Wij en ik

In De Costers ingenieuze familieroman is iedere zin een verhaal op zich

Ze zullen toch wel aan het uitsterven zijn, neurotische - 'desperate' - huisvrouwen zoals Mieke Vandersanden? Het moet haast wel, want hun echtgenoten, mannen als Stefaan Vandersanden - directeur van een dubieus farmaceutisch bedrijf - donderen steeds harder van hun machtssokkel af.

Bij Saskia de Coster, die van haar debuut Vrije val (2002) tot aan haar voorlaatste roman Dit is van mij (2009) veel lof verwierf, wonen types als Mieke en Stefaan in 'de verkaveling op de berg' , een villawijk. De dood is het begin van hun gezin: Stefaan komt uit een familie van brokkenmakers: een dode vader (zelfmoord) en een dood broertje (Stefaans schuld). Met de geboorte van hun dochter hopen ze de doodslijn te doorbreken.

Op de sterfdag van Hitchcock, 29 april 1980, komt de kleine Sarah ter wereld. Het is de dag dat Wij en ik aanvangt. Als een camera zweven we boven de aangeharkte verkaveling, waar villa's als 'een lichaam rond je lichaam' staan. We houden halt bij Nachtegalenlaan 7. Het geluksnummer boven de deurbel is bepaald geen voorbode. De Coster roert bekende elementen aan: de getroubleerde jeugd van Stefaan, Miekes neurose en verlangen naar een ander, de slimme Sarah die haar ouders algauw ontstijgt. Maar in haar taalgebruik is De Coster origineel. Haar woordkeuze en herhaling van klank maakt van iedere zin een verhaal op zich: laat 'roddelaars' over een 'rotkarakter' smoezen, en het rotte slaat terug op de roddelaars zelf. Een onheilspellend laatste telefoontje wordt niet opgelegd, maar 'afgelegd' en op de sterfdag van zijn moeder komt Stefaan 'doodgemoedereerd' thuis.

Het terugkerende 'wij' in Wij en ik wijst op het gezin, het meereizende oordeel van familie, dat liefdevol, maar ook verstikkend is. Tegelijkertijd lijkt De Coster met 'wij' ook wij lezers te bedoelen, altijd aanwezig met onze kritische, hoopvolle en moraliserende blik. Alsof de verhouding tussen de roman en zijn publiek even dubieus is als die tussen het individu en zijn naasten.

De afstand waarmee De Coster schrijft, doet denken aan het vogelvluchtperspectief in Arlington Park (2006) van Rachel Cusk, eveneens over het ongelukkige, maar decadente leven van hardwerkende, afgestompte mannen en hun neurotische huisvrouwen. Ook verwijzen De Coster en Cusk allebei naar het werk van Virginia Woolf. 'To look life in the face, always, to look life in the face', citeert De Coster. Aan Sarah de taak om Woolfs gebod te vervolmaken, maar dan zonder de zelfmoorddrang die haar vaders familie beheerst.

Wanneer het ernstig wordt, zoomt De Coster nog verder uit en de verteller becommentarieert: 'Als in de meest idiote draaideurkomedie gaat plots de bel van de voordeur.' Die afstand moet de lezer door enkele karikaturale passages heen helpen. Zoals Mieke die de politie wil bellen om een verdwenen taartschep en Stefaans voorspelbare seksuele uitspatting.

De afstand die de verteller behoudt, duidt in Wij en ik niet op oppervlakkigheid. De Coster laat juist zien hoezeer iedere 'ik' deel uitmaakt van een 'wij'. Zelfs in een wereld van schijn gaan familiebanden ver voorbij het oppervlak.

Jaren later, 2013. Sarah heeft een eigen flat (a room of one's own, om met Virginia Woolf te spreken) en gaat - heel Mrs. Dalloway - op pad voor een bos bloemen. Het wordt een kitscherig bosje plastic, als grapje. Om weg te geven aan de man van wie ze houdt.

Dat is geen reden om te gaan jubelen, waarschuwt De Coster. Want echt ontsnappen aan de verstikkende greep van genen en gezin, dat kunnen wij niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden