Wiener stelt meedogenloos zijn ervaringen te boek

Vijf fantastische korte verhalen moeten de spanning afgelopen weken ondraaglijk hebben gemaakt: wie en wat kon daar nog overheen? Juryvoorzitter Arjan Peters legt uit en leidt in.

L.H. Wiener.Beeld .

Lodewijk-Henri Wiener, die op 16 februari zijn 70ste verjaardag vierde, een vriendenboek namens het L.H. Wiener-genootschap kreeg, de roman In zee gaat niets verloren uitbracht en twee maanden later tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau werd geslagen, was jarenlang leraar Engels aan het Stedelijk Gymnasium te Haarlem. En auteur van vele verhalenbundels. In de onlangs verschenen verzamelbundel De verhalen beslaan ze ruim 1.100 pagina's.

'Mijn boeken rechtvaardigen mijn bestaan, zij zijn 'mijzelf' in de meest zuivere vorm', noteert hij op 23 mei 1999. Dat was enige jaren voordat hij in 2002 doorbrak met zijn roman Nestor, toen het grote publiek kennismaakte met de schrijver van een imponerende reeks semi-autobiografische verhalen en romans. Terugkerende elementen zijn het omineuze geboortejaar 1945, dieren, Zandvoort, leraarschap, Haarlem, schrijverschap, ironie, echtscheiding, prostituées, drank, misantropie, agressie, eenzaamheid en verlangen naar zuiverheid. Wiener is een overlevende die een overlever werd. Volhardend in zijn taak: berichten over het ondervonden noodlot van nimmer zonder troebelen met anderen te kunnen omgaan. Noch met zichzelf.

Al in zijn debuutbundel Seizoenarbeid (1967) zien we een jongen die het oorlogstrauma van zijn ouders op de tere schouders torst, en die in de minste achterbaksheid van types in de omgeving een reden ziet het contact met geweld om zeep te helpen.

De procedure

Een speciale V-Zomerjury bestaande uit Adriaan van Dis (schrijver), Anna Drijver (actrice en schrijfster van twee romans), Wilma de Rek (chef van de Volkskrant-boekenredactie) en Arjan Peters (Volkskrant-literatuurcriticus) deed een manmoedige en wat ons betreft definitieve poging de zes beste korteverhalenschrijvers van de naoorlogse Nederlandse literatuur te bepalen. Een zomer lang tellen we terug, van 6 naar de onbetwiste nummer 1. Van elk van de schrijvers drukken we een kort literair juweel af. Op 6 eindigde J.M.A. Biesheuvel met 'Het wonder', op 5 Mensje van Keulen met 'De kunst van het kijken', op 4 Sanneke van Hassel met 'Het is Muis', op 3 F.B. Hotz met 'Liebestraum'en op 2 F. van den Bosch met 'Het regenhuis'.

Zonder sentimentaliteit

In een later verhaal heeft de verteller een vriend, die uit drieste speelsheid zomaar een aantal eieren uit een valkennest kapot gooit. Zo leer je de medemens kennen.

Zonder sentimentaliteit, meedogenloos voor iedereen, en gewapend met zelfspot en soms bijtende ironie stelt Wiener deze ervaringen te boek. In 'Op zaterdagmorgen na de lessen' gaat het over een leerlinge van 15 jaar, die er niet meer is. Heel erg, denk je dan, maar we kennen haar niet. Dat die kennismaking toch plaatsvindt, schoksgewijs, om je na zeven pagina's ontroerd en verslagen achter te laten, is het gevolg van de geserreerde stijl en de geraffineerde constructie.

In dit oeuvre zien we de ontwikkeling van een eenzelvig jongetje uit Zandvoort tot de weerspannige jongeman die zich als volwassene verschanst in het leraarschap en het schrijverschap. Uit diverse levensfasen kan Wiener fragmenten plukken en ze componeren tot authentieke verhalen, dagboeken en romans. Hij kwam de ergste drankzucht en achterdocht te boven toen het vaderschap en zijn artistieke zelfvertrouwen hem aan de resterende haren uit het moeras trokken, zodanig dat hij zich met zijn gezicht - en niet langer met de rug - naar de lezer durfde te wenden. Dit ben ik.

Aangenaam, zegt de lezer, die de ontmoeting met dit singuliere oeuvre, even particulier als universeel, nooit meer vergeet.

Als illustratie bij het korte verhaal maakt René van der Vooren elke week een boekomslag. Van der Vooren is grafisch ontwerper en verzorgt boeken, tijdschriften en brochures.Beeld René van der Vooren

Op zaterdagmorgen na de lessen

Het weer in Haarlem is winderig en guur op zaterdag 23 februari 1991 omstreeks vier uur in de middag. Ik kijk naar de zwarte schoen van mijn nicht, die zelfverzekerd gas geeft en remt, naar haar in zwarte kousen gehulde benen, naar haar zwarte rok en naar haar mooie, gebogen neus.

Ze kijkt me aan.

'Het was goed hè?'

Ik kijk voor me op het asfalt en overweeg wat ik moet antwoorden.

'Het kon niet beter,' zeg ik dan.

Ze zet me af op de Wagenweg, enkele honderden meters van mijn huis. Mijn nicht, toevallig weer ontmoet. Door het toeval gestuurd. Of beter: door het noodlot. Ik steek mijn hand op en loop het Olieslagerslaantje in op weg naar huis. Het is nu de hoogste tijd om mijn brein met Koningswater te benevelen.

Waar is het anders voor.

Het Koningswater.

Mijn brein.

Na de teraardebestelling van mijn leerling, terug in haar ouderlijk huis, staar ik de tuin in als haar grootmoeder voorgaat in gebed. Ik kan niet bidden. De tuin ligt er kaal bij, in tinten van bruin en grijs, van grauw en goor, van dor en dood. Het voedsel dat wij tezamen nog gebruiken is bezorgd in kartonnen dozen met cellofaan deksels. Feestelijke schotels zijn het, van vormhoudend aluminiumfolie, royaal opgemaakt. Dan wil ik naar huis. Mijn nicht brengt me in een luxe zakenautomobiel.

Van de kerk genaamd Moeder van de Verlosser in Haarlem-Schalkwijk naar de Algemene Begraafplaats te Heemstede formeert zich een stoet van enkele kilometers. Om een ongehinderde doortocht te garanderen begeleidt de politie de karavaan van fietsende scholieren en volgauto's; blokkeert zijstraten, zet kruispunten af en leidt het overige verkeer om. Sommige agenten zijn zichtbaar onder de indruk en salueren als de Auto des Onheils passeert. Ze weten waarom het gaat: een meisje van vijftien.

Een invasie van zwijgenden strijkt neer bij de Herfstlaan. De zestig witte rozen die in de kerk door de spelers van De Kaukasische krijtkring op de kist zijn gelegd, worden opnieuw uitgedeeld. Aan de groeve volvoert de pastor het laatste ritueel.

Weer in de aula wacht ik met nog enkele genodigden tot haar ouders en haar jongere broer de honderden handen hebben gedrukt. Ik drink koffie en denk aan mijn leerling in haar donkere kist, haar door de dood al zo mishandelde gelaat. En dan denk ik aan de dader in zijn auto en voel voor de zoveelste keer een vlaag van heftige agressie in mij oplaaien; agressie en wraak, die ik beide echter zal moeten beteugelen.

In België verkoopt men pistolen.

Direct aan het begin van de rouwdienst neem ik nog een van de van tevoren strategisch verstopte halfpilletjes Inderal-40. Ik heb ze op verschillende plaatsen in mijn kostuum gedaan om het angstvisioen te vermijden dat ik dit medicament al tastend in borstzak, zijzak, broekzak of binnenzak niet tijdig zal kunnen lokaliseren.

Er klinkt muziek van Ben Webster, onder de navrante titel: That's all. Er klinkt Keltische muziek, en een koor zingt dat wij aan God de Heer toebehoren. Dan kondigt de pastor mij als spreker aan.

Ik leg mijn tekst op de mij door voorafgaande plaatsopneming bekende lessenaar. Nu komt het erop aan, want net zo belangrijk als de inhoud van mijn woorden is de wijze waarop ze worden voorgelezen. Mijn obsessionele plankenkoorts mag onder geen beding blijken. Geen zweetstort. Geen op hol slaand hart. Geen stoornis in de ademhaling. Het eerste gevaar denk ik te hebben bezworen door abstinentie, het tweede kan ik de baas blijven door in afgemeten zinnen te spreken en met het derde euvel wordt de Inderal-40 verondersteld af te rekenen.

Gedurende mijn hele rede houd ik mijn blik strak gericht op het papier.

Nu we afscheid van je moeten nemen (...)

Vanwege de goede microfoonafstelling hoef ik met slechts weinig volume te spreken en trilt mijn stem onhoorbaar.

Ik had mij voorgenomen mooie woorden te spreken, want het moet vandaag een mooi afscheid zijn, waardige woorden wilde ik zeggen, om dezelfde reden, maar ik beken het je meteen: dat is eigenlijk behoorlijk mislukt.

Misschien zijn ze er wel, die mooie en waardige woorden, maar steeds toen ik bij mijn voorbereidingen in plechtigheden dreigde te vervallen stond jij te glimlachen achter mijn rug. Daarop besloot ik om wat ik te zeggen had zo direct mogelijk te zeggen, zonder omhaal, en toen ik zo begon te formuleren stond je ineens niet meer áchter me maar vóór me en keken we elkaar weer aan.

Bij de pauze die ik nodig heb om een keer vrij te kunnen ademen is het zo stil om mij heen dat het lijkt alsof ik de kaarsen kan horen branden.

Wat zag je aan me?

Dat ik geschokt was?

Ja, ik bén geschokt (...)

In de rand van mijn gezichtsveld verschijnt even een contour van de draagbaar en de kist in het middenpad, van bloemen, van een kaars.

Ik 'kreeg' je pas in de tweede klas, zoals dat in onderwijstermen heet. Daar viel je me in het begin nog niet eens zo op. (...)

Maar daarna ging het snel. Ik kwam erachter hoe bijzonder goed je was en je eindcijfer voor Engels werd dat jaar een tien.

Mijn mondholte begint uit te drogen en ik tracht met mijn tong mijn lippen glad te houden. Op de lessenaar bevindt zich wel het Evangelie maar geen water.

Na 2c kwam 3c; zeilen op De Kaag, weet je nog? (...)

En zo, met de derde klas als achtergrond, vormde zich steeds duidelijker een profiel van je karakter en kwam ook steeds duidelijker naar voren hoe veelzijdig getalenteerd je was.

Achter mijn rug, met haar eigen rug tegen de muur, hangt een beeldje van de Moeder van de Verlosser. Zij souffleert mij niet en dat hoeft ook niet, want ik heb mijn woorden zorgvuldig op papier gezet; evenmin fluistert Zij mij moed in, maar wat belangrijker is: Zij verstoort mijn voorlezing niet en meer verlang ik eigenlijk niet van Haar.

Via 3c naar 4d was je voor mij inmiddels uitgegroeid tot een van die zeldzame leerlingen aan wie je als leraar denkt wanneer het soms nodig is de motivatie voor het leraarschap gaande te houden. Als je soms denkt: waarvoor doe ik het eigenlijk allemaal? Ik geloof dat er vanuit een leraar geen groter compliment naar een leerling toe mogelijk is.

En je wilde nog Engels gaan studeren ook!

Wat een eer voor het Engels!

In enkele storende flitsen zie ik opnieuw haar geschonden gezicht in die open kist in dat zijkamertje in het 'uitvaartcentrum', niet meer schrikvrij te grimeren, alhoewel men zichtbaar zijn uiterste best had gedaan. Ik ga van de ene voet op de andere staan en zet me schrap voor het laatste gedeelte van mijn toespraak.

Boven het bord in lokaal 7 hangt, op een ereplaats, een portret van de dichter Dylan Thomas. (...) Die poster heb je dus wel vaak gezien, maar aan de behandeling van zijn werk waren we nog niet toegekomen.

Ik wil je nu slechts twee regels voorlezen uit een van zijn mooiste gedichten, waarin hij de dood in essentie kenschetst. De dood weliswaar als verwoester, maar zonder rijk, als stukmaker, maar zonder heerschappij:

Though lovers be lost love shall not

And death shall have no dominion

Ik spreek het laatste woord met veel nadruk uit en met vier lettergrepen in plaats van drie, zoals Dylan Thomas het zelf doet op een grammofoonplaat.

Ik vond deze regels zo toepasselijk, want nu wij afscheid van je moeten nemen, omdat de dood je lichaam heeft weggenomen, nestel je je voor altijd in ons hart en in onze herinnering.

's Morgens begeef ik me te voet naar haar ouderlijk huis. Lopen lijkt me passender; bovendien is mijn auto erg vies en ben ik te lusteloos om hem te wassen. Ik steek dwars de Hout door waar de wind giert in de kale, piepende takken. Als je niet goed kijkt lijken de bomen dood, maar dat zijn ze niet. Ze hebben nu alleen maar een dode gedaante. Als je wel goed kijkt lijken ze levend, maar dat zijn ze ook niet.

Plotseling sta ik voor het Spaarne. Verkeerd gelopen. Onbewust? Bewust? Het water is in wilde beroering en smijt het licht alle kanten op. Ik kijk op mijn horloge. Heb nog wel even om ervan te genieten.

Nog juist voor de rouwauto's kom ik aan, word voorgesteld aan de naaste familieleden en vrienden. Met een kop zwarte koffie in mijn hand loop ik naar het diepste gedeelte van de kamer en neem ongemerkt mijn eerste Inderal-40.

In de namiddag van vrijdag 22 februari blijkt mijn nieuwe kostuum inderdaad klaar te hangen.

Die avond als ik aankom bij het 'uitvaartcentrum' aan de Zijlweg zie ik voor het eerst hoe druk het zal worden op de begrafenis. Het gebouw krioelt van licht en leven, op een onwezenlijke manier. Zwijgende mensen gaan en komen. Hun gezichten ernstig, hun stemmen stil of fluisterend. Het dichtslaan van autoportieren is het overheersende geluid. Motoren starten bedeesd.

Binnen in een soort hal zie ik veel jonge mensen. Sommigen staan omarmd of met hun voorhoofden tegen elkaar aan. De ouderen hebben wat meer gêne en ook wat meer ervaring. Ik zie mijn nicht, die me namens de ouders vraagt of ik morgen wat vroeger wil komen, zodat we voor de rouwdienst samen nog wat kunnen praten en koffiedrinken.

Dan zie ik mijn leerling dood in haar kist.

Ik schrik.

Op woensdag 20 februari zie ik haar kamer. Na afloop van een bespreking omtrent de gang van zaken tijdens de rouwdienst, de begrafenis en het samen eten nadien.

Ik kijk naar een aantal voorwerpen die deel uitmaakten van haar leven: een saxofoon in een kist, de grijze hoed die ooit van haar grootvader is geweest, schrijfgerei op een groot werkblad voor het raam, haar bed met al haar dromen, boeken, een ingelijst contract betreffende haar zakgeld, grote posters van de popgroep U2. Het is een eenvoudige kamer, maar hij is precies goed. Het is de kamer van mijn dochter, als ik die zou hebben.

De dag na haar overlijden belt haar vader me op. Of ik iets in de kerk wil zeggen.

Nog juist voor sluitingstijd betreed ik een gerenommeerde kledingzaak aan de Grote Markt.

Op maandagmiddag 18 februari 1991, om 13.00 uur, overlijdt mijn leerlinge Saskia van den Mosselaar in het Academisch Ziekenhuis te Leiden.

Acht dagen eerder, op zondag 10 februari, fietst ze alleen van school naar huis. Het is omstreeks zes uur. Ze heeft zojuist een repetitie gedaan voor het toneelstuk De Kaukasische krijtkring van Berthold Brecht. De schemering is nog niet ingetreden. Het zicht is goed. Bij het kruispunt Dreef-Spanjaardslaan steekt ze over. Het voor haar bestemde verkeerslicht staat, volgens latere getuigenverklaringen, op groen.

Als ik op zaterdag 9 februari, om tien over half twaalf, de kast in het verlaten lokaal sta te ordenen, merk ik hoe een donkerblauw gevoel van somberheid me begint te doorstromen. Ik weet wat het is. Het komt steeds vaker voor. Het is de Twijfel. Het is de kleur van Koningswater, de kleur van de Melancholie. Het is de kleur die hoort bij de vraag: waar ís het voor? De kleur die hoort bij alle onbeantwoordbare vragen. Het is de kleur van de Onrust, maar ook de kleur van de Lethargie. Het is de kleur, uiteindelijk, van Avalon. De kleur van wazige, blauwe mistflarden, die als sluiers hangen boven koele meren en vochtige velden, de horizonloze leegte...

Ik heb de deur van het lokaal half open want ik wil weg.

Dan staat ze plotseling naast me.

Op haar blonde krullen draagt ze haar grijze hoed; die houdt ze ook op in de les.

Ze lacht breed.

'Wat moet jíj hier, lellebel', zeg ik op de goede toon en kijk haar fronsend aan.

Ze komt me nog even gedag zeggen.

Op haar manier dan.

Dat doet ze vaker, op zaterdag na de lessen.

'Wil je nog weten wie het was?', vraagt ze uitdagend.

'Wie? Die viespeuk?'

'Ja, natuurlijk...'

'Het zal Prince wel weer zijn', zeg ik schamper, terwijl ik op mijn hurken zak om wat mappen te rangschikken.

'Prince? Hoe kom je dáár nou bij...'

Ze zegt 'je', omdat ze dat stoer vindt. Het amuseert me.

In een idioomtest had ze een zin moeten bedenken met het werkwoord: to be up to. Hetgeen toen werd: 'When we were riding his Harley again, I told my biker not to tell anyone what we had been up to, as he was twenty years my senior. He turned to me and smiled with his irresistable Fatal Charm.'

Op het spelfoutje in irresistible na een syntactisch en idiomatisch foutloze zin, maar met een onmiskenbaar scabreuze inhoud. Ik had het er dus niet bij laten zitten en haar in een onder het proefwerk geschreven commentaar ten strengste verboden zich nog verder af te geven met dergelijk motortuig.

Maar een meisje van vijftien laat zich haar spannende fantasieën niet zomaar afnemen, zodat ze er na lezing van mijn reactie nog een schepje bovenop had gedaan met de mededeling dat het hier toevallig niet ging om tuig, maar om een internationaal vermaarde rockster.

'Je bent gewoon een sloerie, weet je dat', voeg ik haar nu toe. 'En wij ons hier op school maar uitsloven om wat van je te maken.'

Ze geniet waarneembaar van dit spelletje.

'Billy Idol...'

'Wát zeg je?'

Ze haalt nonchalant haar schouders op en geeft me dezelfde dreun nog een keer.

'Het was Billy Idol.'

'Oh my Gód...', breng ik nog uit.

'Ja, hij is wel nep natuurlijk,' zegt ze dan jennerig, 'maar hij heeft zo'n onwijs mooie motor.'

Ik druk me met mijn handen op mijn knieën moeizaam op en schud verslagen mijn hoofd.

'Hoe... is... dit... mógelijk...', verzucht ik. 'Die náám alleen al.'

Ze heeft me nu precies waar ze me hebben wil.

Haar ogen fonkelen.

Ze prikt me met haar wijsvinger in mijn buik en geeft me vervolgens de genadeslag:

'En hij heeft ook zo'n lekker békkie, vind je niet...'

Ik hoor haar lachen op de gang.

Dan is ze weg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden