Recensie The house that jack built

Weinig films die zo gaaf naar de hel gaan als The House That Jack Built (vier sterren)

‘Je zou best een seriemoordenaar kunnen zijn.’ Ze heeft gelijk, de dame met autopech die zich door passant Jack naar de garage laat chaufferen. De afwerende oogopslag, de grauwe jas: Jack, een volmaakt onaangename rol van Matt Dillon, voldoet absoluut aan het signalement van de clichéseriemoordenaar van het type knap maar ijskoud.

De dialoog wordt steeds prikkelbaarder, in deze vroege, tergend lange scène uit Lars von Triers The House That Jack Built. De dame (Uma Thurman) blijft Jack zo koppig treiteren met haar seriemoordenaarsscenario, zo wijst ze hem zelf op de krik waarmee hij haar schedel zal inslaan, dat ze er welhaast om vraagt. Even later is het lachen geblazen met Jack, die een seriemoordenaar én dwangneuroot blijkt te zijn, wanneer hij niet wegkomt van een plaats delict, omdat er steeds weer bloedsporen opduiken.

Laat het maar aan beroepsprovocateur Von Trier over om sardonisch én analytisch aan de haal te gaan met de moordfilm. En om met enkele van de irritantste vrouwelijke slachtoffers uit de geschiedenis van het genre te komen. Koren op de molen, van iedereen die Von Trier (Breaking the Waves, The Idiots, Melancholia) altijd al als vrouwenhater beschouwde.

De Deen speelt volop met die kritiek. In The House that Jack Built, een film zo gruizig en grauw dat iedere smeer rood als een bloedvlek voelt, blikt Jack terug op zijn moordaspiraties, net als de nymfomane uit Nymphomaniac met een oude man haar seksleven bespreekt, zo praat Jack in de voice-over met ene Verge (Bruno Ganz), die lang onzichtbaar blijft. Het lijkt een politieverhoor of biecht, terwijl de woorden en (soms teruggespoelde en versnelde) beelden elkaar proberen bij te houden. Iedere ranzige slachtpartij wordt getoond vanuit Jacks beleving; wellicht waren zijn prooien in werkelijkheid veel minder goedgelovig.

Dat Jack het moordenaarsmetier als een volwaardige kunstdiscipline beschouwt, zijn lijken choreograferend als gewillige acteurs, maakt de parallellen tussen hem en Von Trier nog opzichtiger. Om niet te spreken van de fragmenten uit Von Triers eigen filmografie, als contrapunt bij Jacks monoloog over kunst als katalysator van onze laagste driften. De Holocaust wordt er óók bij gehaald, alsof Von Trier andermaal wil herinneren aan zijn bizarre ‘Ik begrijp Hitler’-uitspraken tijdens het Filmfestival van Cannes in 2011.

De film, gesitueerd in de VS van de jaren zestig en zeventig (maar opgenomen in Scandinavië en Engeland), raakt net zo volgepropt als Jacks vriescel. The House That Jack Built gaat óók over architectuur en bouwkunde, over de relatie tussen de tijger en het lam in religie en kunst en over de sirenen van Stuka-bommenwerpers. Tegelijkertijd wordt de film steeds verder lamgelegd door de sfeer van moedeloosheid en beklemming, totdat je als toeschouwer slechts apathie kunt opbrengen.

En toch. Zodra Jacks huis eindelijk af is, neemt de film een zeer onverwachte wending. Het is alsof Von Trier zijn laatste krachten spaarde voor een hallucinante afdaling in de onderwereld die zijn weerga niet kent en een volkomen nieuw perspectief biedt op al het voorafgaande. Dat slotstuk, nota bene gepresenteerd als epiloog, kan zorgen dat je de hele uitputtingsslag nog een keer wilt doormaken. Weinig films die zo gaaf naar de hel gaan als The House That Jack Built.

The House That Jack Built; Horror
Regie: Lars von Trier. Met: Matt Dillon, Bruno Ganz, Uma Thurman.
152 min., in 29 zalen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden