Weird en toch zo vertrouwd

Het is de opvallendste verschijning van Lowlands dit jaar: de band Hanggai, die de wonderlijke vocalen van de Mongoolse steppen (dartelende boventonen over knorrende keelklanken) inzet in alledaagse liedjes....

Door Robert van Gijssel

Voor onwennige oren kan de Mongoolse keelzang van de Chinese band Hanggai nogal intimiderend zijn, rauw en monotoon resonerend in een diepe bas, als het grommen van een heel boze smurf, met ijl fluitende boventonen. Curieuzer vocalen zijn in de wereldfolk nauwelijks denkbaar, en even zou je kunnen denken: laat dit keelzingen vooral gedijen in antropologische instituten en naast de cursus klankschaaltherapie in het buurthuis.

Maar na een minuutje van het lied Yekul Song, op de debuut-cd Introducing Hanggai besluit je toch in te stappen in het treintje dat zal voeren van Peking Centrum naar de graslanden van Binnen-Mongolië. En halverwege die Trans Mongolië Lijn al ben je verslaafd aan de bedwelmende slaap-, drink- en heldenliedjes van de opvallendste verschijning op Lowlands dit jaar. Dan past de eeuwenoude traditie van het boventoonzingen ineens als een handschoen, en pijnigt je de vraag hoe deze muziek tegelijk zo weird kan klinken en ook zo vertrouwd.

Iets dat de Chinese punkrocker en bandleider Ilchi zich ook moet hebben afgevraagd, toen hij zich na jaren punk en heavy westerse rock ging verdiepen in de Mongoolse boventoonzang, een kunst waar hij bij toeval tegenaan was gelopen. Hij reisde af naar Binnen-Mongolië, het land van zijn voorvaderen, om daar meer te leren over de zangtechnieken die het mogelijk maken te resoneren en boventonen te laten dartelen over knorrende keelklanken.

Ilchi maakte kennis met locale musici, heel jonge vaak, die zich toelegden op de Mongoolse volkszang en het daarbij horende instrumentarium van tweesnarige luit (tobshuur) en de oer-Mongoolse paardenharenviool, de morin khuur. Zijn belangrijkste contacten deed Ilchi op aan het conservatorium van hoofdstad Hohhot: de keelzangers Hugejiltu en Bagen. Met hen vormde Ilchi de band Hanggai, genoemd naar het centrale Mongoolse gebergte en tevens het mystieke woord voor al het goede van de aarde.

Hanggai toog naar Peking en leidde daar een relatief onzichtbaar bestaan, tot de band in 2006 in een bar de Engelse radio-dj en producer Robin Haller ontmoette. Haller had in die tijd een radioshow op China Radio International en bracht daarin oude volksmuziek van etnische groepen in China. Een radioprogramma als een strijd tegen de klippen op, volgens Haller, want er was in China nauwelijks interesse in folk; concerten in diep-traditionele hoek waren er niet en Hallers zoektochten naar interessante musici voor zijn programma waren episch.

En dan ineens zat hij in een bar in het oudste uitgaanscentrum van Peking naast vijf jonge Chinezen die zich hadden gespecialiseerd in de Mongoolse boventoontraditie en die volgens Haller de meest fantastische liedjes in hun bagage hadden.

Hanggai trad uiteraard op voor de radio, maar Haller wilde meer. Hij bezocht kleine live sessies van de band, die toch aardig bleek te floreren in een jonge en hippe folk-revival-scene in Peking, een voor Haller tot dan onbekende beweging. Haller kreeg vadergevoelens en wilde Hanggai onder zijn hoede nemen, ontsluiten voor het Westen. En daarvoor was natuurlijk een plaat nodig.

In 2007 werd een studio gebouwd in Hallers woonkamer in Peking en werden de tien liedjes voor Introducing Hanggai opgenomen. Traditionele volksliedjes, voor bij het slapengaan, drankgelagen of magische rituelen, gezongen rondom het samenspel van luit en viool en over de trage slag van een grote trom. Haller zelf legde onder dit authentieke palet een bescheiden laag van basgitaar en percussie plus een enkel gitaarakkoord in reverb, maar Hanggai liet de traditie grotendeels intact. En dat blijken liedjes als Five Heroes, Flowers en My Banjo And I ook goed te kunnen hebben.

De melodieën op de snaren klinken erg Chinees maar toch ook heel soepel, en de keelzang in duet met gewone, dus niet-grommende zang maakt pakkende refreintjes die zich al snel tussen de oren nestelen. Zo klinkt Hanggai lichtvoetig en onbekommerd, nergens als een band die een paar honderd jaar volksmuziek driftig zit in te halen. Het is een verdienste van de band dat ze de wonderlijke vocalen van de Mongoolse steppen in een bijna alledaags liedjesdecor hebben weten te zetten.

De cd, in het Westen uitgebracht bij het label World Music Network, kreeg goede kritieken in de wereldmuziekpers en dit jaar is Hanggai dan op tournee in het Westen. In vol Mongools ornaat uiteraard, want couleur locale doet het nu eenmaal goed op de podia.

Hanggai speelde eerder dit jaar al in de bovenzaal van Paradiso, maar haalt in de zomer onbescheiden uit op de grote festivals. Ilchi en zijn keelzangers speelden op Roskilde, en staan op Sziget in Budapest en volgende week dus in de Flevopolder bij Biddinghuizen.

Of het Lowlandspubliek zich zal laten betoveren door de stembandacrobatiek uit Binnen-Mongolië is een spannende speculatie. Vast staat al wel dat de band meer zal blijken dan een wereldcircus in mooie kleren.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden