interviewCynthia McLeod

‘Wij hebben geleerd dat alles wat met Suriname te maken had, slecht, dom en minderwaardig was’

Cynthia Mcleod Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Cynthia McleodBeeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Cynthia McLeod (85) komt uit een gezin van verhalenvertellers. Geen wonder dat ze zou debuteren als schrijver. Haar debuut, de historische roman Hoe duur was de suiker?, over het leven op een 18-eeuwse Surinaamse suikerplantage, is al 34 jaar het best gelezen boek van Suriname, en ligt ook in Nederland nog op menig nachtkastje.

Ianthe Sahadat

Op haar 8ste kon de Surinaamse schrijver Cynthia McLeod een prachtig opstel schrijven over ‘ijspret’ zonder ooit een bevroren sloot te hebben gezien. Gezeten op een bladerrijk overdekt terras te Paramaribo neemt de onverminderd scherpe en smakelijk vertellende McLeod (85) een slok sinaasappelsap en draagt voor: ‘Sietske wordt wakker. Het heeft gevroren. Ze doet het gordijn opzij en ziet ijsbloemen op de ramen. Ze huppelt naar beneden en vraagt zich af: zou het ijs sterk genoeg zijn?’

Een schaterlach.

Begint op te dreunen: ‘De Rijn ontspringt in Zwitserland en komt bij Lobith ons land binnen. Ons land heeft elf provinciën.’

Ons land?

‘Jaahaa. Wij moesten denken als Hollanders. Pas in de jaren vijftig, zestig kwam daar een beetje verandering in, speelden sommige schoolboekjes zich af op een erf in Suriname. Maar wij hebben geleerd dat alles wat zwart of gekleurd was, alles wat met Suriname te maken had, slecht, dom en minderwaardig was. Dat is een van de wrede nawerkingen van slavernij en contractarbeid en werkt nog altijd door in de mensen tot op de dag van vandaag. De mensen in Europa stelden zich zonder gewetenswroeging boven ieder ander.’

Verwijt u Europeanen iets?

‘Je kan niemand aanrekenen wat zijn voorouders hebben gedaan.

‘Dat iemand plantages had, daar val ik niet over. Dat was de wereld van toen. Wat wel kwalijk te nemen is: dat men slaven op een gruwelijke wijze heeft mishandeld. Een voorbeeld: voor weglopen werden de eerste keer je neus en lippen eraf gehakt, de tweede keer je been en de derde keer je kop. Mensen gingen levend aan de vleeshaak, werden gevierendeeld.’

De ober zet een glaasje sap neer. ‘U bent het echt,’ zegt hij. ‘Mevrouw McLeod, van de spannende boeken.’

McLeod kijkt hem stralend aan: ‘Jawel.’ En dan weer door: ‘En je had natuurlijk de lichte straffen: honderd slagen met de tamarindezweep.’

Eens een juf, altijd een juf. McLeod stond decennialang voor de klas en geeft nog altijd lezingen in eigen land, Nederland en de VS. Ze rijgt haar verhandelingen aaneen met formuleringen als ‘let wel’, ‘besef goed’ en ‘laat me je vertellen’ en trekt tussentijds papierwerk uit haar tas om te laten zien uit welke bronnen haar kennis komt. Haar intonatie – als van een toneelspeler die behendig speelt met volume en emotie – doet de rest.

Wie in Suriname met ‘mevrouw McLeod’ afspreekt, treft voor, na en tijdens het gesprek fans. Deels omdat Paramaribo ‘een dorp’ is, zoals iedereen zegt, maar ook omdat vrijwel iedereen wel een boek van mevrouw McLeod heeft gelezen. Dus vindt de ober het ‘een eer’ om de schrijver die hem op z’n 15de aan het lezen kreeg te mogen bedienen, somt de taxichauffeur op in welke levensfase hij welke McLeod las en constateert de historicus dat de schrijver met haar verhalen ‘de Surinamers hun geschiedenis heeft teruggegeven’.

Wat ze bedoelen? Dat illustreert de volgende anekdote. Begin 1988, een half jaar na het verschijnen van haar debuut Hoe duur was de suiker?, over het leven op een 18de-eeuwse Surinaamse suikerplantage, krijgt McLeod een telefoontje van een ‘onbekende meneer’. Hij blijkt een werknemer op het Surinaamse ministerie van Binnenlandse Zaken. ‘Mevrouw, bij ons op het ministerie heeft iedereen uw boek gelezen. Van de directeur tot de secretaresse en de schoonmaker. En weet u, we praten over de personages alsof het mensen zijn die we kennen. Ik bel u op om te zeggen: u heeft Suriname een geweldig geschenk gegeven. Mensen die nog nooit in hun leven een boek gelezen hebben, hebben het gekocht, mevrouw.’

Waarom wilde u dit boek schrijven?

‘Als kind las ik verschrikkelijk veel. Mijn moeder was langdurig ziek, boeken waren mijn uitvlucht. Ik kom uit een intellectueel gezin, dus boeken waren voorhanden. Maar van al die boeken gingen er maar een of twee over Suriname.

‘Mijn grootmoeder en mijn vader waren geweldige verhalenvertellers, maar als ik iets over slavernij wilde weten, viel het stil. En ik wilde wél weten.

‘Mijn man was socioloog en econoom. Hij had toegang tot het tijdschrift De West-Indische Gids, vol artikelen over Suriname. Hij zei: er is een bibliotheek vol tijdschriften over Suriname, maar niemand leest ze. Ik zei: vanaf nu wel.’ Weer die lach.

‘Ik was een van de eerste Surinaamse docenten op de middelbare school in Paramaribo waar ik werkte. Vrijwel al mijn collega’s waren Nederlands. Ik merkte dat de leerlingen zich geen voorstelling konden maken van de slavernij. Ik vertelde ze wat ik had geleerd over die tijd en merkte dat ze hevig geïnteresseerd waren. Als de bel ging voor de pauze, bleef iedereen zitten. Juffrouw, vroegen ze, u moet die verhalen opschrijven. Ik zei: als ik met pensioen ben, word ik schrijver.’

U begon iets eerder.

‘Het lot was me gunstig gezind. Na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 werd mijn man ambassadeur, onder meer in België, en kon ik als zijn vrouw het leven van een gepensioneerde leiden. Vanuit Brussel was het maar twee uur naar het Rijksarchief in Den Haag. Ik was zo veel in het archief om onderzoek te doen dat zelfs de mensen van het archief dachten dat ik daar werkte.

‘Toen we, na een periode in de VS, in 1986 in Suriname terugkeerden, had ik twee manuscripten af, Vaarwel Merodia en Hoe duur was de suiker?

U besloot uw boek in Suriname uit te geven. Dat was ongebruikelijk. Surinaamse schrijvers publiceerden hun boeken bij Nederlandse uitgeverijen.

‘In die tijd was de economische toestand in Suriname zo slecht. Ik wist dat geen enkele Surinamer zich mijn boek zou kunnen permitteren als ik het in Holland uitgaf en dat wilde ik niet.

‘Er bestond hier niet eens een uitgever. Ik ben naar Vaco gegaan (de enige boekhandel in Suriname, red.), en ze zeiden: we gaan het regelen. Het heeft nog anderhalf jaar geduurd voordat het boek er kwam.

‘Een week voor verschijnen, in 1987, zei een collega op school me dat vijfhonderd verkochte exemplaren in Suriname een bestseller betekende. De eerste oplage bestond uit drieduizend boeken. Ik dacht bij mezelf: mijn god, arme uitgever. Ik zag al 2.500 nooit verkochte boeken door de papierversnipperaar gaan.

‘De dag dat het boek in de winkel zou liggen, hadden ze me gevraagd om te komen signeren. Ik had een stapel correctiewerk meegenomen, een proefwerk van 6vwo, want ik dacht: dan heb ik wat te doen. Maar toen ik die ochtend aankwam, zag ik een rij voor de winkel staan. Ik moest mezelf tussen die mensen doorwringen en vroeg de boekhandelaar: wat is er aan de hand? Al die mensen wachten op u, mevrouw McLeod, zei hij. Die dag heb ik 675 exemplaren getekend. Mensen kochten soms twintig exemplaren. Dan zei ik: mevrouw, wat gaat u in godsnaam doen met twintig exemplaren? Ik ga ze naar mijn vriendinnen sturen in Holland, antwoordde ze. Dat gaf aan hoe groot de behoefte was.

‘Binnen drie weken was de hele oplage uitverkocht. Iedereen kocht het, iedereen gaf het cadeau.

Acht jaar later verscheen het ook in Nederland. Uiteindelijk zijn er in totaal 200 duizend exemplaren verkocht. Later vroegen de mensen me: waaraan is het grote succes van uw boek te danken? Dan zeg ik altijd: o, er was niks anders te krijgen.’

Wat is het echte antwoord? U zegt dat mensen eindelijk over zichzelf konden lezen, maar er zijn toch meer Surinaamse schrijvers?

‘Natúúrlijk. Maar schrijvers schrijven over zichzelf. Ik schreef over de geschiedenis.

‘Op school leerden we vroeger niet over onszelf en waar we vandaan komen. Wanneer een volk geen toegang heeft tot zijn bronnen van de geschiedenis, zoals het in Suriname was, omdat alle archieven in Den Haag waren en wij als Hollanders werden opgevoed, krijgt het een zelfbeeld gebaseerd op mythen en stereotypes. De feiten ontbraken. In Suriname zeggen we ‘Fu sabi pe yu e go, yu mu sabi pe yu komopo’: om te weten waar je naartoe gaat moet je weten waar je vandaan komt. Dat is de belangrijkste reden dat ik ben gaan schrijven.’

Er was ook kritiek: de belangrijkste personages in het boek behoren tot de witte elite van plantagebezitters, terwijl u een boek wilde schrijven over het leven van de ‘gewone’ Surinamers.

‘Ik begrijp de kritiek. Slaven mochten geen Nederlands leren, dus in welke taal schrijf je dan? Niemand schreef in het Sranan Tongo. Kon ik een heel boek in het Sranan schrijven? Ik moest destijds voor mijn gevoel in een boek via die witte mensen bij die zwarte mensen komen. Ik ben ook maar een mens van mijn tijd. Nu zou ik het anders schrijven.’

null Beeld

Cynthia McLeod

Cynthia McLeod (Paramaribo, 1936) is de dochter van Johan Ferrier – onderwijzer, verteller van Anansi-verhalen en de eerste president van onafhankelijk Suriname in 1975. Ze heeft acht broers en (half)zussen, onder wie schrijver Leo en politica Kathleen Ferrier. McLeod werkte als docent Nederlands in Paramaribo. Tussen 1978 en 1986 woonde ze, als diplomatenvrouw, met haar man Donald McLeod in Venezuela, België en de VS. In die jaren begon ze met onderzoek doen en schrijven. Haar debuut Hoe duur was de suiker? verscheen in 1987. Ze schreef historische romans, kinderboeken en studies. Haar bekendste non-fictiewerk is de biografie van Elisabeth Samson, een vrije zwarte vrouw die in de 18de eeuw een plantage runde.

Slaafgemaakten/slaven

Cynthia McLeod gebruikt in haar lezingen en in het interview het woord ‘slaven’. Dat doet ze bewust, legt ze uit. ‘Ik ben neerlandica en vind ‘tot slaaf gemaakt’ een tautologie. In ‘slaaf’ zit alles al: dat je als mens ontmenselijkt werd, tot object werd gemaakt. Bovendien is het een slechte vertaling van het Amerikaanse enslaved.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden