'Wij kwamen kotsend van engagement uit de oorlog'

In Etalage, vorige week bij Meulenhoff verschenen (fl. 39,90), schildert emeritus hoogleraar J.J. Oversteegen een persoonlijk portret van zichzelf als lezer....

SOMS ZIJN woorden, hoe oprecht ook, niet tegen het leven opgewassen.

Aan het eind van zijn boek Etalage schrijft J.J. (Jaap) Oversteegen: 'Genoeg. Ik kan er beter een punt achter zetten, achter deze aantekeningen tenminste, want met schrijven zal ik nog wel enige tijd doorgaan.'

En dan, na een korte pauze: 'Met lezen trouwens ook.'

Het zijn de woorden van een lezer die van geen ophouden weet, iemand die zijn leven lang met zijn neus in de boeken heeft gezeten en die de vrije tijd van het emeritaat - Oversteegen is van 1926 - heeft aangegrepen om wat meer licht te werpen op deze hartstocht.

Hij vertelt erover in zijn boek. Daarbij vervlecht hij wat hij van jongsaf aan heeft meegemaakt zo met z'n lectuur dat menige lezer van tijd tot tijd de neiging zal voelen opkomen na te gaan hoe het bij hem (of bij haar) eigenlijk zit met het lezen.

Tegelijkertijd geeft de auteur een persoonlijk, om niet te zeggen huiselijk, beeld van de vaderlandse cultuur, die zo lang een leescultuur is geweest. Uiteraard komt ook de tijd aan bod die we kennen uit Bij nader inzien van J.J. (Han) Voskuil. Jaap Oversteegen en zijn vrouw Suus Hoven kregen daarin de rollen van Paul Dehoes en Rosalie Balmakers - niet altijd vrij van vileine trekjes - toebedeeld.

In die omvangrijke roman van Voskuil wordt door Flap (Jan Voorhoeve) al vroeg (op zondag 18 april 1948) een karakteristiek van Maarten Koning en Paul Dehoes gegeven, die misschien wel heel treffend was: ' ''Maarten is van ons allemaal de meest eenzame'', zei hij. ''Hij heeft wel dezelfde banden als wij hebben, maar ze gaan bij hem nergens in de diepte, vandaar zijn volkomen onverschilligheid tegenover alles wat er gebeurt, terwijl Paul juist gehecht is aan dit leven en zijn hele intellectualiteit inzet ter verdediging van zekere waarden.'' '

Vermoedelijk gaat dat laatste nog steeds op voor degenen die Oversteegen hebben gekend, als docent en hoogleraar letterkunde in Amsterdam, tien jaar lang als directeur van de Stichting voor Vertalingen, bij Poetry International of waar dan ook. Altijd bereid mee te doen, spontaan, een 'flapuit' bijna, maar ook een zeer belezen man, schrijver van de 'klassieke' studie Vorm of Vent en van de biografie van Cola Debrot, een scherpzinnige criticus, die met Kees Fens en H.U. Jessurun d'Oliveira Merlyn oprichtte, dat voor literair veeleisende jongeren toentertijd een verademing was. In plaats van het gewone kritische geneuzel kreeg je in dat blad tenminste 'controleerbare analyses'.

In een gesprek bij hem thuis in Vierhouten, te midden van de eeuwig zingende bossen van de Veluwe, hebben we het over zulke onderwerpen. Even zonnig als altijd is hij de bezoeker tegemoet getreden, maar we weten allebei dat er een schaduw over deze ontmoeting ligt. Jaap is ernstig ziek. Niettemin wil hij, naar aanleiding van zijn boek, graag nog één keer over zijn lectuur praten.

We beginnen ermee eerst maar een misverstand uit de weg te ruimen: dat lezers altijd lezen en nooit tijd hebben voor iets anders. Voor Oversteegen gaat dat in elk geval niet op. Zijn leven lang was hij ook reiziger, buitenman, eerst in de Betuwe, waar het werk aan de moestuin en boomgaard hem en zijn vrouw langzamerhand te veel werd, nu op de Veluwe.

En saai, een tweede misverstand dat lezers regelmatig onder ogen moeten zien, was zijn leven al helemaal niet.

'Fel' is 'zo'n Marsman-woord', anders had hij het op die manier gezegd, om aan te duiden hoe hij heeft geleefd. Nu maakt hij ervan: 'Nogal enthousiast'.

Een groot gezin, veel vrienden, actief op veel terreinen. Alleen de universiteit - waar hij nota bene de langste tijd heeft doorgebracht - komt er wat bekaaid van af. The groves of academe heet het in zijn boek.

Voor Oversteegen is er een duidelijk verschil tussen lezers die iets van zichzelf of hun vertrouwde wereld terug willen vinden in een boek, en lezers die het avontuur zoeken. Hij behoort tot de laatste categorie. 'Ik wil iets ontdekken', zegt hij. 'Ik ben nieuwsgierig. Wie weleens met mij over straat gelopen heeft, weet wat ik bedoel. Ik zie alles, wijs alles aan, blijf voor elke winkel staan. Vandaar (grinnikt) de titel van dit boek.

'Je zoekt als lezer iets wat je niet uit jezelf produceert, maar wat je wel als fundamenteel ervaart, en waarvan je weet: dit zou ik nooit zo kunnen zeggen. Ik noem als voorbeeld, omdat het voor Nederlandse lezers voor de hand ligt, Hermans. Ik moet altijd lachen om mensen die zeggen zich in Hermans te herkennen. Dat is godsonmogelijk. Daar is-ie veel te particulier voor, de uitschieters naar de irrationele kanten zijn zo persoonlijk.'

Maar een zekere mate van 'herkenning' moet er toch zijn? 'Nou, ja', zegt Oversteegen, zoekend naar woorden, 'je moet erin kunnen komen, simpelweg. 't Is bijna een taalkwestie. Taal en wereldervaring liggen heel dicht bij elkaar. Je kunt een boek niet lezen - dat heb ik als propagandist van de Nederlandse letteren in het buitenland wel ontdekt - als je volstrekt niets deelt aan levenservaring met degene die schrijft. Van Vestdijk bijvoorbeeld kon ik alleen de avonturenromans slijten. Alles wat voor ons écht Vestdijk is, De koperen tuin bijvoorbeeld, riep in alle buitenlanden waar ik het geplaatst heb, of geprobeerd heb het te plaatsen, dezelfde reactie op: ''Wat een rare man.'' Men miste het zintuiglijke. . .'

Misschien was hij niet zo'n goede schrijver.

'Dat kan. Maar ik bedoel het algemener. Het geldt niet alleen voor Vestdijk. De wijze waarop je naar de dingen kijkt, wordt niet bepaald doordat je ze herkent, maar doordat je er toegang toe hebt. Bij een figuur als Vestdijk stuit je, als buitenlander, op een verbodsbepaling, ''Verboden toegang''. Zo'n buitenlander heeft niet de fysieke ervaringen die Vestdijk in zijn jeugd tussen de weilanden heeft opgedaan. Ik denk dat zulke jeugdimpressies deuren zijn die je toegang verschaffen, tenzij iemand - en dat is het punt waar het allemaal om draait - zó'n groot schrijver is dat hij je zijn ervaringen weet aan te praten. Dat geldt maar voor een heel kleine groep, de Dostojewski's, de Kafka's. . .'

Dergelijke schrijvers laten je onvermoede ervaringen opdoen, en daarmee veranderen ze je. Die verandering is voor Oversteegen wezenlijk. 'Niet zelfherkenning, maar zelfontdekking', zegt hij. 'Het is niet eenvoudig daar de vinger op te leggen, je ziet in het boek hoe ik ermee stuntel. Tot vier keer toe doe ik een aanval.' 'Waarom het lijkt te gaan', staat er dan ten slotte, 'ik probeer het nog één keer, is: een wereld die mij vreemd is maar waarin ik een waarheid kan beleven die de mijne is, een wereld die ik kan binnengaan omdat ze uit woorden bestaat en niet uit dingen, feiten, gebeurtenissen.'

Maar er zitten ook sociale kanten aan het lezen, en het aardige van Etalage is dat daarover op een niet-theoretische, persoonlijke wijze veel wordt gezegd. In ons gesprek legt hij de nadruk op zijn milieu, thuis in Blaricum, waar zijn moeder samen met zijn vader - opgeleid als bouwkundig tekenaar en selfmade architect - een kunstnijverheidswinkel dreef, die op den duur een 'volwassen' boek- en kunsthandel werd.

'Dat ik opgroeide tussen deze, zich emanciperende mensen, mijn ouders, die reikten naar die zich uitspreidende burgercultuur, waarvan het lezen een belangrijke trek is, is van groot gewicht geweest. Niet in de jaren zestig werd de maatschappij gedemocratiseerd. Dat gebeurde door de mensen die mij voorafgingen. Zij veroverden individueel een wereld waaraan ze geen enkel profijt in materiële zin ontleenden. Door te lernen, zo noem ik het maar, wilden zij de burgercultuur indringen. Mijn generatie heeft geboft, niet vanwege de oorlog, dat was minder leuk, maar omdat wij de eersten waren die uit een niet-gestudeerde stand kwamen en toegang kregen tot die cultuurwereld.'

DAT HAD gemakkelijk kunnen leiden tot een zeer geëngageerde houding ten opzichte van de literatuur, maar merkwaardigerwijs blijkt die nergens uit Oversteegens voorkeuren, de canon, die hij in zijn boek verstrekt. 'Dat engagement is, denk ik, belemmerd door de oorlog. Wij kwamen kotsend van engagement uit de oorlog. Je wilde niets meer weten van mensen die elkaar op ideologische basis uitroeiden. Engagement was er door de politionele acties, het engagement van de Vijftigers, van Lucebert en zijn ''gemartelde bruid Indonesia''. Dan constateer je tot je verbijstering dat je moreel genoodzaakt bent een standpunt in te nemen.'

Voor Oversteegen moet die zaak bijzonder gevoelig hebben gelegen. Hoewel hij zichzelf 'oer-Hollands' noemt, had hij al vroeg een sterke band met Indonesië, door Multatuli, door zijn grote literaire liefde Edgar du Perron, en na de oorlog door zijn vrouw, die uit Indonesië naar Nederland was gekomen. 'Een tijdje geleden', vertelt hij, 'zaten we hier met vrienden aan tafel, twee koppels, die we al zo'n vijftig jaar kennen, toen Suus zei: ''Alledrie hebben jullie een vrouw uit de verte, alledrie zijn jullie jonger dan die vrouw.'' Is dat romantiek? Ik weet het niet.

'Ik weet wel dat ik erg gesteld ben op de Antillen, 't is heel makkelijk om met de mensen daar te praten. In Nederland is er nog steeds een soort stijfheid als het gaat om gevoelens. Of men wordt heel sentimenteel, of heeft moeite om over gevoelens te praten. Ik bedoel. . ., toen ik zo ernstig ziek bleek te zijn, ben ik door een stuk of tien mensen van de Antillen gebeld, met de grootste warmte. Ik heb ze niet hoeven uit te leggen waarom wij zo rustig blijven. Hier moet ik het uitleggen, maar gelukkig niet aan iedereen, want er was meteen ook veel begrip en medeleven.

'Indonesië. . ., ik denk dat het een temperamentskwestie is. Bep, de vrouw van Du Perron, heeft me wel eens met Eddy vergeleken. En Cola Debrot schrijft in een dagboekaantekening nadat we elkaar voor het eerst gesproken hebben: het waren weer de dagen van Eddy en Menno. Du Perron en Ter Braak waren persoonlijkheden met een bepaald soort heftigheid, nou ja laat ik het eens vriendelijk zeggen: geestdrift, vrij van de angst om te blunderen. Als je de geest krijgt, blunder je. Dat risico loop je. Dat heeft me in de anekdotes over Du Perron altijd aangesproken. In Nederland wordt de heftigheid waarvan bij zulke mensen sprake is, algauw als agressiviteit gevoeld.'

Hij studeerde, na eerst wiskunde overwogen te hebben, geschiedenis en Nederlands, werd drie jaar leraar in Deventer ('ik ben nooit eenzaam geweest, maar daar werd ik het') en beleefde een bevrijding toen hij directeur werd van de Stichting voor Vertalingen. Op het juiste moment. Hij had een geweldige behoefte aan andere mensen, die hij vanaf dat moment dan ook ging ontmoeten, groten als T.S. Eliot, André Malraux en de bevlogen lezer Bobi Bazlen, over wie hij uitgebreid schrijft.

In die tijd ontstaat uit het beroepshalve hapsnap lezen zijn canon, in verband waarmee hij opmerkt: 'Ik denk dat je altijd de verwoedheid terugzoekt van het lezen in je kindertijd. Je wordt vaak teleurgesteld, maar je ondergaat ook verrassingen waardoor je hele wereldbeeld verschuift. Je merkt dat bij een auteur met een sterk metafysische inslag als Fjodor Sologub. Dat was een omverwerpende ontdekking.'

Hamsuns Honger, De blinde uil van Sadegh Hedayat, Blanchots L'Arrêt de mort, Die Blendung van Canetti - het waren boeken, waarin, zoals hij het formuleert, een andere wereld naast de ervaringswereld werd gezet. Die andere Seite. Oversteegen: 'Dat is metafysisch. Daar speelt zich de schok af, die je confronteert met iets wat ik niet kan omschrijven.'

Het zijn flitsen van inzicht, waarom het bij het lezen altijd gaat, epifanieën. 'Een woord van Joyce. Het zijn momenten die een waarheid bevatten die niets meer te maken heeft met de analytische waarheid, waar we in het dagelijkse leven of in de wetenschap mee werken, een ándere waarheid. Die ligt erg dicht bij de openbaring voor gelovigen, maar het geloof komt er niet bij te pas.'

DOOR ZIJN contacten met grote schrijvers, in Engeland, in Frankrijk, in Amerika, in Italië werd hij wel erg met zijn neus op 'de man (of vrouw) achter het werk' gedrukt. Hoe verhield zich dat tot de Merlyn-doctrine dat alleen the words on the page ertoe deden, en anders niet?

'Bij Merlyn ging het ons primair, om het met een wat ouderwets woord te zeggen, om het ethos van de schrijver. Die wilden we laten zien en dat kan maar op één manier, namelijk door te laten zien wat hij doet. De man áchter het werk, in de zin van degene die niet als schrijver centraal staat, interesseerde ons niet, en die interesseert me nog steeds niet, omdat ik gemerkt heb dat het zo vervlochten is, dat iemand zich zo fundamenteel uit in z'n literatuur, of hij nu levensfeiten gebruikt of wat voor feiten dan ook, dat doet er geen flikker toe, dat hij daarmee zijn diepste innerlijke structuur blootlegt. Die probeerden wij te laten zien door het aan iets concreets te verbinden: zo van, je kan het aanwijzen. Het zit zo in elkaar. Maar een methode hadden we niet. Dat dachten alleen buitenstaanders. Na ieder essay zeiden we tegen elkaar: goed gedaan, maar tegen onszelf zeiden we: het is mislukt, en dan moest je als Sysiphus weer de berg op. . .'

Maar was het niet toch een hele stap naar de biografie?

'Niet voor mij. Ik ben per slot van rekening historicus. Ik had het plan een dissertatie over Hendrik IV van Frankrijk te schrijven. Presser wilde dat graag. Mijn eerste publicatie was een biografie. Ik heb me altijd voor biografieën geïnteresseerd. Bij Debrot, die ik buitengewoon bewonderde, omdat hij niet alleen schrijver was - die veel belangrijker was dan men zich nu realiseert -, maar ook een man die handelde, die met de grootst mogelijke inzet en moed in de meidagen van '69 op de Antillen een ramp heeft voorkomen, heb ik geprobeerd te laten zien dat het leven en het werk parallelle verschijnselen zijn met hetzelfde ethos.

'Dat is voor mij de kern ervan, iets wat ik nooit eerder op die wijze aangedurfd heb. Het is, vind ik, niet mis de schakel aan te brengen tussen wat de schríjver maakt en wat de man die zo leeft. Ik had in Debrot een goed object, vind ik, en daarin projecteer ik een beetje, nou nee, vrij sterk, het soort mens dat ik eigenlijk zou willen zijn. In dat opzicht is dat boek autobiografischer dan dit boek. Omdat het meer zegt over mijn houding tegenover het leven. Niet zoals ik het leef, maar zoals ik het zou willen leven, zoals ik zou willen zijn, en zoals ik voor een deel gelukkig ook ben.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden