Wiessenhaan is van de oude school: echte ontploffingen, losse flodders en stunts

Bommenwerper Harry Wiessenhaan is een meester in special effects

Hoe knap digitale effecten ook worden, Harry Wiessenhaan is na bijna een halve eeuw échte special effects nog steeds niet van de filmset af te slaan.

Harry Wiessenhaan Foto Foto: Adriaan van der Ploeg

Even buiten Rotterdam, verstopt op een industrieterrein tussen twee snelwegen, ligt het bedrijf van Harry Wiessenhaan (69), maker van special effects en gespecialiseerd in pyrotechniek: ontploffingen, vuurzeeën, wapens en weer-effecten. Al bijna een halve eeuw zijn de effecten van Wiessenhaan te zien in Nederlandse films en televisieseries (Zwartboek, Oorlogswinter, Soldaat van Oranje) en in internationale producties die in Nederland en buurlanden zijn opgenomen (Ocean's Twelve, A Bridge Too Far, The Hitman's Bodyguard). Het bedrijf van Wiessenhaan, dat is overgenomen door zoon Rick (47), was tot nu toe betrokken bij meer dan driehonderd films.

'De Wiessenhaans zijn de enigen in Nederland die op dit niveau wapens, stunts of explosies kunnen regelen', zegt filmmaker Steffen Haars, regisseur van New Kids en New Kids Nitro.

'Wiessenhaan is meesterlijk', vindt regisseur Maarten Treurniet (De Heineken ontvoering, De passievrucht). 'Hij doet wat hij belooft, geen gelul.' Toen de regisseur aan Wiessenhaan, min of meer voor de grap, om een veertig meter hoge ontploffing vroeg, kréég Treurniet een explosie van veertig meter hoog. Zo is Harry Wiessenhaan.

Toch is Wiessenhaan onbekend bij het grote publiek, een gegeven waar de nuchtere Rotterdammer geen moment van wakker ligt. Wiessenhaan blijft graag onder de radar. Hij hoeft geen Wikipedia-pagina of Gouden Kalf, hij wil gewoon goede effecten maken. Gedurende zijn carrière veranderden special effects ingrijpend, met de komst van digitale effecten zoals CGI (Computer-Generated Imagery, computergegenereerde beelden) en motion capture, een techniek om bewegingen te kopiëren naar animaties. Wiessenhaan is van de oude school: echte ontploffingen, losse flodders, stunts.

Want, als het aan Wiessenhaan ligt, zien praktische effecten er simpelweg beter uit. Als je een digitaal effect als zodanig herkent, dan is het een slecht digitaal effect. En volgens Wiessenhaan herken je een digitale explosie altijd. 'Je ziet het meteen. Een echte explosie beweegt anders dan haar digitale tegenhanger.' De natuurlijke ontwikkeling van een explosie is een complex proces - net als bijvoorbeeld golven - en dus lastig met een computer na te maken.

De verdwenen films

Volgens de Internet Movie Database (IMDB) heeft Harry Wiessenhaan als 'special effects artist' meegewerkt aan 271 films, maar volgens hemzelf zijn het er veel meer. Hij stelt dat hij al aan films meewerkt sinds 1970; het jaar dat zijn zoon Rick werd geboren, zeven jaar voor de oudste film die op IMDB aan hem wordt toegeschreven. 'Ik heb het zelf nooit bijgehouden. Een hoop films uit die tijd zijn uit de handel gegaan of de negatieven zijn verdwenen. Wat we ons konden herinneren, heeft Rick erbij gezet.'

'Echt is altijd beter', zegt Hans van Helden, special effects supervisor bij postproductiebedrijf Filmmore, of 'de computerman', zoals Wiessenhaan hem noemt. 'Ik stuur mensen altijd eerst langs Harry. Als hij het niet kan, of het praktische effect kost teveel tijd, dan doen wij het.'

Soms worden praktische en digitale effecten door elkaar gebruikt. Zo wordt er soms gebruik gemaakt van stock material: materiaal van echte explosies die vooraf gefilmd zijn tegen een zwarte achtergrond, die later in het shot kunnen worden geplakt. De explosie wordt digitaal vergroot, gekopieerd en in een scène geplakt. Wiessenhaan heeft bezwaren: 'Ook dit blijf je altijd zien.'

Een echte explosie vindt, in tegenstelling tot een digitale, plaats in dezelfde ruimte als de acteurs en objecten in het beeld. Je ziet het effect van een explosie op de omgeving: aarde en stof vliegen door de lucht; haar en kleding wapperen door de windstoot, het vuur van de explosie laat sporen achter op muren, gebouwen en de grond. 'Kracht', noemt Wiessenhaan dit simpelweg. 'Te vaak zie je bij een digitale explosie de kracht er niet af komen.'

Stockmateriaal gebruiken is overigens niet de enige manier om een digitale explosie te maken. Soms wordt een echte explosie als het ware digitaal aangedikt. Denk aan meer vuur of rook. De explosie is echt, maar wordt digitaal dramatischer gemaakt. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de film Who Am I? (1998), waaraan Wiessenhaan meewerkte. Wiessenhaan blies voor de film wat stofwolken de lucht in, die een digitale effectenmaker later veranderde in vuur, zodat ze er op beeld uitzagen als echte explosies. 'Dat ziet er goed uit, omdat je door dat stof toch de kracht van de explosie af ziet komen.'

Ook bij een goed geweerschot-effect speelt kracht een rol. Een echt geweer is zwaar en geeft terugslag bij het afvuren, waarop een acteur dan weer zichtbaar fysiek reageert. 'Je ziet de acteur bewegen, je ziet de flits op zijn gezicht en je ziet het licht van de knal', aldus Wiessenhaan.

Een realistisch filmwapen líjkt daarom niet alleen precies op een echt wapen; het ís een echt wapen. Want om er zo echt mogelijk uit te zien, moet een goed filmvuurwapen kunnen wat een echt wapen ook kan. 'Behalve een echte kogel afschieten', zegt Wiessenhaan. In zijn werkplaats bouwt Wiessenhaan echte wapens om tot filmwapens die alleen losse flodders kunnen schieten.

Wiessenhaan steekt zijn kennis over wapens niet onder stoelen of banken. Voor de Amerikaanse Tweede-Wereldoorlogfilm A Bridge Too Far (1977) dook Wiessenhaan zeven maanden in de boeken om alles te leren over wapens uit die tijd. Als Paul Verhoeven voor een scène in de film Zwartboek, die zich afspeelt in de Tweede Wereldoorlog, een Beretta wil, protesteert Wiessenhaan dat dat wapen pas in 1952 verscheen - zeven jaar na de oorlog. Verhoeven reageert: ze komen toch voor mijn film, niet voor jouw pistool? 'Daar had-ie gelijk in', geeft Wiessenhaan toe. 'Maar ik heb toch stiekem een ander wapen meegenomen. Een FN - dat klopte dan weer wel.'

Wiessenhaan begrijpt niet dat makers een geweerschot digitaal namaken, zoals gebeurt in onder andere de televisieseries Flikken Maastricht, Flikken Rotterdam en Smeris, omdat dat vaak tijd scheelt op de draaidag. Maar soms zijn praktische effecten juist makkelijker uit te voeren op de set. 'Het kost toch ook moeite om een digitaal schot, zoals een vlammetje en een flits die je ziet als je een kogel afvuurt, in de loop van het geweer te krijgen?' zegt Wiessenhaan. 'Terwijl als wij het praktisch doen: één kogeltje erin en poef. Je hebt het effect.'

In een halve dag was Wiessenhaan klaar met de explosie van een boerderij in de oorlogsfilm Zwartboek, terwijl dat digitaal veel langer geduurd zou hebben. Wiessenhaan kwam, blies de boerderij op en vertrok weer naar huis. Digitaal werden later vliegtuigen en de bommen toegevoegd.

Ook het digitale effect kent zijn limieten. Zo werkte Wiessenhaan in 2004 mee aan de film Mindhunters. Het plan was om de geweerschoten in een onderwaterscène digitaal te doen, maar een dag van tevoren bleek dat dat niet ging lukken. 'Toen hebben we in een nacht tijd twee wapens omgebouwd zodat ze onder water konden schieten.'

Ondanks de snelle vooruitgang van de capaciteiten van computers, krijgen ook digitale teams nog steeds niet alles voor elkaar, vooral omdat ze volgens Wiessenhaan tegen hetzelfde probleem aanlopen als praktische effectenmakers: beperkte budgetten.

Digitale effecten maken het ook een stuk makkelijker om bepaalde praktische effecten uit te voeren. Als je vroeger een auto over de kop wilde laten slaan, vertelt Wiessenhaan, moest je de schans, waarover de auto de lucht inschiet, verstoppen achter een ander object, zoals een auto, zodat die niet in beeld verscheen. Dankzij computers kan die schans nu overal staan, want digitaal kunnen ze 'm zo laten verdwijnen. 'Huppakee en die schans is weg', zegt Wiessenhaan. 'Dat vinden ze niet eens moeilijk.'

Meer over