Weg met dat relativerende

Persoonlijk zou hij een straatje om zijn gegaan om de ‘vreselijke hork’ Isaac Newton te ontlopen. Maar verder is de 17de-eeuwse geleerde voor historicus Floris Cohen het rolmodel bij uitstek voor vooruitgang in de wetenschappen....

Op een aantal plaatsen in zijn nieuwe boek Isaac Newton en het ware weten neemt de Utrechtse wetenschapshistoricus Floris Cohen de alfa’s onder zijn lezers even vaderlijk apart. Mocht het u, beste lezer die de natuurwetenschappen niet helemaal paraat heeft, hierna even boven de pet gaan, schrijft hij dan, sla dan de komende, technische alinea’s gerust over. Daar en daar pakt u dan gewoon de draad weer op.

Dat, zegt Cohen, zijn de passages waar zijn levenspartner, een harde alfa, bij het meelezen afhaakte. Niet dat ergens formules in het boek staan, maar ze zijn wel net wat abstracter.

‘Het gaat natuurlijk om de hoofdlijnen in mijn betoog, maar je moet soms wel exact genoeg zijn om je punt echt goed te maken’, zegt Cohen. ‘Tegelijk kan ik me voorstellen dat het ook de bèta’s onder mijn lezers nu en dan duizelt, vooral waar het gaat om de gedachtenwereld van vóór Newton.

‘Newtons ideeën zijn zo bepalend geworden voor ons eigen denken over beweging en krachten, dat het echt moeite kost ze helemaal uit je kop te zetten. Het grappige is dat alfa’s het daarmee in feite veel gemakkelijker hebben dan de bèta’s: die zijn veel onbevangener.’

Geschiedschrijving, geeft Cohen aan, is de kunst van het vooruitdenken vanuit een historische situatie. Ook in de geschiedenis van de wetenschap. ‘Bèta’s hebben misschien wat sterker de neiging te zoeken naar de wortels van hun inzichten. Terwijl dat doorgaans constructies achteraf zijn.’

In Isaac Newton en het ware weten reconstrueert Cohen (historicus met gymnasium-b) het ontstaan van Newtons belangrijkste werken, de Principia Mathematica uit 1687 en Opticks uit 1704. Daarin worden de wetten van de zwaartekracht en van de lichtbreking afgeleid. Fundamenten van de moderne natuurkunde zijn dat.

Waarom Newton? Ten eerste, zegt Cohen, omdat er zeker in het Nederlands op dat niveau eigenlijk geen goed boek is over het werk van Newton (1643-1727). ‘Er zijn wel enkele biografieën, maar er is eigenlijk niets dat overzichtelijk en toegankelijk uiteenzet wat eigenlijk de samenhang en de achtergronden zijn van alles wat in de Principia aan de orde komt.’

In de tweede plaats Newton omdat Cohen als historicus een stevige professionele opvatting heeft over de essentie van de natuurwetenschappen. ‘De laatste zin van het boek luidt niet voor niets: Isaac Newton had groot gelijk. Dat is een fijne retorische slotzin. Maar belangrijker is dat het nadrukkelijk ingaat tegen de neiging van veel collega-wetenschapshistorici om liever helemaal niet in termen van gelijk en waarheid te denken en te schrijven.

‘In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontstond de gewoonte om de waarheidsclaim van de natuurwetenschappen weg te relativeren. Alles was maar een theorie, die ook zo weer anders kon worden. Ik heb me daar altijd tegen verzet. En vooral tegen de onwaarachtigheid. Want diezelfde relativerende historici wisten best dat we de fysieke werkelijkheid nu beter begrijpen dan in de Middeleeuwen.’

Vooral die onoprechtheid maakt u echt boos, lijkt het.

‘Niet persoonlijk. Maar bij de grondleggers was het nog vooral een methodologisch punt: laat de feiten spreken, niet de huidige opvattingen. Het relativisme is erg doorgeslagen; mensen die het vraagstuk van vooruitgang liever ontwijken met een soort antropologisch perspectief: van buitenaf kijken naar de gebruiken en rituelen. Terwijl echte vooruitgang een wezenskenmerk is van natuurwetenschap, zoals die in de 17de eeuw is ontstaan.’

De cruciale vraag, ook voor historici, moet dan zijn: hoe kan dat?

‘Hoe timmer je de waarheid uiteindelijk vast? Waarom lukt dat? Dat is de echte vraag.’

En?

‘Mijn boek draait vooral om de vergelijking tussen Robert Hooke en Isaac Newton. En in zekere zin ook Huygens in Nederland. Zij zijn tijdgenoten, rivalen, collega’s, en denken over dezelfde dingen na. Maar het zijn heel verschillende typen wetenschappers. Hooke kan geweldig speculeren, maar hij is niet erg van het toetsen of afmaken. Huygens is een briljante probleemoplosser met weinig oog voor het grote geheel.

‘Newton is daarvan een perfecte mengvorm. Hij heeft een enorme verbeeldingskracht, hij kan niet ophouden te verzinnen hoe het zit, maar hij heeft ook het vermogen om zichzelf in te tomen en te dwingen de inzichten tot op het bot uit te werken; desnoods met zelfgemaakte nieuwe wiskunde, zoals zijn differentiaal- en integraalrekening. Hij is nooit tevreden, en komt daardoor het verst.’

Was de methode destijds op zich ook een discussiepunt?

‘Zeker, de mate van zekerheid van een uitspraak was een heel centrale kwestie. Hypotheses non fingur, schrijft Newton: ik verzin niets. Strikt genomen is dat niet waar, hij doet namelijk niet anders. Maar wat hij bedoelt, is dat hij niet uit eerste beginselen werkt, maar streeft naar zekerheid achteraf. Via de toetsing van de strikte wiskunde en de experimenten.’

Kortom: een modern genie.

‘Dat mag je bijna niet zeggen in de moderne geschiedschrijving, die de nadruk legt op context. Maar: jawel, een genie. Zij het in zijn volle historische context.’

Helden mogen niet?

‘Historisch heb je niet veel aan dat begrip. Het verklaart zo weinig. En op persoonlijk vlak was Newton een nare hork, er zit heel wat Asperger in die man, uiteindelijk een establishmentfiguur die buitengewoon hard en uit de hoogte kon zijn. Ik zou hem niet graag zijn tegengekomen, geloof ik.’

Wat was die context?

‘Dat is vooral de denkwereld van Descartes, die alles ziet in termen van wervelende ether en botsingen. Maar helemaal op basis van volgens hem onbetwijfelbare beginselen: omdat de dingen zo moeten zijn, niet omdat ze aantoonbaar zo zijn. Sterker nog: er klopt aantoonbaar niets van, alleen: komt dat door imperfecte omstandigheden of door een foute theorie?

‘Newtons tijdgenoten hielden ware kennis voor onbereikbaar. Meer dan waarschijnlijkheid zat er niet in. Daarin komt uiteindelijk het begrip kracht naar voren. Wij kunnen haast niet anders meer denken, maar in die tijd was dat even een lastig begrip: kracht. Liever dacht men in kinematische termen: in bestaande bewegingen die steeds een logisch vervolg zoeken.’

Newton moet uiteindelijk ook niets van Descartes hebben, omdat diens leer van lichaam en geest tot atheïsme leidt.

‘Het mechanische en onbezielde zint hem als religieus mens niet.’

Bekend is dat Newton een aanzienlijk deel van zijn tijd besteedde aan bijbelstudie en theologische verhandelingen. En aan alchemie trouwens.

‘Vooral dat laatste is lang een taboe geweest, ook onder historici. Ja, was dan het verhaal, van al die duizenden stukken over alchemie zijn er maar een paar van hemzelf, de rest is overgeschreven van anderen, zoals je tegenwoordig een kopietje maakt. Klopt, maar Newton zocht wel degelijk zoals vele anderen naar de Steen der Wijzen. Het lijkt er meer op dat uit die experimenten een deel van zijn visie op materie, licht en kracht is voortgevloeid.’

Maar die Steen der Wijzen vond ook Newton niet?

‘Niet in de alchimie, maar elders natuurlijk wel degelijk.’

Moeten moderne wetenschappers iets van Newton opsteken?

‘Dat ware wetenschap voortkomt uit een combinatie van verbeelding en uiterste strengheid. Dat dat het uiteindelijk allemaal aankomt op het streng vastnagelen van wat je beweert.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden