Wel weten maar niet willen weten van de holocaust

Toen de concentratie- en vernietigingskampen in 1945 werden bevrijd en de Duitse bevolking – soms letterlijk – gedwongen werd de gevolgen van de onmenselijke tirannie onder ogen te zien, klonk het verweer ‘Wir haben es nicht gewusst’ als weinig meer dan een slap excuus: alsof ze daarmee hun verantwoordelijkheid zouden...

Het oordeel was dus snel geveld, maar de vraag wát de gewone burger, niet alleen in Duitsland maar ook in de bezette landen, nu eigenlijk wist, bleef intussen onbeantwoord.

Pas vele decennia later, met de toenemende belangstelling voor de rol van de ‘omstanders’ van de massamoord en het felle debat rond Daniel Goldhagens boek Hitlers gewillige beulen (1996), is daarin verandering gekomen. De schuldvraag strekte zich in de daaropvolgende discussies uit van de nationaal-socialistische daders tot de ‘omstanders’, op grond van de gedachte dat ook iemand die slechts getuige was van de nazistische massamoord, of daarvan wist zonder in verzet te komen, moreel medeplichtig is. En gold dit oordeel niet evenzeer de bevolking van de bezette landen, zoals Nederland, en de geallieerde mogendheden die weinig ondernamen om een einde te maken aan de nazistische praktijken?

Hoe gevoelig dit soort vragen ook in Nederland ligt, bleek dit voorjaar bij het verschijnen van Tegen beter weten in, waarin Ies Vuijsje de vervalsing van de geschiedenis door historici en tijdgenoten aan de kaak stelde. Om zichzelf te ontlasten en een positief zelfbeeld te kunnen bewaren, zouden de Nederlanders de mythe van het ‘niet weten’ in het leven hebben geroepen – terwijl uit de bronnen blijkt dat al tijdens de oorlog erg veel gegevens bekend waren.

Tegen Vuijsjes betoog is heel wat in te brengen. Zo weet hij niet duidelijk te maken wat precies de waarde is van de dagboeken, brieven en pamfletten die hij aanhaalt om de ‘mythe’ door te prikken. Evenmin wordt duidelijk of deze informatie door tijdgenoten betrouwbaar werd geacht, hoe representatief deze bronnen waren en waarop zij zich eigenlijk baseerden. Nog belangrijker is de vraag hoe we de cruciale passages moeten lezen: betekenen de woorden ‘uitroeiing’ en ‘vernietiging’ in 1941 wel hetzelfde als na de oorlog, toen de omvang van de misdaad geleidelijk zichtbaar werd?

Het onderwerp dat de Duitse historicus Peter Longerich in zijn studie Davon haben wir nichts gewusst! behandelt, sluit nauw aan bij dat van Vuijsje. Longerich probeert evenwel niet alleen vast te stellen wat de gewone Duitsers tussen 1933 en 1945 van de vervolging, deportatie en vernietiging van de joden konden weten, maar ook hoe zij op die berichten reageerden. Hij werkte duizenden kranten, tijdschriften, radio-uitzendingen, bioscoopjournaals en pamfletten door met het doel de nazistische propaganda en de – dikwijls geregisseerde - nieuwsvoorziening over de vervolging van de joden in kaart te brengen, om vervolgens aan de hand van brieven, dagboeken, getuigenverslagen en officiële rapporten vast te stellen welke houding de bevolking innam.

In tegenstelling tot Vuijsje onderwerpt Longerich zijn bronnen aan een scherpe analyse. Teksten worden gewikt en gewogen om hun precieze waarde en betekenis vast te stellen, niet alleen dagboeken en brieven, maar ook de duizenden ‘stemmingsberichten’ die allerlei nazistische partij- en staatsdiensten voor eigen gebruik lieten opstellen.

Het beeld dat uit Longerichs uiterst degelijke studie tevoorschijn komt, is veel minder eenduidig dan dat in andere studies, inclusief die van Vuijsje. Hij weet generalisaties te vermijden en onderscheidt verschillende fases en sferen in de Duitse samenleving. Zo blijken er steeds groepen te zijn geweest die zich afkerig toonden van de nazistische politiek, vooral wanneer deze ontaardde in gewelddadigheden. ‘Gereglementeerde’ discriminatie daarentegen stuitte op minder verzet.

Gedurende de oorlogsjaren, toen de vernietiging van het Europese jodendom haar beslag kreeg, was er sprake van een groeiende passiviteit. Terwijl de druk van het regime en de last van de totale Krieg verder toenamen, werd het vuur van de antisemitische propaganda telkens opgestookt. Het nieuws van wat zich in Oost-Europa afspeelde, druppelde evenwel slechts mondjesmaat en fragmentarisch binnen. Het gevolg was dat vrijwel niemand zich een voorstelling kon maken van de precieze gang van zaken rond de massamoord.

Daarin liggen voor een deel de wortels van het zwijgen van de Duitse bevolking, aldus Longerich. Dat men ‘niets geweten’ zou hebben, is aantoonbaar onjuist, maar in die frase weerspiegelt zich ook het verdringingsmechanisme dat zich al tijdens de oorlog had ontwikkeld. Schaamte en onmacht speelden daarbij een belangrijke rol, maar ook angst voor de ‘joodse wraak’ na de Duitse nederlaag, een populair thema in de nazipropaganda. Anders gezegd: het vermoeden van de misdaad leefde in brede lagen van de bevolking, maar niemand wilde er verantwoordelijk voor worden gesteld.

Frank van Vree

Peter Longerich: Davon haben wir nichts gewusst! – Die Deutschen und die Judenverfolgung 1933-1945 Siedler 448 pagina’s euro 24,95 ISBN 3 88680 843 2

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden