Wie weet nog wat er waar is?

Terugblik op 2017: nepnieuws

Desinformatie, complottheorieën, fake news: wat doen die om zich heen grijpende verschijnselen met het maatschappelijke debat? De Volkskrant liet het onderzoeken.

De journalist van de lokale krant probeerde zo goed en zo kwaad als het ging een bericht te schrijven over 'de situatie', waarover een oudere man tijdens de gemeenteraadsvergadering opheldering had gevraagd. De man had gesproken over een 5-jarig meisje en een stel jonge moslimmannen: 'Ik denk dat het om verkrachting gaat.' Zoals gebruikelijk bij minderjarigen wilden de autoriteiten niet veeel prijsgeven. Toch wist de journalist een en ander boven water te krijgen: in het washok van een appartementencomplex waren een meisje van 5 en twee jongens van 7 en 10 deels ontkleed aangetroffen. De jongen van 7 had ontucht gepleegd met het meisje, de jongen van 10 had met de geleende telefoon van zijn oudere broer een filmpje gemaakt. De jeugdige daders waren opgepakt en hadden een vluchtelingenachtergrond.

Dit stond in een van de eerste op feiten gebaseerde berichten over de 'situatie' in Twin Falls, een stadje in Idaho met 45 duizend inwoners. Intussen - in de zomer van 2016 - was er ook een parallelle informatiestroom op gang gekomen, waarbij de feiten van onderschikt belang leken. Facebookpagina's meldden dat een 5-jarig, wit meisje slachtoffer was van een groepsverkrachting van Syrische vluchtelingen onder bedreiging van een mes. De gemeente en de politie zouden het misdrijf onder de pet willen houden.

Eerst namen obscure anti-moslimblogs deze berichten over, daarna werd het opgepikt door alternatieve radicaal-rechtse media met een groot bereik, zoals Breitbart - toen nog aangestuurd door Steve Bannon, die kort daarop de campagne voor Trump zou gaan leiden.

De details werden steeds wilder. Er zou over het slachtoffertje zijn geürineerd, jihadisten van IS waren in Twin Falls gearriveerd en de burgemeester was een 'sharia supporter'. De sfeer werd steeds grimmiger. Feitelijke tegenwerpingen (er was geen verkrachting, er was geen mes, het ging om kinderen, het ging niet om Syriërs, er waren niet eens Syrische vluchtelingen in Twin Falls, het ging om jongens afkomstig uit Irak en Soedan) stuitten op een muur van achterdocht en leken het verhaal over een doofpot alleen maar te voeden. Wie onwaarheden corrigeerde, zoals de burgemeester, de politiechef en de lokale krant, kon rekenen op hatelijkheden en erger: bedreigingen.

De gebeurtenissen in Twin Falls maken duidelijk hoe nepnieuws concreet ingrijpt in mensenlevens, blijkt ruim een jaar later uit een gedetailleerde reconstructie door The New York Times ('Hoe nepnieuws een klein stadje op zijn kop zette'). In breder verband laat het verhaal zien hoe opvattingen door valse berichten kunnen veranderden. Zo kelderde het jaar erop het aantal donaties voor een vluchtelingencentrum in Twin Falls. Landelijk grepen radicaal-rechtse media met een miljoenenpubliek artikelen met koppen als 'Syrische vluchtelingen verkrachten klein meisje' aan om een verband tussen moslimvluchtelingen en seksueel geweld aan te tonen.

De gevolgen zijn nooit meer terug te draaien, vertelde The New York Times-journalist eind september in een podcast over haar reconstructie. 'Dat is het enge van nepnieuws. Het speelt in op de onderbuik en angst, het blijft hangen.'

Propaganda

Ook al was 2017 het jaar dat het woord 'nepnieuws' voortdurend in het echte nieuws opdook, een duidelijker effect van nepnieuws op het maatschappelijk debat dan de gebeurtenissen in Twin Falls is nauwelijks te vinden. Vaker viel het gebrek aan voorbeelden op. Toen minister Kajsa Ollongren van Binnenlandse Zaken in november waarschuwde voor de dreiging van desinformatie voor de democratie - ze wees vooral op de beïnvloeding uit Rusland - viel hoon haar ten deel. Waarom kon zij geen concrete voorbeelden van beïnvloeding door nepnieuws geven?

Een van de problemen van nepnieuws is dat de term een containerbegrip is geworden. Dat bleek een jaar geleden al, toen de term in zwang raakte en lezers van deze krant zich ineens over nepnieuws beklaagden. Een domme rekenfout, een slecht onderbouwde mening of 'het framen' van een politicus: het was allemaal 'nepnieuws'. Dit is ook in andere landen het geval, blijkt uit een recente studie van het Reuters Instituut. Gevraagd naar voorbeelden van nepnieuws noemden de respondenten vaker slechte journalistiek, propaganda en misleidende advertenties dan klassieke nepberichten.

Strikt genomen betekent nepnieuws het fabriceren van nepinformatie met de intentie de nieuwsconsument te misleiden om een commercieel of politiek doel te bereiken. Maar de Amerikaanse president gebruikt de term om kritische journalisten weg te zetten, complotdenkers ontwaren het haast overal en nieuwsconsumenten maken geen onderscheid tussen doelbewuste misleiding en journalistieke blunders. Laat staan dat media zelf consistent zijn in hun definiëring.

Omdat eigenlijk niemand meer weet wat er precies met 'nepnieuws' wordt bedoeld, pleiten wetenschappers voor nieuw vocabulaire. In een studie naar informatievervuiling, in opdracht van de Raad van Europa, spreken onderzoekers van First Draft News onder meer over 'misinformatie' (foutieve informatie die niet ten doel heeft schade te berokkenen) en 'desinformatie' (foutieve informatie die doelbewust wordt gemaakt om personen, sociale groepen, organisaties of landen te schaden).

Bij desinformatie kan het om ware informatie gaan die bewust in een verkeerde context is geplaatst. Of om een bestaande foto die is gemanipuleerd, of de imitatie van een bron. Zo ging tijdens de Franse verkiezingen een replica rond van de Belgische krant Le Soir met een nepbericht over Emmanuel Macron. Saoedi-Arabië zou de kandidaat financieren.

'Desinformatie' is het woord nepnieuws overigens al voorzichtig aan het verdringen. In haar Kamerbrief schreef Ollongren evenmin 'nepnieuws': de beïnvloeding omvat 'de integrale, veelal heimelijke inzet van (drog)argumenten, selectieve informatie en desinformatie (omtrent politiek gevoelige thema's)', om 'politieke doeleinden richting een vooraf bepaald publiek' te realiseren.

Die politieke beïnvloeding gebeurt dus niet alleen met honderd procent gefabriceerd nieuws uit fabrieken met Russische trollen, maar ook met berichten die belangrijke informatie weglaten, een onjuist element toevoegen of een redenering optuigen die niet klopt maar wel aannemelijk lijkt. Meestal gaat het om politiek gevoelige thema's - vluchtelingen, Europa, terrorisme - waarbij desinformatie tot doel lijkt te hebben groepen te polariseren. Daarbij is de scheidslijn tussen desinformatie en sterk politiek gekleurd nieuws soms uitermate dun.

Zo bezien is het niet zo vreemd dat Ollongren moeite had met het geven van concrete voorbeelden (ze noemde alleen een gefingeerde website in Rusland die desinformatie over MH17 bevatte). Met een volledig nepbericht rijdt de minister niet snel een scheve schaats, daarna wordt het glad ijs. Kritische vragen laten zich raden: wil de minister soms bepalen wat 'waar' en 'onwaar' is? Daar dreigt het hellend vlak van opinie en censuur.

Verspreiding

Hoe desinformatie wordt verspreid, daar is steeds meer zicht op. Facebook overhandigde de Amerikaanse Senaat dit najaar gegevens waaruit bleek dat liefst 126 miljoen van zijn gebruikers in de VS berichten hadden gezien van een Russisch bedrijf gelieerd aan het Kremlin. Uit een studie van BuzzFeed News bleek eind vorig jaar dat nepnieuws - en dan vooral pro-Trump-nepnieuws - de laatste drie maanden van de campagne een groter bereik had dan echt nieuws.

Hoe nieuwsconsumenten daarop reageren, laat zich lastiger meten. Verspreiding is iets anders dan invloed, constateren wetenschappers van de Amerikaanse universiteiten Stanford en New York. Ja, ook zij zagen een enorme verspreiding van desinformatie tijdens de verkiezingscampagne: 115 pro-Trump-nepberichten die op Facebook 30 miljoen keer waren gedeeld, tegenover 41 pro-Clinton-nepstukjes die 7,6 miljoen keer waren gedeeld. Toch concludeerden zij dat de nepartikelen amper een meetbare invloed hadden op de verkiezingsuitslag. Zo zei slechts 14 procent van het electoraat zijn stem te baseren op sociale media en kon de gemiddelde volwassene zich bar weinig nepberichten herinneren.

Een gedegen onderzoek - het zegt alleen niets over het mogelijke onbewuste effect van desinformatie. Blijft er niet iets hangen dat sluipenderwijs de meningsvorming beïnvloedt? Kunnen feiten en onwaarheden die eerst als zodanig worden herkend later niet alsnog samensmelten tot een grijze brij in het hoofd? Een rondgang op de Volkskrant-redactie leert dat journalisten vaak niet eens meer weten waar ze precies iets hebben gelezen. Let wel: het gaat hier om professionele nieuwsjunkies.

Volkskrant-experiment

Hoe werkt dat bij de gemiddelde nieuwsconsument? Hoe kijken Nederlanders aan tegen desinformatie? Welke bronnen vinden ze betrouwbaar? Kunnen ze nep van echt onderscheiden? Laten ze zich erdoor beïnvloeden en wat is het effect op het maatschappelijke debat? De Volkskrant zocht antwoorden en heeft I&O Research gevraagd een representatief onderzoek uit te voeren. Dat heeft twee componenten: een klassieke enquête (respondenten is gevraagd stellingen te beantwoorden) en een experiment om het effect van desinformatie op de meningsvorming te peilen.

Nederlanders blijken zich zorgen te maken over desinformatie. Liefst 82 procent noemt dit een bedreiging voor het functioneren van onze democratie en rechtsstaat. Tweederde van de Nederlanders is het met minister Ollongren eens dat de Russen met nepnieuws de democratische rechtsgang rond de toedracht van het neerhalen van MH17 proberen te beïnvloeden. Er staat tegenover dat een op de vijf Nederlanders denkt dat de Nederlandse regering meewerkt aan een doofpot over MH17.

Of het geloof in een doofpot rechtstreeks is toe te schrijven aan desinformatie, is niet duidelijk, zegt Peter Kanne van I&O Research. Wel blijkt zonneklaar dat aan alles wordt getwijfeld. Bijna eenderde van de Nederlanders zegt tegenwoordig vaak niet meer te weten wat waar is en wat onwaar. En slechts 29 procent zegt volmondig echt nieuws van nepnieuws te kunnen onderscheiden. Die verwarring geldt vooral voor lageropgeleiden: 40 procent zegt tegenwoordig niet te weten wat waar is en wat onwaar, onder hogeropgeleiden is dat 23 procent. En slechts 19 procent van de lager opgeleiden is ervan overtuigd nepnieuws te kunnen herkennen, tegenover 41 procent van de hoger opgeleiden.

Een meerderheid gelooft de traditionele media wel, maar ook hier tekent zich een opleidingskloof af. Dit sluit overigens naadloos aan bij de bevindingen van het CBS, dat jaarlijks het vertrouwen in medemensen en organisaties onderzoekt. In 2016 had 31,2 procent van de Nederlanders vertrouwen in de pers, ongeveer evenveel als in de kerk. Maar het vertrouwen groeit vrijwel in alle categorieën naarmate het opleidingsniveau stijgt - zo neemt het vertrouwen in de pers met 12 procentpunten toe.

Obscure blogs

Dat desinformatie tot verwarring leidt, blijkt op microniveau ook uit het experiment. Met alle mitsen en maren, want wat de uiteindelijke effecten zijn op het maatschappelijk debat is op basis van dit onderzoek niet te zeggen, stelt Kanne.

Het experiment is als volgt opgezet: de ruim 2.400 respondenten zijn onderverdeeld in vier ongeveer even grote groepen, waaronder één controlegroep die alleen vragen over mediagebruik en stellingen kreeg. De andere drie groepen kregen steeds andere berichten voorgelegd over vier onderwerpen: de relatie tussen vaccins en autisme; de ramp met de MH17; de relatie tussen asielzoekers en verkrachtingen; en Sylvana Simons en discriminatie. De berichten varieerden van meer tot minder traditionele bronnen, waaronder obscure blogs die onwaarheden verspreiden en een satirische site.

Na elk bericht kregen de respondenten de vraag of hun mening over het onderwerp was veranderd. Dat bevestigde, zoals verwacht, slechts 1 tot maximaal 3 procent. Uit de desgevraagde toelichting blijkt dat veel van deze mensen berichten met desinformatie letterlijk namen. 'Hoe meer vluchtelingen hoe meer verkrachtingen', schreef er een nadat hij een bericht met onjuiste informatie over asielzoekers en verkrachtingen in Zweden had gelezen. Een ander reageerde op een satirisch stukje over Sylvana Simons, waarin zij zogenaamd het afschaffen bepleit van het zwarte scheidsrechterstenue: 'Kan Sylvana niet in een ander land gaan zeuren over nonsens, zwart is geen slavernij, het is een kleur.'

Verreweg de meeste mensen zeggen hun mening op basis van één berichtje niet te wijzigen. Maar later, als ze over dezelfde onderwerpen worden bevraagd met stellingen, blijken ze meer in de lijn van het gelezen bericht te antwoorden dan de controlegroep. De verschillen in opvattingen zijn soms beduidend groter. Zo dacht 14 procent van de mensen die een stukje van GeenStijl had gelezen dat de MH17 is neergehaald door een Oekraiense straaljager, tegenover 4 procent van degenen die hierover een bericht van NRC hadden gelezen. De gangbare theorie - bevestigd door het team dat het strafrechtelijk onderzoek leidt - luidt dat de MH17 is neergehaald door een BUKraket uit Rusland. Overigens werd in het GeenStijl-bericht niet gezegd wie de MH17 neerhaalde, maar werd wel gesproken van 'aantoonbare desinformatie van de zijde van de Rutte-regering'.

Berichten over een sterke relatie tussen asielzoekers en verkrachtingen zorgen er in het onderzoek voor dat men er vaker aan twijfelt of asielzoekers even vaak of vaker crimineel zijn. Artikelen over de vaccinaties en autisme worden niet letterlijk geloofd, maar zaaien wel twijfel over de betrouwbaarheid van de vaccinaties die door het RIVM worden voorgeschreven. In een factcheckbericht van de Volkskrant wordt op de vraag 'Krijg je autisme van BMR-vaccinatie?' onomwonden nee geantwoord. Van deze groep stelt 67 procent het oneens te zijn met de stelling dat 'vaccinaties die op jonge leeftijd toegediend worden, autisme kunnen veroorzaken' - terwijl 49 procent van de controlegroep het daarmee oneens is.

Lezers van een bericht met anti-vaccin-informatie kozen vaker het vakje 'eens noch oneens' (17 procent) dan degenen die de factcheck van de Volkskrant lazen (10 procent). Kennelijk sijpelt zo'n bericht toch door, stelt Kanne. 'Als je mensen rechtstreeks vraagt of ze worden beïnvloed door de berichten, antwoorden ze nee. Maar intussen zien we wel dat het gebeurt.'

Tegelijkertijd waakt hij voor stevige conclusies. In werkelijkheid worden mensen blootgesteld aan grote, vaak tegenstrijdige stromen nieuws. Voorts is er gebruikgemaakt van obscure bronnen waarmee veel mensen nooit in aanraking zullen komen. 'Wat we wel weten, is dat de verschillen in standpunten alleen kunnen worden verklaard door de berichten. Dat laat de controlegroep zien. Alleen weten we niet precies welk element in het bericht of van de bron het effect verklaart, en hoe groot of sterk de beïnvloeding is en hoe lang die duurt.'

Peter Burger, docent en coördinator van nieuwscheckers.nl aan de Universiteit Leiden, heeft grote bedenkingen bij het experiment (niet bij de enquêteresultaten). Hij mist een gedegen hypothese en de geconstateerde effecten doen hem denken aan een 'fishing expedition' omdat ze niet overal sterk aanwezig zijn. Daarnaast vindt hij de willekeurige verdeling van de groepen niet reëel. 'In het echte leven zoeken mensen bepaald nieuws op, zeker de groep die geïnteresseerd is in de meer obscure blogs. Die zijn bij een betrekkelijk klein publiek bekend.' Burger had een nabootsing van een filterbubbel beter gevonden, al spreekt hij liever van 'deelpubliek'.

Een stuk positiever is politicoloog en hoogleraar communicatiewetenschap Rens Vliegenthart van de Universiteit van Amsterdam. 'De verschillen tussen de groepen is een aantal keer substantieel. De effecten zeggen wel degelijk iets over hoe het mechanisme van beïnvloeding zou kunnen werken.' Interessant vindt hij ook het 'derdepersooneffect'. Vliegenthart: 'Mensen zeggen: de invloed van nepnieuws op anderen is veel groter dan op mezelf. Intussen blijken zij ook veel minder resistent te zijn.'

Verzuiling

Uit vrijwel alle onderzoeken naar desinformatie blijken filterbubbels en echokamers een bron van zorg. Nu steeds meer mensen hun nieuws online halen, stijgt de kans op sterk gepersonaliseerd nieuws. Aangejaagd door algoritmen hoeft men niet meer zelf op zoek naar informatie die hun beeld bevestigt, die komt naar hen toe. In het slechtste geval veroorzaakt dit een nieuwe vorm van verzuiling die polarisatie in de hand werkt.

Desinformatie gaat volgens Burger vooral rond bij een 'deelpubliek' aan de uiterste rechterkant. De Nederlander die zich online in een heel ander sociaal netwerk begeeft, zal er volgens hem niet snel mee in aanraking komen. Er zijn ook wetenschappers, onder meer aan de Universiteit van Amsterdam, die poreusheid ontwaren in de wanden van de filterbubbels. Geen enkele informatiecocon is volgens hen absoluut, mensen zullen altijd in aanraking komen met enige vorm van diversiteit en andere meningen.

Desinformatie kan dus ook uit de filterbubbel ontsnappen, niet in de laatste plaats doordat de traditionele media de brug neerlaten. Het vermeende verband tussen de hoge instroom van asielzoekers en hoge verkrachtingscijfers in Zweden ging aanvankelijk vooral rond op alt-rightsites, maar werd internationaal nieuws toen eerst Trump eraan refereerde ('Kijk eens wat er gisteravond in Zweden gebeurde') en daarna UKIP-leider Nigel Farage, die 'Zweden de verkrachtingshoofdstad van Europa' noemde (wat als nepnieuws is bestempeld door de factchecksite snopes.com). De reconstructie in Twin Falls laat eveneens zien dat nepinformatie in eerste instantie binnen de anti-moslimbubbel werd gedeeld, maar dat het uiteindelijk een heel stadje ontwrichtte.

Er zijn meer aanwijzingen dat desinformatie buiten de oevers van het eigen gelijk treedt. Zo trekt het RIVM 2 miljoen euro uit voor voorlichting over het rijksvaccinatieprogramma, omdat deelname voor het derde jaar daalde met 0,5 procent. Het RIVM wil weten hoe dat kan; een van de aannamen is beïnvloeding door onjuiste informatie op internet.

Dit soort indicaties vormen geen bewijs dat desinformatie het maatschappelijk debat op grote schaal beïnvloedt, wel dat er een effect is. Hoewel de complexiteit en impact nog niet duidelijk zijn, worden in binnen- en buitenland tegenmaatregelen genomen. Deze week kondigde Ollongren een anti-nepnieuwspact aan, ze wil onder andere meer informatie uitwisselen met Facebook, Twitter, Google en Microsoft. Ze is bijvoorbeeld enthousiast over nieuwscheckers.nl van Peter Burger en Alexander Pleijter aan de Universiteit Leiden, dat Facebook helpt met het bestrijden van nepberichten.

Dit soort oplossingen moedigen Claire Wardle en Hossein Derakhshan, die in opdracht van de Raad van Europa het rapport over informatievervuiling schreven, ook aan. Tegelijkertijd zal met alleen fact-checken en ontmasker-initiatieven de strijd tegen nepnieuws niet worden gewonnen, constateren ze. Dat miskent de emotionele en rituele elementen van dit soort desinformatiecampagnes. Hoewel factchecks indruk maken en mensen richting de waarheid duwen, blijken sommigen, zoals veel Trump-kiezers, er aardig immuun voor te zijn, verklaren onderzoekers in het artikel 'Trump-supporters weten dat Trump liegt. Het maakt ze alleen niet uit' in Vox (10 juli 2017).

Wardle en Derakhshan zien veel heil in counter-verhalen. Geruchten en samenzweringen moeten worden bestreden met boeiende en krachtige vertellingen die gebruikmaken van dezelfde technieken als producties met desinformatie, schrijven ze. Als voorbeeld noemen ze het gerucht dat oud-president Obama een moslim zou zijn. In plaats van hardnekkig te tamboereren op het feit dat 'Obama geen moslim is', is het veel effectiever om een beeldend verhaal te brengen van Obama die met zijn gezin naar zijn plaatselijke christelijke kerk gaat.

Net als het nepnieuws uit Twin Falls blijft een sterk tegenverhaal misschien eveneens hangen. In die zin biedt het experiment van I&O en de Volkskrant ook hoop, al is het een wetenschappelijk ongefundeerd lichtpuntje. Mensen denken dat ze niet worden beïnvloed, maar intussen gebeurt het toch.

Het volledige onderzoek: ioresearch.nl


Verantwoording

Voor een antwoord op de vraag 'wat de mogelijke invloed is van desinformatie en complottheorieën op het maatschappelijke debat?' deed I&O Research een experiment met een 'split run'-techniek. Hierbij wordt de steekproef willekeurig in vieren gedeeld. Het werden vier matched samples van circa 600respondenten, aselect toegewezen aan een groep. Zo moeten verschillen tussen de groepen een effect zijn van het voorleggen van verschillende stimuli (in casu berichten). Een kwart (de controlegroep) kreeg geen berichten voorgelegd. Drie groepen kregen cases in een bepaalde variant (in niveaus van reguliere dan wel alternatieve media), waarna ze dezelfde vragen beantwoordden over de geloofwaardigheid van het bericht, of het ze van gedachten deed veranderen, en hoe. Daarna is hun verteld wat de bron was en is gevraagd naar de betrouwbaarheid van deze bron. Tot slot volgden stellingen over het onderwerp.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.