hoofdstroom van opvattingen treden, hebben zij moeite hun artikelen gepubliceerd te krijgen. En zelfs als hun dat lukt, rest hun doorgaans slechts onverschilligheid.’

Is het ideaal voor de literatuur dan nog altijd dat van de 19de eeuw, met schrijvers die rechtstreeks in de politiek intervenieerden, zoals Lamartine, Hugo of Zola? ‘In de jaren vijftig en zestig van de 20ste eeuw waren er in Frankrijk schrijvers en filosofen die iets in beweging kregen. Tegenwoordig bestaat het culturele leven in Frankrijk uit projecties van obsessies op een buitenwereld waarin zij het verloren hebben. Europa is vermoeid, er zijn geen grote geestelijke bewegingen meer die het bewustzijn kunnen bijlichten en werkelijke discussies kunnen ontketenen. De toon van het gesprek is in mineur, en bijna en sourdine, fluisterend.’ In De stad der zienden en ook in Het verzuim van de dood brengt u de regeringen van de naties die u beschrijft in grote verlegenheid. Zij missen iedere legitimiteit, soms letterlijk, doordat zij geen mandaat hebben, soms overdrachtelijk, doordat zij geen moreel standpunt meer hebben. Zij bestaan in feite uit administrateurs, zonder politiek bewustzijn en zonder ideologie. Zijn zij er niet even beroerd aan toe als de schrijvers? ‘Dat is beslist juist – en het komt doordat zij de enige vraag mijden die er werkelijk toe doet, namelijk die naar de macht. Lange tijd werd de macht gedragen door een president, een parlement, een regering, en dus was die macht zichtbaar en controleerbaar. Maar die tijd is voorbij. Ook voor regeringen is het duidelijk dat de macht inmiddels elders ligt. “Het ware leven is elders”, zei Rimbaud, ik zeg: “de ware macht is elders”. Die ligt vandaag de dag bij de grote internationale ondernemingen, bij de wereldwijd opererende banken, die geen van alle ook maar enige democratische verplichting kennen. Zij regeren de wereld, ook in politiek opzicht – want de macht huist bij de economie en de financiën. Het bizarre is dat wij burgers, wij lezers, slechts kunnen ingrijpen door de ene regering te vervangen door een andere. De democratie is een louter politieke democratie en die beperkt zich tot de stembus. De coalities die daarna komen, kunnen hooguit verzachten wat door toedoen van de internationale economie over ons wordt uitgestort. Regeringen zijn zetstukken in het spelletje van de economische machthebbers.’ In uw boeken hebben degenen die verantwoordelijkheid dragen iets tragisch. Als er iets ongebruikelijks passeert, weten zij niet meer wat zij doen moeten. Zij lijken op mensen die dag in dag de post doen, die zonder plan of idee wachten op de dingen die komen gaan en op zijn best daarop kunnen reageren.‘Wij leven onder een alledaags, bestuurlijk pragmatisme. Dat beperkt zich tot de orde van de dag, morgen is er weer een andere dag. En regeerders zijn slechts in de weer met het verzinnen van verklaringen voor hun eigen optreden, met het geven van toelichtingen op hun eigen optreden. Daarom leven wij hoofdzakelijk tussen leugens en voldongen feiten. Het ware burgerschap, het burgerschap dat begon tijdens de Franse Revolutie en dat bloeide in de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste, het verantwoordelijke en zelfbewuste burgerschap, is voorbij.’ In De stad der zienden zegt de bevolking haar vertrouwen in de democratie op. Zij besluit niet meer te gaan stemmen door slechts blanco stemmen uit te brengen. Daarmee onttrekt zij de legitimiteit aan de regering, ieder mandaat vervalt. ‘Onthouding van stemmen is een legale manier van politiek bedrijven, maar de politiek heeft die buiten de orde geplaatst. Zelfs als 30 tot 50 procent van een bevolking niet gaat stemmen, geldt de verkiezingsuitslag toch. In mijn boek gaan de mensen wel degelijk de deur uit, naar het stemlokaal, alleen vullen ze niks in op het stembriefje. Daarmee zeggen zij: ik ga niet akkoord. De hele waaier van mogelijkheden die u mij op het stembiljet aanbiedt, van extreem rechts tot extreem links, past mij niet. Zo komen wij er niet uit, we moeten het anders aanpakken. Wij zijn de carrousel moe, wij zijn de retoriek en de woorden beu, want het gaat slechts om telkens andere configuraties van hetzelfde. Ik geef toe dat ik zelf ook niet weet hoe het wel moet, maar probeer iets anders, doe een ander voorstel, voor ons leven, voor onze onderlinge betrekkingen, voor wat rechtvaardigheid is. ‘Op het moment dat ik het boek schreef, dacht ik na over hoe je je stelselmatige onvrede het best zou kunnen uitdrukken. Gewoonlijk bedraagt het aantal blanco stemmen bij verkiezingen 2, hooguit 3 procent. Op de dag dat 15 of 20 procent van de bevolking blanco zou stemmen, zouden regeringen veel fundamenteler moeten gaan nadenken over het functioneren en de ware aard van de democratie. Dat zou “de witte revolutie” zijn.’ In uw boeken bent u geestig, spottend, ironisch. In werkelijkheid lijkt u een stuk somberder. ‘Ik ben ironisch met een ernstige ondertoon. Ironie kan echter in persoonlijke betrekkingen ook een gebrek aan respect zijn. In mijn laatste boek, Het verzuim van de dood, doet voor het eerst de humor zijn intrede, humor in plaats van ironie. Dat heeft alles te maken met de aanwezigheid van de dood, de humor is een antistof tegen de angst voor de dood. De dood is overzichtelijk en toch beangstigend: voor de dood is men er, na de dood niet meer. De plotselinge staking van de dood, in mijn boek, werpt licht op de groteske kanten van de menselijke samenleving. De staking van de dood is een catastrofe, een calamiteit. Die maakt de liefde grotesk en ook de menselijke handelingen. ‘De staking van de dood brengt dat aan het licht, want wat zouden wij van ons leven moeten maken wanneer de dood zou verdwijnen? Dat zou een schok zijn die we nooit te boven zouden komen. De reacties erop zijn daarom ridicuul – en dan komt de humor aan de beurt. In het boek praat ik daarom eigenlijk ook nauwelijks over de dood zelf, alleen over de reacties van de mensen. De dood is een detail.’ En zelfs een vrouw, in uw boek, een vrouw van ergens in de dertig. ‘In alle Romaanse culturen, in de hele Latijnse wereld is de dood vrouwelijk. Bij jullie, in de landen van de Germaanse talen en cultuur, is de dood een man. Dat is het verschil tussen ons, al is het een verschil waar je goed over moet nadenken. Voor mij moest de dood vrouwelijk zijn, dat zij een jonge vrouw moest zijn, stond niet van tevoren vast. Ik had echter nog wat plannen met haar. Een van mijn personages moest met haar slapen, slapen met de dood, zoals wij allemaal doen.’ U bent 84 jaar oud: is het schrijven van dat boek een bezwering geweest, een bezwering van de angst? ‘O, nee, nee, integendeel. Ik neem de dood niet erg serieus.’‘In de jaren vijftig en zestig van de 20ste eeuw waren er in Frankrijk schrijvers en filosofen die iets in beweging kregen. Tegenwoordig bestaat het culturele leven in Frankrijk uit projecties van obsessies op een buitenwereld waarin zij het verloren hebben. Europa is vermoeid, er zijn geen grote geestelijke bewegingen meer die het bewustzijn kunnen bijlichten en werkelijke discussies kunnen ontketenen. De toon van het gesprek is in mineur, en bijna en sourdine, fluisterend.’

In De stad der zienden en ook in Het verzuim van de dood brengt u de regeringen van de naties die u beschrijft in grote verlegenheid. Zij missen iedere legitimiteit, soms letterlijk, doordat zij geen mandaat hebben, soms overdrachtelijk, doordat zij geen moreel standpunt meer hebben. Zij bestaan in feite uit administrateurs, zonder politiek bewustzijn en zonder ideologie. Zijn zij er niet even beroerd aan toe als de schrijvers? ‘Dat is beslist juist – en het komt doordat zij de enige vraag mijden die er werkelijk toe doet, namelijk die naar de macht. Lange tijd werd de macht gedragen door een president, een parlement, een regering, en dus was die macht zichtbaar en controleerbaar. Maar die tijd is voorbij. Ook voor regeringen is het duidelijk dat de macht inmiddels elders ligt. “Het ware leven is elders”, zei Rimbaud, ik zeg: “de ware macht is elders”. Die ligt vandaag de dag bij de grote internationale ondernemingen, bij de wereldwijd opererende banken, die geen van alle ook maar enige democratische verplichting kennen. Zij regeren de wereld, ook in politiek opzicht – want de macht huist bij de economie en de financiën. Het bizarre is dat wij burgers, wij lezers, slechts kunnen ingrijpen door de ene regering te vervangen door een andere. De democratie is een louter politieke democratie en die beperkt zich tot de stembus. De coalities die daarna komen, kunnen hooguit verzachten wat door toedoen van de internationale economie over ons wordt uitgestort. Regeringen zijn zetstukken in het spelletje van de economische machthebbers.’

In uw boeken hebben degenen die verantwoordelijkheid dragen iets tragisch. Als er iets ongebruikelijks passeert, weten zij niet meer wat zij doen moeten. Zij lijken op mensen die dag in dag de post doen, die zonder plan of idee wachten op de dingen die komen gaan en op zijn best daarop kunnen reageren.‘Wij leven onder een alledaags, bestuurlijk pragmatisme. Dat beperkt zich tot de orde van de dag, morgen is er weer een andere dag. En regeerders zijn slechts in de weer met het verzinnen van verklaringen voor hun eigen optreden, met het geven van toelichtingen op hun eigen optreden. Daarom leven wij hoofdzakelijk tussen leugens en voldongen feiten. Het ware burgerschap, het burgerschap dat begon tijdens de Franse Revolutie en dat bloeide in de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste, het verantwoordelijke en zelfbewuste burgerschap, is voorbij.’ In De stad der zienden zegt de bevolking haar vertrouwen in de democratie op. Zij besluit niet meer te gaan stemmen door slechts blanco stemmen uit te brengen. Daarmee onttrekt zij de legitimiteit aan de regering, ieder mandaat vervalt. ‘Onthouding van stemmen is een legale manier van politiek bedrijven, maar de politiek heeft die buiten de orde geplaatst. Zelfs als 30 tot 50 procent van een bevolking niet gaat stemmen, geldt de verkiezingsuitslag toch. In mijn boek gaan de mensen wel degelijk de deur uit, naar het stemlokaal, alleen vullen ze niks in op het stembriefje. Daarmee zeggen zij: ik ga niet akkoord. De hele waaier van mogelijkheden die u mij op het stembiljet aanbiedt, van extreem rechts tot extreem links, past mij niet. Zo komen wij er niet uit, we moeten het anders aanpakken. Wij zijn de carrousel moe, wij zijn de retoriek en de woorden beu, want het gaat slechts om telkens andere configuraties van hetzelfde. Ik geef toe dat ik zelf ook niet weet hoe het wel moet, maar probeer iets anders, doe een ander voorstel, voor ons leven, voor onze onderlinge betrekkingen, voor wat rechtvaardigheid is. ‘Op het moment dat ik het boek schreef, dacht ik na over hoe je je stelselmatige onvrede het best zou kunnen uitdrukken. Gewoonlijk bedraagt het aantal blanco stemmen bij verkiezingen 2, hooguit 3 procent. Op de dag dat 15 of 20 procent van de bevolking blanco zou stemmen, zouden regeringen veel fundamenteler moeten gaan nadenken over het functioneren en de ware aard van de democratie. Dat zou “de witte revolutie” zijn.’ In uw boeken bent u geestig, spottend, ironisch. In werkelijkheid lijkt u een stuk somberder. ‘Ik ben ironisch met een ernstige ondertoon. Ironie kan echter in persoonlijke betrekkingen ook een gebrek aan respect zijn. In mijn laatste boek, Het verzuim van de dood, doet voor het eerst de humor zijn intrede, humor in plaats van ironie. Dat heeft alles te maken met de aanwezigheid van de dood, de humor is een antistof tegen de angst voor de dood. De dood is overzichtelijk en toch beangstigend: voor de dood is men er, na de dood niet meer. De plotselinge staking van de dood, in mijn boek, werpt licht op de groteske kanten van de menselijke samenleving. De staking van de dood is een catastrofe, een calamiteit. Die maakt de liefde grotesk en ook de menselijke handelingen. ‘De staking van de dood brengt dat aan het licht, want wat zouden wij van ons leven moeten maken wanneer de dood zou verdwijnen? Dat zou een schok zijn die we nooit te boven zouden komen. De reacties erop zijn daarom ridicuul – en dan komt de humor aan de beurt. In het boek praat ik daarom eigenlijk ook nauwelijks over de dood zelf, alleen over de reacties van de mensen. De dood is een detail.’ En zelfs een vrouw, in uw boek, een vrouw van ergens in de dertig. ‘In alle Romaanse culturen, in de hele Latijnse wereld is de dood vrouwelijk. Bij jullie, in de landen van de Germaanse talen en cultuur, is de dood een man. Dat is het verschil tussen ons, al is het een verschil waar je goed over moet nadenken. Voor mij moest de dood vrouwelijk zijn, dat zij een jonge vrouw moest zijn, stond niet van tevoren vast. Ik had echter nog wat plannen met haar. Een van mijn personages moest met haar slapen, slapen met de dood, zoals wij allemaal doen.’ U bent 84 jaar oud: is het schrijven van dat boek een bezwering geweest, een bezwering van de angst? ‘O, nee, nee, integendeel. Ik neem de dood niet erg serieus.’‘Wij leven onder een alledaags, bestuurlijk pragmatisme. Dat beperkt zich tot de orde van de dag, morgen is er weer een andere dag. En regeerders zijn slechts in de weer met het verzinnen van verklaringen voor hun eigen optreden, met het geven van toelichtingen op hun eigen optreden. Daarom leven wij hoofdzakelijk tussen leugens en voldongen feiten. Het ware burgerschap, het burgerschap dat begon tijdens de Franse Revolutie en dat bloeide in de 19de eeuw en de eerste helft van de 20ste, het verantwoordelijke en zelfbewuste burgerschap, is voorbij.’

In De stad der zienden zegt de bevolking haar vertrouwen in de democratie op. Zij besluit niet meer te gaan stemmen door slechts blanco stemmen uit te brengen. Daarmee onttrekt zij de legitimiteit aan de regering, ieder mandaat vervalt. ‘Onthouding van stemmen is een legale manier van politiek bedrijven, maar de politiek heeft die buiten de orde geplaatst. Zelfs als 30 tot 50 procent van een bevolking niet gaat stemmen, geldt de verkiezingsuitslag toch. In mijn boek gaan de mensen wel degelijk de deur uit, naar het stemlokaal, alleen vullen ze niks in op het stembriefje. Daarmee zeggen zij: ik ga niet akkoord. De hele waaier van mogelijkheden die u mij op het stembiljet aanbiedt, van extreem rechts tot extreem links, past mij niet. Zo komen wij er niet uit, we moeten het anders aanpakken. Wij zijn de carrousel moe, wij zijn de retoriek en de woorden beu, want het gaat slechts om telkens andere configuraties van hetzelfde. Ik geef toe dat ik zelf ook niet weet hoe het wel moet, maar probeer iets anders, doe een ander voorstel, voor ons leven, voor onze onderlinge betrekkingen, voor wat rechtvaardigheid is.

‘Op het moment dat ik het boek schreef, dacht ik na over hoe je je stelselmatige onvrede het best zou kunnen uitdrukken. Gewoonlijk bedraagt het aantal blanco stemmen bij verkiezingen 2, hooguit 3 procent. Op de dag dat 15 of 20 procent van de bevolking blanco zou stemmen, zouden regeringen veel fundamenteler moeten gaan nadenken over het functioneren en de ware aard van de democratie. Dat zou “de witte revolutie” zijn.’

In uw boeken bent u geestig, spottend, ironisch. In werkelijkheid lijkt u een stuk somberder. ‘Ik ben ironisch met een ernstige ondertoon. Ironie kan echter in persoonlijke betrekkingen ook een gebrek aan respect zijn. In mijn laatste boek, Het verzuim van de dood, doet voor het eerst de humor zijn intrede, humor in plaats van ironie. Dat heeft alles te maken met de aanwezigheid van de dood, de humor is een antistof tegen de angst voor de dood. De dood is overzichtelijk en toch beangstigend: voor de dood is men er, na de dood niet meer. De plotselinge staking van de dood, in mijn boek, werpt licht op de groteske kanten van de menselijke samenleving. De staking van de dood is een catastrofe, een calamiteit. Die maakt de liefde grotesk en ook de menselijke handelingen.

‘De staking van de dood brengt dat aan het licht, want wat zouden wij van ons leven moeten maken wanneer de dood zou verdwijnen? Dat zou een schok zijn die we nooit te boven zouden komen. De reacties erop zijn daarom ridicuul – en dan komt de humor aan de beurt. In het boek praat ik daarom eigenlijk ook nauwelijks over de dood zelf, alleen over de reacties van de mensen. De dood is een detail.’

En zelfs een vrouw, in uw boek, een vrouw van ergens in de dertig. ‘In alle Romaanse culturen, in de hele Latijnse wereld is de dood vrouwelijk. Bij jullie, in de landen van de Germaanse talen en cultuur, is de dood een man. Dat is het verschil tussen ons, al is het een verschil waar je goed over moet nadenken. Voor mij moest de dood vrouwelijk zijn, dat zij een jonge vrouw moest zijn, stond niet van tevoren vast. Ik had echter nog wat plannen met haar. Een van mijn personages moest met haar slapen, slapen met de dood, zoals wij allemaal doen.’

U bent 84 jaar oud: is het schrijven van dat boek een bezwering geweest, een bezwering van de angst? ‘O, nee, nee, integendeel. Ik neem de dood niet erg serieus.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden