ColumnSylvia Witteman

Wie met griep op bed ligt, kan beter niet Stephen King lezen

Als er weer eens een nieuw, gemeen virus het lelijke kopje opsteekt, denk ik altijd even aan die goeie ouwe Stephen King. Ik houd veel van Stephen King, al begrijp ik zelf niet helemaal waarom.

Hij vervalt bijvoorbeeld nogal eens tot ‘fantasy’, een genre waar beslist Gods zegen niet op rust. Ook zijn de eindes van zijn boeken notoir slecht. Dan heb je daar als lezer honderden pagina’s lang je uiterste best gedaan om je te laten meevoeren op die beruchte suspension of disbelief, je begrijpt helemaal hoe al die ingewikkelde duistere krachten precies op elkaar inwerken, en ja hoor, daar komt Stephen weer aankakken met de een of andere totaal ongerijmde deus ex machina: een reusachtige spin bijvoorbeeld, die ze dan maar op goed geluk met zijn allen doodslaan (reken maar dat er een hoop smerige details aan te pas komen) en klaar is kees.

‘Zo, en nu lees ik je écht nooit meer, Steve’, zeg ik dan telkens. Maar ja, dergelijke praatjes houdt men ook tegen frikandellen en flessen wodka, en u weet hoe dát pleegt af te lopen.

In 1978 schreef King The Stand. Er komt per ongeluk een gemuteerd griepvirus uit een geheim ondergronds laboratorium vrij. Alle medewerkers worden door het systeem automatisch ingesloten, maar één beveiliger weet met zijn vrouw en kind te ontsnappen, besmet met dat virus waar 99,4 procent van de wereldbevolking geen afweer tegen heeft.

Een paar pagina’s verderop ligt ‘patient zero’ omstandig te sterven, paars aangelopen, met liters slijm, ontplofte oogbollen, et cetera: laat dat maar aan Steve over. Nog een paar pagina’s verder begint iedereen in het stadje omineus te niezen en te hoesten.

Spoiler alert: bijna iedereen gaat dood, op spectaculair onsmakelijke wijze bovendien. Er zitten heerlijk beangstigende scènes bij, die file in die tunnel bijvoorbeeld is me altijd bijgebleven. Maar goed, er blijven dus een paar mensen leven, goede én slechte, want anders is er natuurlijk niks aan. Een zwanger meisje. Een one-hit-wonderpopster. Een doofstomme zwerver. Een huisvrouw. Een professor in de sociologie. Een hond. (Alle andere honden sterven, maar katten zijn immuun!) Zo blijft 0,6 procent van de wereldbevolking over, op de puinhopen van de menselijke beschaving.

Tot dusver is het boek weliswaar onwaarschijnlijk, maar beslist niet ongeloofwaardig. Ik las het boek toen ik met griep te bed lag, dus dat kwam hard aan. In mijn koortsdromen schreef ik zelf verder aan The Stand: de overlevers zouden saamhorig een voortreffelijke nieuwe maatschappij stichten met heel veel gezelligheid, muziek, lekker eten, schattige baby’s, inschikkelijke katten en nooit meer oorlog.

Toen ik weer wakker werd, las ik verder, en moest met lede ogen toezien hoe Stephen King toch al weer gauw lelijk begon te ontsporen, met telepathisch gedoe en andere onzin. Het Kwaad wordt belichaamd door ene Randal Flagg (‘He looks like anybody you see on the street. But when he grins, birds fall dead off telephone lines. When he looks at you a certain way, your prostate goes bad and your urine burns. The grass yellows up and dies where he spits’) en het Goed door de 108 jaar oude, wijze zwarte vrouw Mother Abigail die werkelijk het tot op de draad versleten cliché is van de Wijze Oude Zwarte Vrouw (‘you’re here to do Gods will, child, just like everyone else’) en die twee zitten elkaar natuurlijk voortdurend (telepathisch) dwars, zowat duizend pagina’s lang.

Ik heb geen idee meer hoe het afliep, en dat is waarschijnlijk maar goed ook.

Maar wat ik zeggen wou: wie met griep ligt, kan misschien beter wat anders lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden