Kunst Marcel Pinas

Werk van Marcel Pinas, nazaat van de marrons, nu prominent te zien in grote tentoonstelling over Suriname

Marcel Pinas in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Beeld Erik Smits

Morgen opent De grote Suriname tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. De Volkskrant spreekt kunstenaar Marcel Pinas, die de marroncultuur uitdraagt, en ging op bezoek bij de marrons in Suriname.

In de Nieuwe Kerk staat een tafel. Hij is lang als een catwalk en met de grootste zorg gedekt; zou je de tafel op een plaatje zien, dan zou je denken dat hier een staatsbanket wordt aangericht. In het echt niet. Sta je er echt voor, dan zie je dat de stoelen zijn bedekt met kleden in rouwkleuren en dat de borden zijn bedrukt met lugubere taferelen: een dode op een boot, een berg lijken in de achterbak van een pick-uptruck. Dit banket is duidelijk niet bedoeld om bij aan te schuiven. Het is een installatie van de kunstenaar Marcel Pinas (48).

Hij is een van de beroemdste Surinaamse kunstenaars van dit moment. Gaat het over kunst in de Caraïben, dan gaat het vroeg of laat over hem. Pinas is schilder en maker van installaties. Hij is ook de drijvende kracht achter Kibri a Kultura, een stichting ter viering en behoud van de marron-cultuur. Wie hem ontmoet, wordt getroffen door zijn lach. Het is een hoog, langgerekt geluid dat zijn vrienden zeggen te herkennen uit duizenden; wie hem hoort lachen, moet zelf automatisch ook lachen. Pinas is vrolijk, maar niet lichtzinnig. Hij heeft een doel. Hij wil zijn gemeenschap, zijn community promoten en verheffen. Die community is die van de marrons.

Marrons

Omdat u het wellicht niet direct paraat heeft: marrons zijn de nazaten van Afrikaanse slaven die vanaf de 17de eeuw vluchtten van de plantages, en in de bossen hun eigen gemeenschappen vormden. Er zijn meerdere stammen: Saramakaners, Aluku, Kwinti en in het oosten: Matawai, Paramakaners en Ndyuka, Pinas’ mensen. Elke stam heeft een opperhoofd, de granman. Hun bloedlijnen voeren terug op honderden stammen en gemeenschappen in het gebied tussen Senegal en Angola.

Vanaf het moment dat de marrons wegvluchtten van de plantages en zich vestigden in dorpen in de jungle, cumbes, speelden zij een dodelijk kat-en-muisspel met hun voormalige slavendrijvers, de planters. Regelmatig ondernamen zij strooptochten naar de oude plantages. Hierbij maakten ze voedsel en wapens (en vrouwen) buit. Bij wijze van vergelding stuurden de planters huurlegers achter de marrons aan, maar zulke strafexpedities waren weinig effectief. In de 18de eeuw, toen de marron-gemeenschappen in aantal en omvang groeiden en hun aanvallen een reële bedreiging werden voor de plantages, sloot de Sociëteit van Suriname vredesverdragen met de twee grootste marronstammen, de Ndyuka en Saramakaners.

Vanaf toen leefden de marrons autonoom. Mannen werkten in de houtkap; vrouwen op de kostgrond. Later raakten veel marrons werkzaam in de mijnbouw, soms noodgedwongen, en meer recent, in de goudwinning. Hun contact met de stad werd in de 20ste eeuw ook intensiever. Toch vormen ze nog altijd zelfstandige microsamenlevingen, min of meer.

Nieuw Lombé

Nieuw Lombé is zo’n gemeenschap. De Volkskrant gaat er deze zomer kijken. Het is een transmigratiedorp aan de Suriname-rivier in het district Brokopondo, een dik uur ten zuiden van Paramaribo. De 1.800 inwoners zijn Saramakaners. Er is een kerk, een lagere school en een bakkerij waar ze broden en, verrassend, oliebollen bakken. Een van de meest gerespecteerde marronkunstenaars, een houtsnijder, woont er ook.

Op een namiddag in augustus varen we erheen. Het is bewolkt. Regeldruppels vallen op onze schrijfblokken en doen de inkt uitlopen als mascara. Onder de opvarenden zijn vier bewoners van Nieuw Lombé: Bootsman Ballo, Drisje, Mozes en Rocky; die laatste twee zijn onze gidsen. Mozes is de spraakzame van de twee. Hij heeft een stopwoordje: ‘Ja?’ 

‘Die boom heet Kankantrie, ja?’

‘Het is de grootste boom van Suriname, ja?’

‘Hij heeft bijzondere krachten, ja?’

Esthetisch gezien is Nieuw Lombé een belevenis. De plek voegt iets wezenlijk nieuws toe aan je reservoir met visuele indrukken, zoals heel Suriname eigenlijk. Het sappige groen van het geboomte na een regenbui; de veranda’s met drogende pangi’s in een amalgaam van schelle kleuren: appelgroen, eigeel, spekjes-roze; het verweerde hout en de golfplaten en de oude posters: het is allemaal even bedwelmend. Tuurlijk, de verhalen over de gemeenschap zijn ook boeiend, de matriarchale banden, de man-vrouwverhoudingen (polygaam), maar, stel je vast, wat beklijft zit aan de oppervlakte.

De aangekondigde houtsnijder, zo blijkt aan het eind van de tour, is ziek. Een griepje. Geen marronkunst vandaag.

Dat woord kunst, leer je later, is niet op zijn plek: marrons gebruiken het niet. Kunst is bij hen namelijk volledig versmolten met het leven van alledag. Een kundig versierde cake kan kunst zijn; een trommel met fraaie vlecht-motieven ook. Joseph Beuys’ dictum wordt hier werkelijkheid: elk mens is een kunstenaar, maar wat hij of zij maakt, is sekse-bepaald. Vrouwen houden zich bezig met textiel: pangi’s, de veelkleurige, gestreepte kleden die worden gebruikt als draagdoek of schoudercape, en kamisa’s, oftewel lendendoeken. Sommige doen denken aan abstracte kunst en lijken vagelijk op de geometrische doeken van Paul Klee. Mannen houden zich onledig met houtsnijkunst: schalen, bakken, bankjes, roeispanen; ook een gedecoreerde korjaal (boomstamkano) is een voorbeeld van typisch mannelijke marronkunstnijverheid. De patronen zijn ingenieus; sommige lijken op filigraan. 

Meesters

Overigens is het in praktijk net zo nietszeggend om te spreken van ‘marronkunst’ als van ‘West-Europese’ kunst. Het werk is allesbehalve uniform; versieringen verschillen per tijd en stam. Samarakaners, bijvoorbeeld, versieren hun objecten veelal met gesneden ornamenten; Aukaners doen dat met verf; bij de Ndyuka lopen de punten van het houtsnijwerk spits toe; bij de Samarakaners zijn ze rond. Ook kwalitatief gezien is het ene ding het andere niet. De gemeenschap kent zijn meesters. Hun werk is gewild en wordt gemaakt voor stamgenoten, maar ook voor de markt. Regelmatig wordt werk van de beste kunstenaars naar Paramaribo gebracht, waar het wordt verkocht in toeristenwinkels en galeries. Galerie Readytex is de bekendste.

De marronkunst is volgens Alex van Stipriaan aan modes onderhevig. Toen een stel missiezusters in de jaren zeventig het borduren introduceerde, leidde dat tot een borduurrage. Ook de introductie van nieuwe materialen heeft zijn weerslag op deze kunstnijverheid. De overgang van organische pigmenten naar fabrieksmatige had grote invloed op het uiterlijk van de kleden. In Marcel Pinas’ schilderijen en installaties zijn dergelijke veranderingen zichtbaar.

Marcel Pinas bij zijn installatie Moiwana 86 Tafaa (2019) in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Beeld Erik Smits

Marcel Pinas

Pinas werd geboren in Pelgrim Kondre, een dorpje in het district Commewijne. Als kind hield hij van tekenen, vertelt hij. Nieuwsgierig was hij ook. Schaafden de mannen van het dorp aan een korjaal, dan stond Marcel er met zijn neus bovenop.

Zijn opvoeding was anders dan die van andere marronjongens. Tussen zijn 6de en zijn 13de zat hij op een internaat. Daarna woonde hij in Paramaribo. Als tiener wilde hij mijnbouwingenieur worden. Zijn vader moedigde dat plan ten zeerste aan.

‘Vader’, zei Marcel op dag, ‘ik wil geen mijnbouwingenieur meer worden. Ik wil kunstenaar worden.’

Dat vond zijn vader minder, maar hij hield voet bij stuk. Pinas ging lessen volgen aan de Nola Hatterman Art Academy in Paramaribo, waar hij figuratieve schilderijen maakte met waterverf. Ze getuigden van talent, zonder onderscheidend te zijn. Hij liep slechts warm. Zijn wedergeboorte moest nog komen.

Die vond plaats op Jamaica, waar hij les volgde aan het Edna Marley College of Visual Arts; een cruciale periode voor Pinas. Daar, weggerukt uit zijn vertrouwde omgeving begon een korte, intense periode van soul searching. Wie is Marcel Pinas?, vroeg hij zich af. Waar staat hij voor? Wat gaat hij toevoegen aan de wereld? Het antwoord kwam snel: hij was een marron, een zelfbewuste marron; uitdragen dat de Marron-gemeenschap betekenisvol was, dat was zijn taak. Ook in zijn kunst. Juist daar.

Dat was nodig, meent Pinas. Over de marrons bestaan nogal wat vooroordelen. Dat ze in het bos wonen en dus dom zijn, om het kwaadaardigste exemplaar maar even te noemen. Vanzelfsprekend is Pinas een andere mening toegedaan. Sterker, hij meent dat de wereld iets van de marrons kan leren. Zuiniger omspringen met de natuur, bijvoorbeeld. Gezonder eten.

Het zou onjuist zijn om te zeggen dat zijn werk is beïnvloed door de kunst van de marrons: het ís marronkunst. Alles in zijn werk is afkomstig uit die cultuur: de materialen (peddels, kokoslampen, katapulten, aluminium lepels), de kleuren, het schrift. Affaka heet dat laatste, het werd begin 20ste ontworpen door een Ndyuka, 56 tekens waarmee elk woord kan worden gevormd; inmiddels is het zo goed als in onbruik geraakt. Pinas beschouwt het als exclusief cultureel erfgoed van de marrons. Daarom gebruikt hij het in z’n werk.

Marcel Pinas, Pangi Anga Faaka Tiki (2007). Beeld Vincent Vlasblom

Eén zo’n installatie bestaat uit zwart geschilderde olievaten overdekt met Afaka-tekens. Het staat langs de weg naar Moengo, waar veel Marrons wonen. De totems, schrijft kunsthistoricus Rob Perrée in zijn boek Marcel Pinas: artist, more than an artist (2011), moeten de marrons beschermen tegen kwade krachten van buitenaf (zoals het leger tijdens de binnenlandse oorlog). Ook zijn ze een herinnering aan hun voorvaderen. Weet waar je vandaan komt, lijken ze te zeggen.

De meest ondubbelzinnige uiting van Pinas’ betrokkenheid bij zijn gemeenschap is zijn Moengo Project, een cultuurcentrum in het gelijknamige stadje in het oosten van Suriname, een plaats die vooral bekend is vanwege de bauxiet-industrie. Er is een oefenruimte (Tembe Art Studio), een opnamestudio, een beeldentuin en een museum (Contemporary Art Museum) met werk van onder anderen Remy Jungerman en Koen Vanmechelen. Kinderen en scholieren uit de omgeving krijgen er les in dansen en tekenen, ook van Nederlandse kunstenaars die voor drie maanden in Moengo resideren (met steun van het Mondriaan Fonds). Alles hier staat in het teken van het spelenderwijs aanwakkeren van de creativiteit. 

Spannende tijd

Momenteel beleeft het centrum een spannende tijd. De Surinaamse regering wil een middelbare school vestigen in het gebouw waarin de studio en het museum zijn gehuisvest, het voormalige Suralco ziekenhuis. En wel op korte termijn. Afgelopen zomer, toen Pinas in Nederland verbleef, hebben gemeenteambtenaren ingebroken in het gebouw, waardoor de kunstwerken uit het museum langdurig aan de vochtige, en dus schadelijke, tropische lucht zijn blootgesteld. Vorige maand sommeerde een groep aan regeringspartij NDP gelieerde jongeren Pinas om het ziekenhuis nog voor oktober te ontruimen. Pinas heeft daaraan vooralsnog geen gehoor gegeven.

Pinas blijft er ogenschijnlijk rustig onder. Hij zal het pand niet verlaten, zegt hij, voor er een volwaardige alternatieve locatie is gevonden voor zijn bezigheden. De episode heeft hem wijzer gemaakt, zegt hij. Alles altijd zwart-op-wit laten zetten, dat is de les. Moedeloos wordt hij er niet van: ‘We blijven positief.’ Bovendien: hij heeft nu andere zaken aan zijn hoofd, de installatie in de Nieuwe Kerk.

Die refereert aan een van de wrangste hoofdstukken uit de recente Surinaamse geschiedenis: de massamoord in het dorp Moiwana. Op 29 november 1986 kwam een groep soldaten van het Nationale leger naar het dorpje Moiwana in Oost-Suriname en vermoordde er 38 onschuldige burgers. Onder de slachtoffers waren ouden van dagen en moeders met kinderen. Sommige lijken werden teruggevonden in een massagraf. Van anderen ontbreekt nog altijd ieder spoor (onlangs nog werden resten van stoffelijke overschotten gevonden). Wie aan de kogels ontsnapte, sloeg op de vlucht.

De misdaad, het gevolg van een ruzie tussen toenmalig dictator Dési Bouterse en diens voormalige bodyguard, jungle-commando (en marron) Ronnie Brunswijk, is tot op de dag van vandaag een open zenuw. De internationale gemeenschap sommeerde de regering veelvuldig de daders op te sporen, maar hieraan werd geen gehoor gegeven. Men drong aan op strafrechtelijk onderzoek. Dat bleef uit. Ook van officiële spijtbetuigingen was geen sprake. Herdenkingstekens vanuit overheidszijde: nada. Pinas maakte wel een gedenkteken. Ter herinnering aan de misdaad en ter nagedachtenis aan de doden plaatste hij bij Moiwana in 2007 een piramidevormige totem van steen en metaal bedekt met Afaka-tekens, omringd door blokken, als zerken op een kerkhof: het Moiwana Monument.

Het Moiwana Monument, ter nagedachtenis aan de onschuldige burgerslachtoffers in het dorp Moiwana. Door Marcel Pinas uit 2007. Beeld Roy Tjin

In De Grote Suriname Tentoonstelling toont hij nu een tweede monument: het banket, getiteld Moiwana 86 Tafaa. Eromheen 38 stoelen, erop 38 borden. De stoelen zijn bedekt met zwarte en witte kleden, als bij een rouwplechtigheid; op de borden staan krantenfoto’s van soldaten en lijken, het weinige tastbare bewijs van de moord. De lepels zijn ook versierd. In Afaka melden ze ‘Bescherm ons’ – een herinnering aan het feit dat de verantwoordelijken voor de moorden nog immer vrij rond lopen. Bouterse is nu zelfs president. Pinas’ installatie is een oproep om de gebeurtenis niet te vergeten en tegelijk een eerbetoon aan de slachtoffers. Houd onze geschiedenis levend, lijkt de tafel te zeggen. Kibri a kultura.

De Grote Suriname Tentoonstelling, De Nieuwe Kerk, Amsterdam, 5/10 t/m 2/2. 

De grote Suriname Tentoonstelling 

De Grote Suriname Tentoonstelling toont de cultuurgeschiedenis van Suriname van de precolumbiaanse tijd tot nu. De expositie belicht allerhande facetten van het land: de oorspronkelijke bewoners, het plantageleven, de flora en fauna, de binnenstad van Paramaribo. Er zijn ruim driehonderd objecten: foto’s, diorama’s, kaarten, trommels, een kromboei, de groene jurk die prinses Beatrix droeg bij de onafhankelijkheidsceremonie in 1975. De objecten komen uit tientallen privé- en openbare collecties, waaronder het Surinaams Museum en het Tropenmuseum Amsterdam. Ook is er een fotowedstrijd: bezoekers kunnen hun eigen Suriname-foto insturen. Elke maand dat de tentoonstelling te zien is (t/m 2/2 2020) wordt er een winnaar gekozen.

De muren van Fort Zeelandia vertellen het soms gruwelijke verhaal van Suriname
Kolonisatie, slavernij, de wandaden van Bouterse. Als de muren van Fort Zeelandia in Paramaribo konden spreken, zou je een gedetailleerd verslag krijgen van de Surinaamse geschiedenis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden