Weg met de platheid

De huidige, brede waardering voor de zang- en levenskunst van André Hazes onder mensen met 'goede smaak' staat niet op zichzelf....

Kan de tijd tekens geven? De schrijver W.F. Hermans meende van niet. Maar wat te denken van het volgende?

Eén. Op donderdag 25 november 1999 brachten alle landelijke dagbladen op de voorpagina een grote foto van André Hazes. André Hazes? André Hazes - in vol ornaat bij de première van de documentaire, André Hazes - zij gelooft in mij. Die opmerkelijke fotokeuze werd in het binnenwerk nog overtroffen door jubelende beschouwingen. De ene krant had het over 'een historische knuffelpartij tussen de culturele elite en de volkscultuur', de andere zag hier 'een echte Van der Ploeg-film: kwaliteit voor een breed publiek'.

Twee. Een dag later mag een gecertificeerde intellectueel als Emma Brunt in HP/De Tijd over vijf pagina's haar verslaving aan soaps belijden. Gezellig, dagelijks zo'n Ersatz-familie over de vloer. Heerlijk, al die herkenbare mensen met hun herkenbare problemen. Eindelijk, virtueel bezoek zonder ongemak.

Drie. Over niets werd het afgelopen jaar zoveel geschreven en gepraat als over het televisie-programma Big Brother. Hoe serieuzer de krant, hoe groter de aandacht. NRC Handelsblad kwam zelfs met een speciale bijlage, inclusief plattegrond, grafieken en enquête, waarin meer stond dan iemand zou willen weten. Producent John de Mol sprak van 'gewone-mensen-televisie', waarmee hij niet bedoelde televisie-voor-gewone-mensen, dat was er al in overvloed, maar televisie-door-gewone-mensen. Het niet-gebeuren als gebeurtenis.

Het zijn onmiskenbaar tekenen des tijds en ze wijzen allemaal dezelfde kant op. Waar men vroeger alleen maar bang voor was, is nu een feit: de low culture heeft de high culture verdrongen. Het nulpunt lijkt bereikt, de platheid heeft gewonnen. 'Waar gebeurd' en 'het leven zoals het is' zijn de sleutelwoorden, sentiment is de heersende emotie, roddel de favoriete conversatie. Waar voorheen de aandacht was gereserveerd voor het bijzondere - een beer op een fietsje - heerst nu de cultus van het gewone - een meneer op een fietsje. De gewone man is gepromoveerd van publiek tot attractie.

En daar blijft het niet bij. De hele wereld, verklaarde architect Rem Koolhaas onlangs in een interview, wordt zoetjesaan een pretpark. Het fenomeen is niet langer beperkt tot de aangewezen enclaves met hun lawaaiige achtbanen en dansende tekenfilmfiguurtjes. Ook de winkelpaleizen en delen van de stad zijn veranderd in pretparken. Het nieuwe winkelen heet 'funshoppen' en wordt bij voorkeur gedaan met het hele gezin. Dit is geen winkelen uit noodzaak, maar winkelen als vrijetijdsbesteding. Een zondags ritje met de auto en een dagje onder dak.

Wie Amsterdam binnenkomt vanaf het Centraal Station treft een pretpark zonder omheining. Over het Damrak gaat het, langs eethuis, souvenirwinkel en automatenhal, langs de menselijke standbeelden op de Dam, op naar Madame Tussaud (een spookhuis vermomd als museum), waar de bezoekersstroom zich splitst in een golf naar links - de Wallen op - en een golf naar rechts - Magna Plaza in. Niemand kiest zijn route, men volgt de menigte. Hier geldt de code van het pretpark: doe als de anderen doen. Wijk vooral niet af - niet van het parcours, niet van het gedrag. Kleed je als iedereen, eet als iedereen, geniet als iedereen. Hier heerst de cultuur van knakworst en trainingspak: conformeer en consumeer.

Die verheerlijking van het banale gaat gepaard met een verkettering van het bijzondere. Als kunst al eens de voorpagina haalt (de plek van Hazes) of op televisie komt (het domein van Big Brother), dan uitsluitend in verband met geld of geweld. Er is altijd wel ruimte te vinden voor opgewonden verslagen over roofkunst, recordprijzen, budgetoverschrijdingen, museumsponsoring of vernieling van kunstwerken, maar voor de aard en de kwaliteit van kunst is daar geen plaats. Wie een schilderij verkoopt voor tachtig miljoen is een handige bliksem; wie het koopt voor dat bedrag is oliedom en kan maar beter onder curatele worden gesteld. Want geld is goed en kunst is gek. Moderne kunst roept nog steeds afkeer op, variërend van spotlust tot agressie.

Het debat over hoge en lage cultuur is zo oud als de wereld, maar de inzet is actueler dan ooit. Lang was het vooral een Amerikaans debat; low culture was daar al gemeengoed toen die hier nog moest komen. Vanaf de jaren dertig hebben zulke verschillende critici als Clement Greenberg, Gilbert Seldes, Leo Lowenthal, Irving Howe en Dwight Macdonald daarover gepolemiseerd, en doorgaans was hun diagnose somber.

Greenberg opent zijn beroemd geworden essay uit 1939, Avant-garde and Kitsch, met een stelling en een vraag: 'Eén en dezelfde samenleving produceert tegelijkertijd twee zulke verschillende zaken als een gedicht van T.S. Eliot en een liedje van Tin Pan Alley, of een schilderij van Braque en een omslag voor de Saturday Evening Post. Alle vier zijn het uitingen van cultuur en, ogenschijnlijk, delen van dezelfde cultuur en producten van dezelfde maatschappij. Hier, echter, lijkt hun overeenkomst te eindigen. () Welk cultureel perspectief is breed genoeg om ze in een verhelderende relatie tot elkaar te plaatsen?'

In het artikel dat volgt maakt hij zich minder zorgen om de opmars van de kitsch dan om de kwetsbaarheid van de kunst. Waar een voorhoede is, schrijft hij, vinden we meestal ook een achterhoede. Het één is het domein van de elite, het andere van de massa. Dat de massa geen boodschap heeft aan de avant-garde verbaast hem niet - het is nooit anders geweest. Maar wat hem zorgen baart, is dat nu ook de elite de avant-garde de rug toekeert.

Het zijn tegenpolen, avant-garde en kitsch. Ze mogen soms oppervlakkig op elkaar lijken (de avant-garde annexeert graag de kitsch), maar ze zijn wezenlijk verschillend. In de formulering van Greenberg: de avant-garde imiteert het proces van kunst, kitsch het effect daarvan. (De stem van André Hazes heeft een ingebakken traan.)

Niet elke intellectueel deelde de vrees van Greenberg. Populaire cultuur, schrijft Gilbert Seldes in The Great Audience (1950), is altijd een bron van zorg geweest voor de moralist en de estheet. 'De populaire smaak heeft altijd verlangd naar een herkenbare voorstelling op een schilderij, naar een wijsje dat kan worden meegeneuried en naar een woordvolgorde die makkelijk te volgen is; en de grote meesters van onze tijd waren niet geneigd aan die verlangens te voldoen - noch wilden ze romantisch zijn of sentimenteel of bijzonder moralistisch.'

Hij betreurt het dat de intellectuelen zich afwenden van de nieuwe massamedia. Juist daardoor, meent hij, heeft bij radio en film een klimaat van anti-intellectualisme kunnen ontstaan. Maar pessimistisch is hij niet. Hoewel hij het aanbod van de commerciële omroep van zijn tijd laag aanslaat - 'geklets-muziek-moord' (de radio van toen lijkt op de tv van nu) - gelooft hij heilig in de toekomst. Als de culturele industrie maar voldoende onder druk wordt gezet, dan wordt de kwaliteit vanzelf beter. Als betere schrijvers zich maar eens met Hollywood gaan bemoeien en als de radio maar dichters bij de uitzendingen betrekt, dan zal alles goedkomen.

Een halve eeuw later hebben intellectuelen en kunstenaars inderdaad Hollywood omhelst, en het resultaat is ernaar. De gemiddelde dialoog uit de gemiddelde Amerikaanse film bestaat uit een uitwisseling van verwensingen:

- Fuck you.

- Fuck you!

- No, fuck you, motherfucker.

Wat ooit de provocatie van de avant-garde was, is nu het gnuivend domein van de massa geworden. Fuck en suck zijn de mayonaise en ketchup van het eigentijdse taalgebruik.

Het essay van Greenberg verscheen op een curieus moment. 1939 was het jaar van de Wereldtentoonstelling in New York. Wat daar werd getoond was The World of Tomorrow, een en al optimisme over de schitterende tijd die de wereld tegemoet zou gaan. Wie het paviljoen Futurama had bezocht - een paradijs van transport en communicatie - kreeg een button met daarop de tekst: 'Ik heb de toekomst gezien.' Machines zouden voortaan alle werk doen; eindelijk zouden wij onze handen vrij hebben voor de ongebreidelde beleving van geluk. De moderne tijd zou de mens definitief bevrijden van zijn ketenen. (De Wereld van Morgen had van alles voorzien, behalve de werkelijkheid die voor de deur stond: de Tweede Wereldoorlog.)

In retrospectief blijken de jaren dertig ook het laatste tijdperk van een formele stijl. De frivoliteit van de jaren twintig werd verwisseld voor een ingetogener vormgeving, die beter paste bij de economische realiteit. Art Deco was nog een laatste oprisping van de negentiende eeuw geweest, van overdaad en decoratie; de moderne tijd was zakelijk, op machines en snelheid geïnspireerd. De vormgeving daarvan, vol afgeronde hoeken en vaartstrepen, bood vooral een beeld van vooruitgang: Streamlined Moderne. Stroomlijn was minder techniek dan esthetiek: een vormgegeven ideologie. Iemand adviseerde president Roosevelt zelfs 'streamlining' te gebruiken als slogan voor economisch herstel.

Ook de mode was gestroomlijnd in een reeks van silhouetten, een schaal van expressie voor de eigentijdse man. 'Dit was de tijd', schrijft Alan Flusser in Clothes and the Man, 'dat het niveau van de Amerikaanse smaak op zijn hoogst was, de elegantie van onze kleding gelijk aan die van om het even welk Europees land. De jaren dertig zouden zelfs beschouwd kunnen worden als het tijdperk waarin de Amerikaanse manier van kleden zijn hoogtepunt bereikte.'

Hollywood gaf het goede voorbeeld. Het waren de hoogtijdagen van het studio-systeem, waarin aan de lopende band films werden geproduceerd met zulke elegante en goedgeklede sterren als Clark Gable, Cary Grant, Fred Astaire, Adolphe Menjou, Gary Cooper, Fairbanks Sr. en Jr. Films met een nadrukkelijke stilering, waaraan voor de kenner de signatuur van elke studio viel af te lezen. Het meest bewonderd werd M.G.M., de studio der studio's, dat meer sterren onder contract had dan aan de hemel schitterden.

Het publiek ging niet alleen naar de bioscoop om aan de werkelijkheid van de crisisjaren te ontsnappen en weg te dromen in een wereld van luxe en weelde bevolkt door Fred en Ginger, de film werd ook geraadpleegd als stijlgids, als ware het een tijdschrift. Films boden niet alleen een verhaal, maar - belangrijker nog - ook een gedragscode: een manier van kleden, praten en doen.

De laatste film van Woody Allen, Sweet and Lowdown, is een hommage aan die jaren dertig. De zogenaamde biopic van de fictieve jazzgitarist Emmet Ray is niet meer dan een flinterdun excuus voor een parade van gestileerde glamour in kleding en auto's en clubs, liefdevol gefilmd in gouden tonen. 'Emmet', schreef een criticus over de held, 'doet erg zijn best om cool te zijn. Met zijn pakken met bijpassende hoeden en de sigaret bungelend aan zijn lip, denkt hij de essentie te belichamen van de jaren-dertig-stijl. Maar hij komt niet verder dan de stijl van een man in een sigarettenreclame.' Al te strikte navolging ontaardt in parodie.

Vanaf de jaren dertig tot eind jaren zeventig bood de film ons modellen van stijl, smaak en gedrag. Sindsdien vervult de televisie die rol en de gevolgen zijn ernaar. Waar in films de art direction van interieurs en de keuze van kunst aan de muur een heel precieze betekenis had, is die bij de televisie verdwenen. Het is allemaal 'decor'. Een programma als Tv-Woonmagazine komt elke keer weer met de handige tip de muren van de woonkamer van kleurige vierkanten te voorzien. Ze hebben alle voordelen van schilderijen zonder de nadelen. Het is decoratie zonder bedoeling, kleur zonder visie. Het is abstractie als nieuwe kitsch.

In die aardige rubriek in de vara tv-gids, 'Buis & Haard', wordt wekelijks min of meer bekende Neder landers naar hun kijkgedrag gevraagd. Meest voorkomend verlangen is 'het verstand op nul zetten', ongeacht of men de werkdag heeft doorgebracht met breinbrekers of met lichte kantoorwerkzaamheden. Niet-denken is blijkbaar verkieslijker dan denken. De keuze voor krimi of soap wordt niet ingegeven door een verlangen tot bespiegeling en interpretatie, integendeel - men wil beeld en geluid als een lauwe douche over zich heen laten komen. Het verstand op nul, dat is het leven uitbesteed: de stem van André Hazes huilt voor ons; Big Brother zit, kletst, knuffelt en boert voor ons. (De ironie is dat er tegenwoordig zo veel 'interactiviteit' wordt ontwikkeld voor mensen die daar helemaal niet naar verlangen. Interactiviteit - denken, reageren - is juist hun grootste angst.)

'De radio', schreef Gilbert Seldes toen televisie de media nog niet domineerde, 'spot met de gemiddelde intelligente persoon omdat hij niet past in het klimaat van passieve aanvaarding die de commerciële omroep moet bewerkstelligen; een intelligent persoon is tot op zekere hoogte kritisch; hij stelt vragen, hij is nieuwsgierig. Deze aspecten zijn overbodig voor het succes van de uitzendingen, die zich richten op de vermoeidheid van de gewone man als hij van zijn dagelijkse werk komt en op de dagdromen van vrouwen als man en kinderen het huishouden aan haar hebben overgelaten.'

Sterker nog: intelligentie is verdacht. Afwijkingen in oordeel en smaak worden niet getolereerd. Wie niet luistert naar André Hazes en niet weet wie wie is in Goede tijden, Slechte tijden, of niet heeft gekeken naar Big Brother, die plaatst zich buiten spel. Anders-zijn is indecent, een ongepaste poging je te onderscheiden van de groep. Feind hort mit. 'Iemand die niet is zoals iedereen', somberde Ortega y Gasset in 1932, 'die niet denkt als iedereen, loopt het risico te worden geëlimineerd. En het is natuurlijk duidelijk dat dit "iedereen" niet "iedereen" is.'

Deugt er dan niets aan massacultuur? Natuurlijk wel. Er bestaan strips, films en songs die zowel toegankelijk als inventief zijn, amusant en ontroerend. In de regel geldt: hoe jonger een medium, hoe origineler de resultaten. Maar als winstbejag en bereikcijfers gaan domineren verstart inventie tot een keurslijf, een format. Ook hier regeert de Wet van Gresham: het slechte verdrijft het goede. Beverly Hills is zo schoon, zei Woody Allen in Annie Hall, omdat ze hun vuilnis niet weggooien maar veranderen in tv-shows.

De low culture die altijd vreedzaam naast de high culture had bestaan en midden jaren zestig door de popcultuur daar zelfs bij betrokken werd (als contrast, als citaat, als dissonant), heeft zich inmiddels ontpopt als een vraatzuchtig monster, een Body Snatcher die alles opslokt, overneemt en gelijkschakelt.

Dwight Macdonald vergeleek de massacultuur met een lawine: een blinde kracht die met geweld alle barrières van klasse, traditie en smaak wegvaagt en daarmee elk cultureel onderscheid doet vervagen.

Massacultuur, oordeelde hij, is op haar best een gevulgariseerde reflectie van hoge cultuur en op haar slechtst een culturele nachtmerrie, een Kulturkatzenjammer. 'Het mixt en het roert alles dooreen,' schrijft hij in Masscult & Midcult (1960), 'waardoor iets ontstaat dat gehomogeniseerde cultuur kan worden genoemd, naar die andere Amerikaanse prestatie, het homogeniseringsproces dat de roomdeeltjes gelijkmatig door de melk verspreidt in plaats van toe te laten dat ze allemaal afzonderlijk naar de top drijven. Het interessante verschil is dat waar de room zich nog steeds in de gehomogeniseerde melk bevindt, het op de een of andere manier verdwijnt uit gehomogeniseerde cultuur.'

De room is uit de cultuur verdwenen, wat rest is taptemelk. Light culture. Wie denkt dat deze ontwikkeling een bron van zorg is voor de staatssecretaris van Cultuur, Rick van der Ploeg, komt bedrogen uit. In een interview met Vrij Nederland etaleert hij breeduit zijn recept voor het aantrekken van een nieuw publiek: kopieer het succes. Wie 120.000 bezoekers wil trekken, zoals het Beeldinstituut in Rotterdam, hoeft maar één keer de plasseksfoto's van Andres Serrano te tonen, zoals het Groninger Museum heeft bewezen. Of anders: 'Foto's en schilderijen van dode mensen, zoals de Kunsthal en het Teylers Museum. Een ode aan het mannelijke zwarte geslachtsdeel, zoals bij Robert Mapplethorpe en bij Erwin Olaf. Mooi ook in zwart-wit. Dat zijn blijkbaar dingen die de mensen willen zien.'

Dingen die de mensen willen. Een treuriger definitie van cultuurbeleid bestaat niet. Van der Ploeg pleit voor de verplatting van de cultuur: Skyboxen in de opera! Voetbal als cultuurmodel. Alle dagen kermis.

De oude dandy, observeerde de schrijfster Susan Sontag, haatte vulgariteit. De nieuwe dandy apprecieert vulgariteit. Ze bedoelde: met gepaste afstand en ironie, als camp. Zo werd de muziek van André Hazes een tijdlang ook 'gewaardeerd' als provocatie, als omkering van alle waarden. 'Het is goed omdat het slecht is.' Maar ook camp werd gemeengoed; het werd door radio en televisie geannexeerd en gepopulariseerd, en in die uitvergroting verdwenen de aanhalingstekens. Nu zitten we ermee: André Hazes op de voorpagina. De zingende knakworst als het cultuurmodel van Rick van der Ploeg.

Umberto Eco definieerde slechte smaak, op het terrein van de kunst, als het opdringen van een geprefabriceerd effect. Maar hij was optimistisch gestemd. In De structuur van de slechte smaak, een analyse van de argumenten van al die Amerikaanse doemdenkers, van Greenberg tot Mac donald, onderschrijft hij veel van hun ideeën, maar zijn conclusie is anders. Hij gelooft dat er een roman kan bestaan die bedoeld is als ontspanningslectuur, maar die toch esthetische kwaliteit heeft en oorspronkelijke ideeën uitdraagt. Om zijn gelijk te bewijzen, schreef hij die roman later zelf, De naam van de roos. Het succes daarvan illustreerde paradoxaal genoeg ook zijn ongelijk. Zoals Eco zelf constateerde: miljoenen kochten zijn boek; duizenden lazen het daadwerkelijk.

Kunst wordt steeds meer een kwestie van 'hebben' en steeds minder van 'ervaren'. Waarbij wat we moeten lezen, zien en horen steeds eenvormiger wordt. In Amerika, Europa en Azië worden dezelfde bestsellers verkocht, films bezocht, tv-programma's bekeken en muziek beluisterd. (En dezelfde kleding gedragen, hetzelfde bier en fris gedronken, hetzelfde fast food geconsumeerd.) In het werelddorp domineert een internationale stijl.

International Style was ook de titel van een tentoonstelling in 1932 in het Museum of Modern Art in New York. Hier werden de opvattingen van het Bauhaus gepresenteerd als blauwdruk voor de toekomst. Stijl moest niet langer gedicteerd worden door lokale tradities; de wortels met het verleden moesten worden doorgesneden, waarna de nieuwe beeldtaal waarlijk internationaal zou gaan heersen. De architectuur van de platte daken, glazen wanden, witte muren en het gebruik van staal en beton als bouwmaterialen zijn inderdaad de wereld gaan domineren, maar ze heeft niet gebracht wat ervan verwacht werd. Zo adembenemend als de eerste resultaten waren, zo voorspelbaar en fantasieloos was wat volgde. Ook in de architectuur was het format allesbepalend, want winstgevend, geworden.

De International Style was in opzet zowel een intellectuele als een morele beweging, de uitwerking van die oude socialistische droom van het maakbare paradijs. De toekomst zou anders zijn, dat was een ding dat zeker was, maar niet voorzien was dat die vorm losgesneden zou worden van zijn inhoud, van zijn betekenis.

In deze tijd van lege vormen en loze successen zou het zinvol zijn ons eens op dat verleden te bezinnen. Op een periode toen stijl en idee waardevoller werden gevonden dan het geld en succes (het gevonden geld en het vanzelfsprekende succes), waar het jonge volk van droomt. Want, zoals de Inspecteur uit de Katzenjammer Kids het al verwoordde: 'Mit dose kids, society iss nix.'

Hoog tijd voor een nieuwe elite.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden