Kunst Volgens Pontzen

Wie kunst wantrouwt, tuimelt misschien in een zwart gat

Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Rutger Pontzen, Herien Wensink, of Nell Westerlaken stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.

Beeld Berto Marinez

Stelling - Kunst laat zien: ongeloof en wantrouwen komen voor de val.

Kunstenaars zijn charlatans. Ze schotelen je van alles voor wat niet klopt. Ze verkopen je knollen voor citroenen. Doen ingewikkeld over schilderijen die mijn zoontje of dochtertje van 3 ook kan maken. Het is als met de kleren van de keizer: ik trap er niet meer in en geef er mijn geld niet meer aan uit. 

Als je sommige uitspraken mag geloven, zijn ongeloof en wantrouwen vaste reacties bij een ­bezoekje aan een museum voor moderne kunst.  

Ongeloof en wantrouwen moeten in elk geval de Italiaanse bezoeker aan het Fundação de Serralves, het museum voor eigentijdse kunst in de Portugese stad Porto, eigen zijn geweest. De anonieme zestiger stond afgelopen week aan de rand van Anish Kapoors kunstwerk ­Descent into Limbo en dacht: dit kan toch niet waar zijn? De kunstenaar zegt dat hij een zwart gat in de vloer heeft gemaakt. Maar ik zie alleen een zwarte vlek.

Daarna stak hij zijn teen in het kunstwerk en tuimelde de diepte in. Zo moet het zijn gegaan. Een wanhoopspoging om de geloofwaardigheid van werk en maker te peilen. Met een dood­smak als gevolg. Dat komt ervan als je ongeloof en wantrouwen tot leidend beginsel maakt.

Het gaat inmiddels weer goed met de man. Hij zou snel uit het ziekenhuis worden ontslagen.

Kunst schurkt blijkbaar tegen de grenzen van het vertrouwen aan. Dat komt door de verbeelding. Verbeelding is een onzekere factor. Het haalt alle vaste grond onder je voeten vandaan – soms ook letterlijk. Verbeelding schotelt je een wereld voor die niet echt bestaat, maar die er wel is. Precies: in je hoofd. Imaginair, en toch reëel. Je zintuigen worden op de proef gesteld. 

Het is een wereld waarvoor je open moet staan. 

Misschien was dat wel mijn grote ergernis bij het zien van de laatste Zomergast, minister van Economische Zaken en Klimaat Eric Wiebes. Niet zozeer dat hij een vergelijking maakte tussen een kunstenaar en een loodgieter. En daarbij  de eerste wegzette als een elitaire hobbyist die bovendien zwaar wordt gesubsidieerd, en de laatste als een armlastige zelfstandige die moeizaam het hoofd boven water probeert te houden. 

Ik was ook niet geërgerd (wel beduusd) dat hij voor de herdenkingsbijeenkomst voor de gestorven Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan nog nooit in het Concertgebouw was geweest. 

Wat mij ergerde was de ondertoon in zijn hele verhaal. Van iemand die enkel in economisch nut denkt. Die meent dat alles een doel moet hebben. ­Iemand die rekenmodellen erop nahoudt. Meetbare zekerheden wil vinden. 

Iemand die Pippi Langkous (‘twee maal drie is vier’) rekenles wil geven. 

Iemand die kokketeert met ideeën over idealisme, maar de verbeelding verifieerbaar wil maken. Die openheid en vernieuwing nastreeft en ondertussen alles naar een punt op de horizon redeneert. Die alleen van kunstenaars houdt als hun naam met Rembrandt begint en met Van Rijn eindigt. Iemand die de onzekerheid wantrouwt.  

Zo iemand dus. Iemand die zijn teen in het zwarte gat van Kapoor steekt om te zien of het echt is – en er waarschijnlijk ook in zal vallen.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.