EssayEenpitters

Weg met de loonslaaf, leve de zzp’er

Beeld Paul Faassen

Is het vrijheid-blijheid in zzp-land, of worden zzp’ers vooral uitgeknepen door lepe werkgevers die te knieperig zijn om hen een fatsoenlijk tarief te betalen? De zzp’er verdient in elk geval wat meer respect, schrijft columnist Sheila Sitalsing, ook een zzp’er – en niet alleen in het diepst van haar gedachten.

Mijn kinderen hebben me nageschapen in The Sims. (Dat is een computergame: een soort huisje spelen in 3D met zelfgecreëerde personages die in zelfgebouwde huizen, stevig bijgestuurd door hun schepper, door hun virtuele leven struikelen) Mijn Sims-alter ego is in rap tempo bezwangerd en bevallen van een tweeling, en rent nu verwilderd heen en weer tussen baby’s die permanent boos om eten schreeuwen.

‘Waar is hun vader, waarom doet hij niks?’ vraag ik.

‘Die zit op zijn werk’, zegt een (echt) kind.

‘En ik dan? Werk ik dan niet?’

‘Ja maar jij bent freelancer, jij hebt tijd, jij kan voor die kinderen zorgen.’

Zo gaat dat dus.

Als je zonder duidelijke sturing door het huis dwaalt, af en toe iets op een laptop tikt en dat weer wist, als je langdurig uit het raam staart omdat de eerste zin maar niet komen wil en zonder welke de rest van het stuk onmogelijk is wellicht al in de buitenlucht boven de bamboe zweeft, als je op je telefoon naar filmpjes van oude CDA-congressen kijkt, door De Telegraaf bladert, een briljante inval noteert die straks bij nalezing toch niet zo briljant en allicht onbruikbaar zal blijken te zijn, en weer langdurig naar de bamboe kijk.

Als je nooit klaagverhalen hebt over collega’s, nooit luidruchtig aan het beeldbellen bent met boven- of ondergeschikten, nooit gewichtige ‘planningsvergaderingen’ of scrumsessies of andere ellende hebt waar je netjes aangekleed heen moet, nooit iets leuks vertelt over vies eten uit de bedrijfskantine, nooit een kerstpakket mee naar huis sleept met daarin een ovenschaal en iets maatschappelijk betrokkens, nooit een personeelsuitje hebt waarbij je je in sportkleding aan collega’s moet vertonen, nooit naar een vrijmibo hoeft, nooit neem-je-kind-mee-naar-het-werk-dag hebt, nooit zorgelijk ‘ik moet navragen bij personeelszaken of ik dan wel weg kan’ zegt als er een vakantie gepland wordt, nooit huilend thuis op de bank zit omdat je onderworpen bent aan een baas die dommer is dan jij.

Als je uitlegt dat je dat soort kantoorslaafdingen niet hoeft te doen omdat je freelancer bent, schrijvende freelancer zelfs, die keihard aan het werk is wanneer ze naar de bamboe staart, indachtig de werkwijze van de grote Annie M.G. Schmidt – ze deed hem uit de doeken in Wat ik nog weet: languit op de bank liggen en nadenken over vragen als ‘wat klinkt leuker: Ringel Rangel Ronde of Ringel Rangel Roezemoes? Soms kan ik een kwartier met zo’n probleem bezig zijn.’

Dan ben je zelfs in de ogen van je eigen kinderen niet serieus aan het werk.

Ook Annie had daar, al haar grootsheid ten spijt, al last van wanneer ze op de bank over Ronde of Roezemoes lag na te denken: ‘Er kwam een keer een schilder de kamer behangen. Gaat uw gang maar, zei ik, dan werk ik ook gewoon door. Hij zag mij op de bank liggen en vond het duidelijk vreemd, maar liet niets merken. Na een uurtje zei hij: Moet u nou niet ’s een beetje rusten?’

Vroeger heette het freelancer, of eenpitter, of eigenrijder voor wie in het professionele vervoer zat, of als je wat winstgerichter was ingesteld: ‘eigen ondernemer’. Ergens in de loop van de 21ste eeuw is het zelfstandige zonder personeel gaan heten. Dat klinkt officiëler en wat officieel klinkt kun je reguleren.

Echt aardig is er nooit over gesproken. Een half mensenleven geleden waren de ‘vrije jongens’ van Koot en Bie al patjepeeërs die allergisch waren voor de belastingdienst en regels meer iets voor de anderen vonden. En ook tegenwoordig bestaan er de wildste en lelijkste oordelen en vooroordelen over de menssoort die inmiddels met z’n 1,3 miljoenen is, en die zonder baas of vast dienstverband losse klussen doet of eigen projecten bedenkt en uitvoert of zelf klanten werft. De menssoort die zijn eigen pensioen, vakantie en ziektedagen bij elkaar spaart. En die, inderdaad, nooit een kerstpakket mee naar huis neemt.

Zoals: dat loopt de hele ochtend in pyjama, en drinkt de hele middag haverlattes in de Coffee Company waar het achter een MacBook verkapt werkloos zit te zijn. Of: dat zit de hele dag naar bamboe te staren en noemt dit productief zijn.

Beeld Paul Faassen

Terwijl: de zzp’er staat doorgaans op een bouwsteiger. Rijdt vracht rond. Trekt hulpbehoevende ouderen steunkousen aan. Trekt rotte kiezen. Bezorgt pakjes. Bakt en verkoopt brood. Bemiddelt in arbeidsconflicten. Geneest zieke honden. Geeft celloles. Componeert. Danst. Organiseert. Tolkt en vertaalt. Plant en oogst. Adviseert. Programmeert. Redt levens. Opereert hangende oogleden. Maakt. Handelt. Verkoopt. Verhuurt. Doet uitvindingen.

Zzp’ers zijn overal; het hardst is hun aandeel gegroeid in de bouw. De meerderheid verhuurt een dienst – de eigen arbeid, de eigen vindingrijkheid, de eigen kennis en wijsheid, de eigen spierkracht, het eigen talent. Een minderheid maakt en verkoopt iets: brood, worsten, beeldende kunst.

Of deze: mensen worden zzp’er vanwege de belastingvoordelen. Ondernemers mogen onder bepaalde omstandigheden extra bedragen van hun opbrengsten aftrekken waardoor hun belasting lager kan uitvallen – er is een zelfstandigenaftrek, een MKB-winstvrijstelling, een startersaftrek. Over dat ‘voordeel’ smiespelen mensen in loondienst afgunstig (terwijl ze hun vakantiegeld natellen), en schrijven ambtenaren die al 247 jaar rondschuifelen op een stoffig ministerie zurige ambtelijke adviezen (waarna ze zich drie dagen ziekmelden wegens vage pijn in de linkerpink). Want calculerende types zouden massaal uit dienst gaan om hun diensten als zelfstandige aan te bieden, omdat ze dan ‘veel meer’ zouden overhouden.

Terwijl: die belastingaftrek is er voor het dekken van het ondernemersrisico. Een opdrachtgever die omvalt, een innovatie die minder oplevert dan gedacht, beestjes in het bakmeel, een gesprongen waterleiding in de spreekkamer, onverhoeds stijgende inkoopkosten, een afgeblazen project, een kapotte fiets. En voor het regelen van zaken die niet vanzelf geregeld zijn: geld apart zetten voor pensioen, vakantie, langdurige ziekte (bij vage pijn in de linkerpink werkt de zzp’er gewoon) en een slechte-tijdenbuffer.

En terwijl: zzp’ers worden zzp’er omdat ze, zo blijkt uit enquêtes van het Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘toe zijn aan een nieuwe uitdaging’, ‘zelf willen bepalen hoeveel en wanneer ze werken’, ‘niet (meer) voor een baas willen werken’ (onderschat het hierboven geschetste verdriet beslist niet, over onderworpen zijn aan een baas die dommer is), ‘werk en privé beter willen combineren’.

Pas op de zevende plek staat als reden: ‘Ik kon meer verdienen als zelfstandige’. Het is ook niet zo gek dat dit pas op de zevende plek komt, want er wórdt doorgaans niet meer verdiend als zelfstandige. Zelfstandigen verdienen, aldus het Centraal Bureau voor de Statisiek, in doorsnee per jaar 7.000 euro minder dan mensen in loondienst.

Dit vooroordeel is ook populair: zzp, dat is één groot wandelend risico. Haalt de neus op voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. En bouwt voornoemde buffers helemaal niet op. Kijk maar naar de run op de Tozo, de coronahulplijn voor zelfstandigen die na één zinnetje – geen zaaltjes, geen podia, geen samenscholingen, gewoon niks, eerst tot 1 juno, naar later bleek eigenlijk tot sint-juttemis – hun halve jaarinkomen zagen vervliegen. Of hun hele. Als het een beetje had gespaard, was er niks aan het handje geweest.

Terwijl: wet 1 van het verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid is dat men zich blauw betaalt aan een paraplu, die men bij mooi weer gul krijgt aangereikt en bij regen onverwijld moet inleveren. (Zie in dit verband ook het bericht dat festivalorganisatoren zich na deze pandemie niet meer kunnen verzekeren tegen een volgende pandemie).

Wet 2 van het verzekeren is dat men vervolgens wordt opgelicht met een woekerpolis of iets aanpalends.

Het is kortom niet te betalen, een goed dekkende, particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Broodfondsen kunnen een bescheiden alternatief zijn, maar hebben beperkingen. Er ligt een advies bij de minister van Sociale Zaken voor een verplichte publieke basisverzekering voor alle zelfstandigen: over de vormgeving daarvan is evenwel het laatste woord nog lang niet gezegd.

En wat de Tozo betreft: tegen een zakelijke catastrofe als corona was niemand bestand. KLM en Hunkemöller begonnen na drie dagen lockdown al te jengelen om steun of huurverlaging. Zij kunnen een voorbeeld nemen aan de meer dan de helft van de zelfstandigen die blijkens een enquête van vakcentrale FNV wél een buffer heeft, variërend van drie maanden tot meer dan een jaar. En aan al die zelfstandigen die gestaag en zonder zeuren ook in het holst van de lockdown hebben doorgewerkt.

Zelfs deze wilde gedachte kom je weleens tegen: als er iets misgaat in een grote onderneming, komt dat door de zzp’ers. Een bont voorbeeld hiervan is de ondergang van het Slotervaartziekenhuis, anderhalf jaar geleden. Het was de apotheose van een langlopend drama waarin van alles was langsgekomen: wankel management, permanent gedoe over geld, rare ondernemers aan het roer, twijfels over het bestaansrecht. Niettemin bestond de directie het om na de klap driftig te gaan wijzen naar zzp’ers: ingehuurd zorgpersoneel dat het vuige lef had gehad om geld te vragen voor de aangeboden diensten en zo de arme, onderbetaalde ziekenhuisbestuurdertjes op kosten had gejaagd.

Het begeleidende verhaal in deze krant ging over personeel in de zorg dat uit dienst gaat, zich terugverhuurt als zelfstandige, ‘hoge tarieven’ vraagt, ‘weigert’ rotdiensten te draaien, collega’s in vaste dienst dientengevolge ‘benadeelt’, en anderen laat opdraaien voor de administratie. Het werd als een groot probleem gebracht; de krant had er bijna drie kantjes voor ingeruimd.

Terwijl: jarenlang was de grote klacht in de zorg dat het personeel onderbetaald en overvraagd was, zijn tijd moest verdoen met administratieve onzin, gebukt ging onder onderwaardering. Dus ging het zorgpersoneel het dan maar in godsnaam zelf regelen: uit dienst treden om autonomie te herwinnen en serieus met het vak bezig te kunnen zijn, een iets betere vergoeding te vragen, geen tijd meer te hoeven verdoen met administratieve rompslomp. Door doei en de groeten te zeggen tegen inflexibele – of incompetente – werkgevers die daar in dienstverband niet in wilden of konden bewilligen.

Niettemin met droge ogen klagen dat jouw nette firma is uitgeknepen door zzp’ers: origineel is het beslist.

Nog een verwijt dat zzp’ers treft: ze ondermijnen het collectieve sociale stelsel. Veel van de regelingen die Nederlanders van een redelijk bestaan voorzien wanneer werken niet meer gaat (uitkeringen bij werkloosheid, pensioen, ziekte en arbeidsongeschiktheid) worden betaald door mensen in loondienst en door hun werkgevers, via de sociale premies. En ze zijn bedoeld voor mensen met een dienstverband.

Zzp’ers vallen daarbuiten. De goed boerende zelfstandigen sparen of beleggen hun eigen pech- en pensioenbuffers bij elkaar. De kwakkelzelfstandigen verhuren zich ver onder de prijs aan bedrijven die zo én lekker bezuinigen op arbeid, én geen sociale premies hoeven af te dragen. Als die kwakkelzelfstandige nul opdrachten heeft, rest het afvoerputje van de sociale regelingen: de bijstand.

Terwijl: indachtig de premier, die graag de hele tijd ‘Ík heb dit virus niet bedacht’ zegt: deze praktijken heeft de zzp’er niet bedacht.

Beeld Paul Faassen

Aan de onderkant heb je de zzp’ers die worden uitgeknepen, die hetzelfde werk doen als collega’s in loondienst, maar dan voor de helft van de prijs. Dat zijn de zzp’ers die weinig onderhandelingsmacht hebben, die hun arbeid moeten zien te verkopen op een overvolle markt aan machtige opdrachtgevers die eenzijdig voorwaarden en tarieven kunnen opleggen. Zzp’ers die derhalve noodgedwongen hun zelfstandigenaftrek niet opzij zetten om de kosten voor later en de kosten voor het ondernemersrisico te dekken, maar de aftrek doorgeven aan de opdrachtgever door voor een veel te laag tarief te werken. Zo verdwijnt dit belastingvoordeel in de zakken van werkgevers. Zoals onder meer op de markt voor journalistiek is gebeurd.

Ze scholen samen in het hoekje van de arbeidsmarkt met andere zzp’ers die helemaal niet willen zzp’en, die opereren op een markt waar simpelweg nauwelijks vaste banen zijn: orkesten, theatergezelschappen, de bouw, de media, de festivalbranche.

Even verderop staan de mensen die via platformen hun diensten aanbieden, zoals bestelmaaltijden rondfietsen of taxiritjes verzorgen, en die soms onder geen enkele vorm van collectieve verplichting of bescherming vallen.

Hier bevinden we ons dus op het terrein van proleterige opdrachtgevers en ongelijke machtsverhoudingen, het terrein waar de mythe van vrijheid, flexibiliteit, zelfstandigheid en eigen ondernemerschap wordt misbruikt om te ontkomen aan rechten en plichten waar in cao’s langdurig voor gestreden is. Het terrein waar opdrachtgevers via de rechter gedwongen worden tot billijke tarieven.

Hier hebben we dus een systeemfout te pakken. Een weeffout in een systeem dat voor de deelname aan diverse collectieve voorzieningen een verkeerde scheidslijn trekt: tussen vast en flex. Terwijl de scheidslijn zou moeten liggen tussen de mensen die voor zichzelf kunnen zorgen en de mensen die dat niet kunnen, ongeacht de contractvorm.

Een weeffout die niet de schuld is van arme zzp’ers, maar de schuld van een systeem waar het vaste contract lang zo was dichtgetimmerd en omhangen met goudgerande zekerheden en onaantastbare ontslagbescherming, dat bedrijfsdirecteuren die flexibiliteit wilden inbouwen in hun personeelsbestand wel moesten uitwijken naar de vrije jongens. Naar de uitzendkrachten, naar de zzp’ers, die het ventiel werden voor de dichtgetimmerde contracten. De flexibele schil dijde zo uit, almaar dikker en dikker werd hij. Wie tegenwoordig nieuw op de arbeidsmarkt komt, krijgt zelden nog een vast contract.

Er is in het bedrijfsleven goud geld verdiend met dat leger van flexibele werknemers; voordat corona zich ermee ging bemoeien klotste het geld hier tegen de plinten.

Ondertussen was het pleisters plakken in volle gang: in eindeloze rondes van slepende onderhandelingen over ‘vast minder vast en flex minder flex’ werd geprobeerd de scherpe kantjes er vanaf te slijpen. Hier werd een beetje geschaafd, daar een beetje toegegeven, daar weer extra bescherming opgeworpen. Soms juist op de verkeerde plek. Soms met effecten die nooit de bedoeling waren geweest. Soms in compromissen waar je aan kon aflezen wie er níét aan de onderhandelingstafel hadden gezeten: juist ja, de zzp’ers.

Het nieuwste voorstel van een commissie onder leiding van oud-ambtenaar Hans Borstlap om de zaken voor de zoveelste keer radicaal aan te pakken en de arbeidsmarkt opnieuw te herkavelen, maar nu echt, ligt alweer een paar maanden op de plank bij het ministerie van Sociale Zaken. Van de voorgestelde grootse hervormingen zal midden in de coronacrisis vermoedelijk niet heel veel terecht komen. Voor de verkiezingsprogramma’s zullen de krenten uit de pap worden gevist. Daarna zal een langdurige formatie volgen.

Nee, van de zzp’er bent u voorlopig niet af.

Wat ons brengt bij het hatelijkste vooroordeel: zzp’ers lachen ze keihard uit, de loonslaven, de kantoormensen, de verplicht-vergaderen-mensen, de dienstendraaiers, de types die zich moeten onderwerpen aan dingen als 360 graden-feedback en de jaarlijkse ‘waar zie je jezelf over drie jaar’-gesprekjes, de vakantiedagentellers, de loonstrookjesverzamelaars. Zzp’ers achten zich, ondanks alles, gelukkiger, vrolijker, blijer en vrijer.

Terwijl: ja. Dát is heel erg waar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden