Postuum

Wiesje van Santen (1924-2014) voelde zich geen verzetsheld

Al kreeg Wiesje van Santen (1924-2014) in 1984 het verzetsherdenkingskruis, verzetsheld voelde zij zich niet. Zij was vooral bekend door haar vertalingen van werk van Emily Dickinson.

Beeld Gerrit-jan Ek000

Louise ('Wiesje') van Santen wilde vooral herinnerd worden als dichteres, schrijfster en vertaalster van het werk van Emily Dickinson. Daar was ze het grootste deel van haar professionele leven mee bezig. Maar het lot wilde dat ze in 1940 op haar 16de verliefd werd op de verzetsstrijder Gideon Boissevain, wat ertoe leidde dat juist de oorlogsjaren vaak boven werden gehaald.

Zelf praatte ze er decennialang niet over of soms onder pseudoniem want ze wilde gewaardeerd worden om haar dichtbundels, roman en kinderboeken. Of iemand die goed of slecht vond, deed niet eens zo ter zake. De oorlog was een van haar bronnen. Niet de enige bron.

Hoewel ze in 1984 het verzetsherdenkingskruis kreeg en in de oorlog persoonsbewijzen stal of vervalste, voelde ze zich niet een echte verzetsstrijdster. Haar vriend Boissevain zou de oorlog niet overleven, evenmin als zeventien andere leden van de groep CS-6, die in 1943 onder anderen generaal Hendrik Seyffardt, commandant van het Vrijwilligerslegioen Nederland, en de baas van de omstreden Kultuurkamer, Hermannus Reydon, liquideerde als landverraders.

Onderduiken

Wiesje van Santen is vrijdag op 90-jarige leeftijd overleden. Ze was een van de vijf kinderen van de Joodse socialistische zakenman Bram van Santen. Na de bezetting wordt diens huis geconfisqueerd en vindt het gezin onderdak op een klein bovenhuis aan de Sarphatistraat. Ook hier is het niet veilig. Begin 1943 moeten ze allemaal onderduiken op aparte adressen, waarbij Wiesje terechtkomt in de woning van de familie Boissevain aan Corellistraat 6 in Amsterdam, waaraan de groep CS-6 haar naam ontleent. Wiesje woont later, met Gideon, aan de Leidsekruisstraat 1.

Als de groep uiteindelijk wordt opgerold, belandt ook Wiesje van Santen in de gevangenis. De SD, de veiligheidsdienst van de Duitsers, laat haar na een maand vrij om als infiltrante te helpen andere verzetsorganisaties op te rollen. Na twee dagen weet ze te vluchten en ze duikt onder. Als gevolg van de gevangenisstraf heeft Wiesje zwaar rugletsel opgelopen. Uiteindelijk komt ze terecht aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam, waar de familie erin slaagt Wiesje onder valse naam een operatie te laten ondergaan in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis.

De Gids

Na de oorlog woont ze eerst in Israël en later onder meer in de VS. Uiteindelijk keert ze eind 1958 met haar man Paul Schwarz en drie kinderen terug in Nederland. De oorlogsherinneringen, die ze heeft verwoord in gedichten, komen onder de aandacht van Ed Hoornik, hoofdredacteur van De Gids. Hij vraagt haar of hij er een aantal van mag publiceren. In 1964 verschijnt haar eerste bundel, David zonder Schild. Daarna volgen er nog twee, en een bundel cabaretliedjes. Ook publiceert ze een roman (Wie valt doet niet meer mee) en een kinderboek (Hoor je mij?). Ze raakt bevriend met onder anderen Wim Sonneveld, Ramses Shaffy en Louis van Dijk.

Haar grootste bekendheid dankt ze aan de vertaling van dichtbundels van de Amerikaanse schrijfster Emily Dickinson, die ze in de jaren vijftig via Simon Vestdijk heeft leren kennen. Een toneelstuk over Dickinson, ook door haar vertaald, werd meer dan honderd keer in Nederland opgevoerd. Haar laatste dichtbundel, Op het puntje van mijn tong, verschijnt in 1998.

Haar grootste bekendheid dankt ze aan de vertaling van dichtbundels van de Amerikaanse schrijfster Emily Dickinson, die ze in de jaren vijftig via Simon Vestdijk heeft leren kennen Beeld ap
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.