Wie dit niet mooi vindt, houdt niet van jazz

Op het monumentale album 'The Duke Ellington Centennial Edition' worden de meesterwerken van Ellington samengebracht met zijn minder geslaagde 'Sacred Concerts', en uitstekende live-opnamen met kitscherige registraties....

DE JAZZLIEFHEBBER die nog weinig of niets van Duke Ellington in huis heeft (als zo iemand bestaat) moet zich naar de winkel spoeden om The Duke Ellington Centennial Edition aan te schaffen. Hij treft hier alles wat de maestro tussen 1927 en 1973 heeft opgenomen voor RCA Victor. Want dat label heeft flink wat van diens meesterwerken in bezit, en die zijn samen met wat minder essentieel werk verpakt in een doos met vierentwintig cd's.

Voor wie al veel Ellington in de kast heeft staan is het nuttig de inhoud daarvan te beschrijven.

De eerste zeven cd's beslaan de periode 1927-1934, de tweede akte van Ellingtons loopbaan na zijn leerjaren; de tijd van vroege hoogtepunten als Mood Indigo en Daybreak Express. De tijd ook dat de laatste hoofdrolspelers van zijn eerste grote orkest kwamen binnendruppelen: Johnny Hodges, Cootie Williams, Barney Bigard.

De volgende zes cd's worden gevuld door het beste orkest dat Ellington ooit heeft gehad, de 'Blanton-Webster-band', genoemd naar tenorsaxofonist Ben Webster en bassist Jimmie Blanton. De jaren 1940-1942 vormen een artistieke Mount Everest, niet alleen door die twee nieuwkomers, maar ook omdat Billy Strayhorn op het toneel verscheen, de begenadigde componist en arrangeur die het werk van de baas uitbreidde en aanvulde.

Bovendien had Ellington volledig de vrije hand gekregen bij de keuze en opname van het materiaal, zodat hem geen commerciële flauwekul werd opgedrongen en hij de studio kon bespelen als een extra instrument. (Een technicus schreef destijds in zijn logboek 'Duke requested the extreme change in volume on the trombone and saxophone solos.') Wie dit niet mooi vindt moet zich serieus gaan afvragen of hij wel van jazz houdt.

Na een tweejarige onderbreking wegens een vakbondsactie ging Ellington weer de studio in voor de 'Mid-Forties recordings', die vier cd's beslaan. Hierop staan behalve veel mooie miniaturen ook de beknopte studioversie van Black, Brown and Beige. Dit segment wordt gevolgd door de eerste officiële live-plaat, The Seattle Concert, met onder meer één van de fraaiste tone parallels, het volledig doorgecomponeerde Harlem, in een uitstekende versie.

Op zeven schijfjes voltrekt zich dan het laatste bedrijf van Ellingtons leven, en begint de kwaliteit voor het eerst te schommelen. Van de drie Sacred Concerts kun je veel zeggen - een aangrijpend en intiem portret van de grote man, die in de schaduw van de dood alle poses laat varen; en een interessant experiment om jazz en liturgie te mengen - maar weinigen zullen volhouden dat ze zijn beste muziek bevatten.

Ook The Duke at Tanglewood en Eastbourne Performance zijn verre van onmisbaar. Eerstgenoemde cd behelst een kitscherig concert met de Boston Pops, dat licht-klassieke bewerkingen speelt van oude hits, Eastbourne Performance is een pijnlijke demonstratie van wat er gebeurt als je je beste orkesten hebt overleefd.

The Popular Duke Ellington daarentegen valt alleszins mee. Ook hier worden de bekende krakers gerecycled, op aandringen van RCA, maar ze worden glansrijk gespeeld en krijgen iets extra's mee door de piano-intro's - abstracties waarin het hele stuk al verborgen zit. Het sluitstuk van de box kent ook twee hoogtepunten: The Far East Suite en het in memoriam voor Strayhorn, . . . And His Mother Called Him Bill.

De parels uit de jaren veertig zijn eerder verschenen op twee driedubbel-cd's. Deze nieuwe editie biedt echter een sterk verbeterde geluidskwaliteit, met een groter dynamisch bereik en scherpere definiëring van de afzonderlijke instrumenten. Hierdoor worden soms ook de ruis en vervorming beter hoorbaar, maar alles heeft zo z'n prijs. Daarnaast biedt deze uitgave veel alternative takes, met vaak boeiende variaties in orkestratie en structuur. Ook de onvolprezen small band recordings zijn in de verzameling opgenomen. Het betreft hier sextet- en septetsessies in naam geleid door Hodges, Bigard en Rex Stewart. Hun solo's zijn heerlijke rustpunten tussen al die orkestrale brille, achter de schermen met subtiele trucjes omlijst door de meester zélf.

De zorgvuldigheid waarmee producer Orrin Keepnews de box heeft samengesteld is voorbeeldig. Elke snipper muziek is achterhaald (er kwam zelfs een zeldzaam 78-toerenplaatje uit België, dat in Nederland is gedigitaliseerd), en de informatie in het 124 pagina's tellende boekwerk is uitvoerig en gedegen op het fanatieke af - zo komen we te weten dat het 'Jimmie' Blanton was, niet 'Jimmy', en dat Arthur Whetsol eigenlijk Whetsel heette. De plaatjes zijn gestoken in dunne kartonnen hoesjes met elk een deel van een foto, zodat we er zes leuke puzzels van kunnen leggen. Die hoesjes zijn dan weer opgeborgen in een doos op lp-formaat, in vakjes waar we ze uit kunnen peuteren met een soort leeslinten. Erg ruimtebesparend, alleen jammer dat één van de linten in mijn exemplaar al afgebroken is, en het boek uit elkaar begint te vallen.

Maar verder is het ongepast om te klagen bij zo'n monumentale editie, die bovendien nog leuke curiosa bevat, zoals een poging tot stereo uit 1932, en een nep-show, zogenaamd uit de Cotton Club, met Ellington's louche manager Irving Mills als presentator: 'Take 'er away, Dukie!'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden