Wie is Bob Dylan?

Tijdens een autoritje in de zomer van, naar we mogen aannemen, 1967 wil gitarist Robbie Robertson van Bob Dylan weten waar hij de whole music scene naartoe zal voeren. Whole music scene? Dylan is verbijsterd. Weet hij veel. Het kan in elk geval niet ver genoeg van hem vandaan zijn. 'Ik weet niet waar iedereen over fantaseerde maar ik fantaseerde over een negen-tot-vijf bestaan.'

Een teruggetrokken familieleven werd hem niet gegund. Met een toenemend afgrijzen noteert Bob Dylan in zijn Chronicles - Volume One hoe hem enige privacy onmogelijk werd gemaakt. Het aanvankelijk zo gastvrije Woodstock, waar hij in 1966 met zijn gezin was neergestreken, was een soort bedevaartsoord voor Dylan-fans geworden; zij zagen in hem niets minder dan de Verlosser. Slechts drie agenten telde het plaatsje, zodat de popster zich met de dag onveiliger voelde.

Dat Bob Dylan vanaf 1966 enkele jaren in Woodstock, upstate New York, verbleef, was iedereen die zijn leven en werken een beetje heeft gevolgd bekend. Zo ook dat hij toen, rondom het verschijnen van zijn meesterwerk Blonde On Blonde, het hoogtepunt van zijn roem beleefde, en dat het nog anderhalf jaar zou duren voordat er nieuw plaatwerk van hem uitkwam. Al die tijd hield Dylan zich buiten de publiciteit, dus wat we nu eindelijk wel eens zouden willen weten is hoe hij die late jaren zestig werkelijk heeft beleefd.

Hoe ernstig was dat vermeende motorongeluk eigenlijk, dat hij als excuus aanvoerde voor de mediastilte? En hoe onderging Dylan zelf de culturele aardverschuiving die The Beatles en flower power hadden veroorzaakt. Hoe stond hij tegenover de rijzende protestbeweging en Martin Luther King?

Hij walgde ervan, vooral vanwege de rol die hem in de hele protestbeweging werd toegedicht. Dylan: 'I was determined to put myself beyond the reach of it all. I was a family man now, didn't want to be in that group portrait.' Weliswaar had hij met zijn motor een ongelukje gehad. Maar: 'Truth was that I wanted to get out of the rat race.'

Die worsteling met de spanning tussen de verwachtingen van het publiek enerzijds en zijn eigen intenties aan de andere kant, die voel je het hele boek door. In Chronicles - Volume One, het eerste deel van zijn in drie delen te verschijnen autobiografie, wil hij af van het imago van protestzanger, of erger: spreekbuis van zijn generatie. Hij is folkzanger, niks meer en niks minder.

Maar zo gemakkelijk komt hij er niet mee weg, dat weet ie zelf ook. Zijn meer dan veertig jaar durende carrière kent daarvoor te veel artistieke pieken en dalen, die enige duiding behoeven. Medewerking aan de diverse biografieën die de afgelopen decennia verschenen, gaf hij niet, en houtsnijdende interviews blijken uiterst zeldzaam, dus kon er reikhalzend naar dit eerste deel van zijn memoires worden uitgekeken.

Maar wat is Chronicles - Volume One eigenlijk voor een boek geworden? Een autobiografie kun je het nauwelijks noemen, al is het maar omdat zijn persoonlijk leven nergens aan de orde komt. Bob Dylan begint zijn relaas weliswaar in de winter van 1961, wanneer hij net in New York is gearriveerd, maar voordat er goed en wel een plaat van hem uit is, zijn we ineens in 1970. Juist die jaren waarin Dylan met platen als Highway 61 Revisited en Blonde On Blonde het aanzien van de popmuziek definitief zou veranderen, worden door hem overgeslagen. Geen woord over de totstandkoming van die standaardplaten uit de jaren zestig of over de roemruchte 'elektrische tournees' met The Band. Wel vele pagina's over het ontstaan van zijn altijd wat onderbelichte album New Morning uit 1970.

Curieuze keus misschien, net als het kwart boek dat aan zijn album Oh Mercy uit 1989 is gewijd. Want na New Morning denk je misschien toch iets te mogen lezen over zijn andere meesterwerk Blood On The Tracks of over zijn bestseller Desire uit datzelfde jaar 1975. Of hoop je dat hij nu eindelijk eens uit de doeken doet waarom hij zich eind jaren zeventig tot het christendom bekeerde. Maar dan zit je ineens in 1987 met Bono aan tafel.

Via de zanger van U2 kwam Dylan, die een aantal moeizame jaren achter de rug had en nauwelijks meer in staat was memorabele nummers te schrijven, in contact met producer Daniel Lanois. Deze zou uiteindelijk tekenen voor de productie van Oh Mercy, in 1989 algemeen beschouwd als een groots comeback-album. Waarom Dylan juist de totstandkoming van deze plaat zoveel pagina's waard vindt, is duidelijk. Precies in deze periode hervindt hij het plezier in het live-optreden en het componeren van liedjes.

De passages waarin hij beschrijft de lol in het spelen terug te krijgen, zijn onvergetelijk. Hierin ontpopt Dylan zich werkelijk als een groot schrijver, en heb je ook niet het idee dat hij met zijn boek wil reageren op de ontelbare Dylan-exegeten die de afgelopen decennia zijn opgedoken.

Mooi zijn ook de pagina's over Dylans grote passie, folkmuziek in het algemeen en zijn idool Woody Guthrie in het bijzonder. Aardig is bijvoorbeeld hoe hij beschrijft dat hij probeert Guthrie's lange Tom Joad uit het hoofd te leren, om zich te bekwamen in het onthouden van lange liedteksten.

Drie van de vijf hoofdstukken gaan over zijn begindagen in New York, en veel passages en opmerkingen zijn om te smullen. Meteen al geeft hij toe dat de mythe dat hij in 1961 op een goederentrein in New York arriveerde, een eigen verzinsel was. Hij speelde allereerst gitaar bij Fred Neil (de latere auteur van Everybody's Talking) in Café Wha?, maar verliet deze club in Greenwich van de ene op de andere dag toen hij de kans kreeg te spelen met zijn idool Dave Van Ronk.

Zijn grootste wens was om een plaat te mogen maken voor het in folk en blues gespecialiseerde Folkways. Het zou John Hammond van het veel grotere Columbia worden die hem inlijfde. Dylan koestert nog altijd een aandoenlijke sympathie voor deze ontdekker van onder anderen Billie Holiday. Dit in tegenstelling tot zijn eerste manager Albert Grossman. Hij verwijt Grossman, aan wie hij toch ook het een en ander te danken heeft, dat hij hem weg wilde halen bij Columbia, terwijl Dylan loyaal wilde blijven aan Hammond.

Het is aan het slot van Volume One dat Bob Dylan zich hiermee pas echt van zijn persoonlijke kant laat zien. Over het algemeen klapt hij nauwelijks uit de school over mensen uit zijn dagelijkse omgeving. Hij heeft het wel vaak over zijn hang naar een geregeld familieleven, maar wie tot die famile behoren, krijgen we niet te lezen.

Dus kijk je vreemd op als hij ineens schrijft over zijn vrouw die op de veranda in 'haar John Le Carré-boek aan het lezen was'. Los van de vraag of dit werkelijk het aardigste was wat hij over haar kon melden, is het interessant dat hij rept - het is eind jaren tachtig - van my wife. Tot Howard Sounes in 2001 in zijn biografie Down The Highway onthulde dat Dylan na zijn scheiding van Sara Lowndes nog een keer getrouwd was, wist niemand dat zeker. Nu dus wel - en zo levert Dylan tussen de regels door vaker commentaar op het werk van zijn biografen en exegeten. Instemmend citeert hij muziekjournalist Greil Marcus waar deze schrijft over de invloed die Hank Williams op zijn muziek heeft gehad, terwijl Dylan biograaf Robert Shelton verwijt dat die dat nooit bij hem heeft teruggehoord. Ook bevestigt hij dat de als Robert Allan Zimmerman geboren Dylan zijn naam wel degelijk van Dylan Thomas heeft.

Om van dergelijke opmerkingen te kunnen genieten moet je wel thuis zijn in de Dylan-bibliotheek. Voor niet ingewijden is het lastig dat Dylan vaak voorbijgaat aan een tijdsaanduiding en geen enkele verklaring voor zijn tijdsprongen geeft. Ergens bekent hij zich van veel opnamesessies niks meer te kunnen herinneren, wat een verklaring zou kunnen zijn. Dat is niet te hopen, want in volgende delen willen we toch wel graag lezen over zijn echt belangwekkende platen.

Ondanks het genot dat je aan deel 1 van zijn autobiografie kunt beleven, blijf je met een gevoel van teleurstelling zitten. Er is zoveel niet aan de orde gekomen, dat dit gemis nauwelijks in twee boeken goed te maken is. Dat neemt niet weg dat er naar Chronicles - Volume 2 en 3 evengoed likkebaardend kan worden uitgekeken, als ze tenminste in dezelfde stijl en toon zijn geschreven als deel 1.

Bob Dylan: Chronicles - Volume One. Simon en Schuster, import Van Ditmar; 293 pagina's; ¿ 24,95. ISBN 0 7432 2815 4.

De Nederlandse vertaling (Kronieken; 312 pagina's; ¿ 19,90; ISBN 90 388 1431 3) verschijnt op 12 oktober bij Nijgh en Van Ditmar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden