Who I am

Lang een zeldzaamheid, en nu drie tegelijk: grote popartiesten die hun memoires publiceren

De autobiografie was lange tijd een niet bestaand genre in de popliteratuur. Snelle boekjes van en over sterren en eendagsvliegen zijn zo oud als de popmuziek zelf, maar naar serieuze memoires van muzikanten die geschiedenis schreven bleef het lang zoeken.

Daar is de laatste jaren spectaculair verandering in gekomen. Miles Davis' bestseller The Autobiography (uit 1989, geschreven met Quincy Troupe) is al lang niet meer die ene uitzondering: in 2004 werd Bob Dylans Chronicles (Kronieken) behalve veel geprezen ook zeer goed verkocht, terwijl het twee jaar geleden verschenen Life van Keith Richards alle eerdere boeken over de Rolling Stones in zeggingskracht en verkoopcijfers achter zich liet. Zelfs Eric Claptons weinig flamboyante autobiografie werd in 2007 een behoorlijk succes.

Wat was er gebeurd? De verklaring is wellicht dat de popmuziek op een leeftijd is gekomen, waarin terugblikken voor de hand ligt. Dat geldt voor Dylan (1941), Richards (1943) en Clapton (1945) niet minder dan voor de nu middelbare luisteraars die opgroeiden met hun muziek.

Het literaire succes van Dylan en Richards zal menige muzikant aan het denken hebben gezet, en de uitgeverijen niet minder. Naar verluidt hebben die de eventuele laatste twijfel bij Neil Young en Rod Stewart met ruimhartige voorschotten weggenomen. Beiden publiceerden onlangs hun memoires, tegelijk met die van Pete Townshend, die -- toeval of niet - net als zij in 1945 is geboren. De als gitarist en componist van The Who beroemd geworden Brit is overigens een geval apart: hij tekende al in 1996 een contract met zijn uitgever, en heeft dus liefst zestien jaar met tussenpozen aan Who I Am gewerkt.

Zo lang heeft Neil Percival Kenneth Ragland Young niet nodig gehad voor Waging Heavy Peace. In hooguit zestien weken moet hij dit in Nederland met de ondertitel Een hippiedroom uitgegeven boek hebben afgeraffeld. Young maakte er in interviews geen geheim van wat de belangrijkste drijfveer achter zijn boek was: geld - op de voet gevolgd door verveling. Door een onhandig ongeval brak hij twee jaar geleden zijn kleine teen, zodat hij een tijdlang gedwongen was tot nietsdoen. Op doktersadvies was hij gestopt met blowen en alcohol, en daar zat hij dan. Wat nu?

Hobby's genoeg, zou je zeggen. Blijkens Waging Heavy Peace liefhebbert Young in de modelbouw van treinen, werkt hij aan het ontwerp van een elektrische auto en hoopt hij de door hem verafschuwde mp3-speler te vervangen door een apparaat (PureTone) dat muziek wél natuurgetrouw weergeeft.

Al die bezigheden en interesses komen aan bod in zijn memoires. Hoewel, memoires? Het is eerder een verzameling invallen, waarbij de auteur van de hak op de tak springt. Van zijn kinderjaren in Canada gaat het op een en dezelfde pagina door naar de jaren zestig in Los Angeles (waar hij furore maakte met de band Buffalo Springfield), van een rit in een van zijn geliefde oldtimers naar zijn vrouw Pegi, en soms even naar een van zijn klassieke albums.

De muziek komt er bekaaid af. Over hoe hij tot zijn onnavolgbare gitaarspel kwam op Everybody Knows This Is Nowhere (1969), of over de totstandkoming van onvergetelijke liedjes als Heart Of Gold en Don't Let It Bring You Down kom je niets te weten. Liefhebbers van platen als Harvest (1972), Zuma (1975) en Freedom (1989) kunnen ook beter te rade gaan bij Jimmy McDonoughs voortreffelijke Young-biografie, die tien jaar geleden verscheen. Young zegde destijds de samenwerking met McDonough op, maar maakte nu wel dankbaar gebruik van McDonoughs interviews voor zijn memoires.

Het aardigst zijn nog de liefdevolle passages over zijn familie en zijn bandleden. De gedeelten over zijn kinderen, van wie er twee gehandicapt werden geboren, zijn zelfs aangrijpend. Na lezing begrijp je wel waarom er geen register is toegevoegd. Er is geen beginnen aan: namen en plaatsen komen en gaan, zonder dat duidelijk wordt waarom hier en waarom nu.

/>Idiosyncratisch zullen zijn fans dit rommelige geschrift noemen, hélemaal Neil - zoals ook zijn larmoyante recente platen met de mantel der liefde worden bedekt.

Geheel tegenovergesteld is gitarist Pete Townshend te werk gegaan in Who I Am. Hij vertelt zijn levensloop lineair en bouwt al vanaf de eerste pagina's, waarin hij zijn kinderjaren in het huis van oma Denny Denis beschrijft, een spanningselement in.

Bij oma is hem iets traumatisch overkomen. Wat precies? De lezer komt in de volgende vijfhonderd pagina's wel iets te weten, maar kan ten slotte, net als Townshend zelf, alleen concluderen dat er sprake was van ernstig kindermisbruik.

Jarenlange therapie heeft nog lang niet alles naar boven gehaald, maar dat Townshend voor het leven beschadigd is, lijkt wel vast te staan. De lezer moet ook niet aan Who I Am beginnen met het idee eens lekker te genieten van verhalen over vernielde hotelkamers en excessen met vrouwen, drank en drugs. Townshend gaat er niet aan voorbij en spaart ook zichzelf niet, maar over de ruige, duistere kant van The Who (inclusief het vroege overlijden van drummer Keith Moon) is al zoveel geschreven, dat hij zich liever op andere facetten richt.

Een zoeker en een tobber, zo leren we Townshend kennen. Iemand die al snel geen genoegen meer neemt met het componeren van de sterke rock-'n-rollliedjes (My Generation, I Can't Explain, Magic Bus) waarmee The Who midden jaren zestig naam maakt. Hij wil grote verhalen vertellen, in songcycli die we niet geheel naar zijn wens 'rockopera's' zijn gaan noemen. Zijn eerste succes in die vorm beleeft hij in 1969 met Tommy (de auteur gaat iets te lang door over alle bewerkingen in theaters en met orkesten) en in 1973 volgt Quadrophenia (1973) - nu geprezen als misschien wel Townshends meesterwerk, maar aanvankelijk snel vergeten omdat er een hitsingle als Pinball Wizard op ontbrak. Ook in de jaren daarna neemt Townshend geen genoegen met zomaar een rock-'n- rollplaat.

Voortdurend verkeert Townshend in twijfel. Moet hij nu wel of niet doorgaan met The Who na de dood van Keith Moon? Wel of niet scheiden van zijn vrouw Karen (die het gezien alle overspel lang bij hem uithoudt). Eindeloos blijft hij ook sleutelen aan de nooit echt voltooide 'opera' Lifehouse.

Literatuur is voor Townshend minstens zo belangrijk als de muziek. In de jaren tachtig werkt hij als redacteur bij de prestigieuze Londense uitgever Faber & Faber, waar hij de taak krijgt populaire artiesten binnen te halen. Hij publiceert er in 1985 zijn verhalenbundel Horse's Neck, en is verantwoordelijk voor de succesvolle monografie van Jimi Hendrix door Charles Shaar Murray. Zijn literaire kwaliteiten blijken ook in de slothoofdstukken, waarin de auteur ingaat op zijn arrestatie in 2003 voor het bezit van kinderporno. In adembenemend geschreven passages weet hij aannemelijk te maken dat hij louter voor researchdoeleinden bijna tot strafbare feiten was overgegaan. Dat alles, opnieuw, als gevolg van zijn traumatische ervaringen als kind.

Who I Am sla je dicht met een gevoel van mededogen en bewondering, al had iets meer relativering het boek goedgedaan.

Daarvoor moeten we bij Rod Stewart zijn, of liever gezegd bij diens ghostwriter, de journalist Giles Smith. Hoewel Smith niet als zodanig wordt geïdentificeerd moet hij het zijn aan wie Rod - The Autobiography zijn onderhoudende, luchtige en bij vlagen zeer geestige toon te danken heeft.

En zo niet, dan kunnen we Stewart - dit jaar net als Young en Townshend 67 geworden - vanaf nu niet alleen een popster, maar ook een groot schrijver noemen.

Net als Townshend en Young noemt Stewart Bob Dylan zijn grote voorbeeld en inspirator. Als de 17-jarige Rod voor het eerst Dylans debuutalbum uit 1962 hoort, is hij meteen verkocht. Folk en soul worden zijn eerste invloeden, opschudding veroorzaakt hij begin jaren zeventig als zanger in een van de opwindendste band

s uit de tijd, het door zijn boezemvriend Ron Wood geleide The Faces. In die jaren houdt Stewart er twee carrières bij verschillende platenfirma's op na. Een als zanger van The Faces (hit: Stay With Me) en een als solo-artiest (hit: Maggie Mae).

Hotelsuites, privévliegtuigen, dure auto's: Stewart laat er geen twijfel over bestaan dat hij dol is op het luxeleven van een popster, zoals hij ook zijn faam als hartenbreker van (blonde) dames uit de jetset sans gêne benadrukt.

Er doen zich wel wat pijnlijke momenten voor in zijn relaas, zoals het weerzien met zijn dochter Sarah Streeter (die hij als 18-jarige vader afstond ter adoptie), maar ook dan weet de relativerende toon van geen wijken.

Jammer is wel dat Stewart in de tweede helft van zijn memoires, als zijn creativiteit na 1982 op een nulpunt lijkt beland, weinig anders te bieden heeft dan ditjes en datjes over zijn privéleven en zijn voetbalobsessie (lang staat hij stil bij de vraag waarom hij als Londenaar zo verknocht is aan het Schotse voetbal).

Van de drie collega's zit Rod Stewart onmiskenbaar het lekkerst in zijn vel. Met zijn songbook-albums, kitscherige bewerkingen van klassieke liedjes, scoort hij miljoenensuccessen. Dat de critici ze verafschuwen zal hem een worst wezen, zolang zijn luxeleven maar geen gevaar loopt.

De lezers hebben hun keuze al gemaakt: van de drie titels doet het inhoudelijk dunne, maar vermakelijke Rod het in de Britse en Amerikaanse bestsellerslijsten verreweg het best.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden