Boekrecensie Building and Dwelling - Ethics for the City (*****)

Weergaloos boek over de vraag: Hoe beïnvloedt stedenbouw het stadsleven?

Hoe ontwerp je een stad die mensen helpt op een goede manier met elkaar om te gaan? Socioloog Richard Sennett schreef er een weergaloos boek over.

Richard Sennett Foto Getty

Na zijn beroerte moest de beroemde Amerikaanse socioloog Richard Sennett opnieuw leren lopen. Soms werd hij daarbij bevangen door duizelingen en zocht hij steun tegen een muur of winkelpui in de Kantstrasse, een brede straat in Berlijn waar hij destijds verbleef. Daar stond hij dan, een zeventiger die het even niet meer trok. Hoewel hij voelde dat er naar hem gekeken werd, sprak niemand hem aan. Passanten identificeerden zich niet met die onbekende oudere man.

Je zou dit kunnen opvatten als het gedrag van afgestompte en vervreemde stedelingen, zegt Sennett. Maar dan zie je over het hoofd welke subtiele dagelijkse omgang stedelingen weten te vinden met de duizenden nabije vreemden om hen heen. Als Sennett op het trottoir in elkaar zou zijn gezakt, zouden er heus wel enkele voorbijgangers zijn toegeschoten. Maar hij had geen directe hulp nodig, en dat werd in een oogwenk geregistreerd. Dus lieten mensen hem de ruimte.

Een stad vraagt om de kunst van het bewaren van een gepaste afstand. Of, zoals Sennett zou zeggen, om een door waarden gedreven manier van omgaan met elkaar – een ethos – dat recht doet aan onderlinge verschillen. Hoe krijgt een stad vorm rond zo’n ethos? Voor Sennett, die altijd al een scherp oog heeft gehad voor de waarde van ambachtelijk werk en er naast zijn werk aan topuniversiteiten een professionele praktijk op nahoudt als stedenbouwkundige, is dit eerst en vooral een concrete vraag. De uitdaging wordt dan: hoe ontwerp je een stad die mensen helpt om op een goede manier met elkaar om te gaan?

Building and Dwelling is zijn antwoord op die vraag, en wat voor een! De urgentie van zijn schrijven is bijna benauwend, alsof de tijd hem op de hielen zit. Mijn grootste kritiek op dit fantastische boek is dat het bijna te veel van het goede is. Het is als lezer nauwelijks bij te houden: al die rijke voorbeelden en zinvolle begrippen die je echt anders naar steden laten kijken. Sennett schetst veelzeggende historische lijnen (lees bijvoorbeeld hoe het plaatsen van urinoirs de straten van Parijs een heel wat leukere plek maakte om te flaneren, hoe dat ruimte bood voor de opkomst van etalages, hoe de etalage weer past binnen een economie die het imago van spullen exploiteert, enzovoort). Hij richt zich daarbij gelukkig niet alleen op het Westen, maar heeft ook oog voor de exploderende steden in het Zuiden. Bovendien is hij een vaardig schrijver die zijn boek opbouwt rond sterke voorbeelden en veelzeggende ervaringen.

Foto Deborah van der Schaaf

Leidend onderscheid in Building and Dwelling is dat tussen de fysieke, gebouwde stad (ville) en de stad als plaats waar een bepaalde manier van leven en verblijven tot stand komt (cité). De interactie tussen die twee bepaalt het unieke karakter van een stad. De files voor de slecht ontworpen tunnels van New York horen bij de ville, legt Sennett uit; het spitsuur dat New Yorkers richting die tunnels drijft bij de cité. Het is aan stedenbouwkundigen om een goed ontwerp te maken voor een specifieke cité, en daarbij hebben zij onvermijdelijk een ideaal voor ogen van een mooie en wenselijke manier van leven.

In Sennetts eigen ethos als stedenbouwkundige is ‘openheid’ het centrale woord. Gated communities zijn voor hem dus taboe, ook al vragen mensen er nog zo luid om en ook al is er nog zo veel geld mee te verdienen. Voor Sennett betekent  wonen in een stad dat je openstaat voor diversiteit. Die openheid maakt een stad tot de plek voor innovatie en exploratie, een plek waar je kunt worden wie je wilt zijn. Het is precies die belofte die mensen wereldwijd vanuit dorpen naar de stad trekt. Het leven in de stad is vaak hard – zeker voor de mensen in het Zuiden – maar de stad is ook een plaats van beweging en hoop. Als je inventief en streetwise genoeg bent, kun je jezelf misschien opnieuw uitvinden. Om deze belofte waar te kunnen maken, moet ook de fysieke stedelijke omgeving (de ville) ‘open’ zijn. Volgens Sennett wil dit zeggen dat het stedelijk ontwerp principieel meer vormen van gebruik moet toelaten dan ontwerpers zelf van tevoren kunnen bedenken.

Wat hij bedoelt, illustreert Sennett aan de hand van Songdo, een geheel nieuwe stad ten zuidwesten van Seoul. Songdo is een smart city. In het controlecentrum van de stad (de ‘cockpit’) wordt aan de hand van informatie (vergaard via sensors of mobiele telefoons) alles bijgehouden en bijgestuurd: verkeers- en afvalstromen, de luchtkwaliteit, elektriciteitsgebruik. Sennett toog met enkele jonge, begeesterde Harvard-studenten naar deze stad van de toekomst  en die bleken helemaal niet enthousiast. Voor hen voelde Songdo als een dorre, statische spookstad. Ze voelden zich zelfs enigszins beledigd. De stad heet dan wel ‘slim’, klaagden ze, maar je kunt hier je eigen vragen niet formuleren. Er valt in Songdo niets te veranderen of te proberen buiten de goedgekeurde algoritmen. Er is geen plaats voor nieuwsgierigheid. Slim Songdo houdt zijn bewoners dom.

Sennett is geen ideologische tegenstander van smart cities. Geen mens kan non-stop alert en nieuwsgierig zijn, en het is fijn als technologie tijdrovende routinetaken uit handen neemt. De echte ontwerpvraag is volgens hem: hoe kan een slimme stad tegelijk een open stad zijn? In Porto Alegre zag hij hier een demonstratie van. Bewoners van deze Braziliaanse stad gingen met stedenbouwkundigen in conclaaf over de herinrichting van hun buurt. Met behulp van big data werden de consequenties van bewonersvoorstellen ter plekke doorgerekend en zo mogelijk gevisualiseerd. ‘Dus jij wilt daar een stoplicht? Oké, we voeren het in. Op deze animatie zie je welke gevolgen dat zal hebben. Wie vindt dit een verbetering, wie een verslechtering?’ Hier maakt technologie opbloeiende discussies een stuk concreter, waardoor veel meer mensen kunnen meepraten en experts werkelijk dienstbaar kunnen zijn aan de behoeften van bewoners.

Een goed stedenbouwkundige moet oog hebben voor het kleine, maar ook groot durven denken, stelt Sennett. Daarmee neemt hij afstand van Jane Jacobs, de grande dame van het stadsactivisme die hij als jongeman leerde kennen. Jacobs had een hekel aan stedenbouwers die een plan uitrolden voor de mensen. Zij hield van straatleven dat langzaam groeit en elk buurtje zijn eigen karakter geeft. Jacobs wilde locals de ruimte geven en functies en mensen lekker door elkaar laten lopen. Alleen zo kan de stedelijke creativiteit bloeien, stelde ze.

De ideeën van Jacobs lopen spaak op schaal, constateert Sennett spijtig. Haar ethos werkte voor de Greenwich Village van de vroege jaren zestig, en misschien ook nog wel voor Amsterdam-Noord of Eindhoven. Maar het werkt niet voor Shanghai of São Paulo. Als miljoenen mensen in rap tempo naar dezelfde plek trekken, zul je als stedenbouwer vanuit snel reproduceerbare en dus eenvormige grids moeten werken om die enorme stroom mensen fatsoenlijk onderdak te kunnen bieden. Je zult ook de infrastructuren voor vervoer, energie en dataverkeer op de tekentafel aan elkaar moeten schakelen. Anders loopt een stad volledig vast.

Hoe bewaar je dan openheid? Sennett presenteert vijf ontwerpprincipes die ervoor kunnen zorgen dat de openheid van de ville niet hoeft te verdwijnen bij het opschalen. Lees ze vooral, maar wees gewaarschuwd: de duizelige man heeft een duizelingwekkend boek geschreven. 

Richard Sennett, Building and Dwelling: Ethics for the City. Uitgeverij Allen Lane; 342 pagina’s; € 27,50. (De Nederlandse vertaling verschijnt in november bij Meulenhoff als Stadsleven, € 24,99.) 5 sterren