WEELDERIGE REALITEIT

Misha de Ridder fotografeert de natuur. Niet als iets moois, maar als iets waarvan de kijker deel uitmaakt. Zoals de natuur zich manifesteert in zijn foto’s, zo toont zij zich zelden....

In Argentinië heb je als zevende zoon in een familie grote kans om weerwolf te worden. Begin 20ste eeuw was deze fabel nog zo wijdverbreid dat zevende zonen meestal verdwenen, ter adoptie werden weggegeven of op een akelige manier werden vermoord. Om dat te voorkomen werd in 1920 een wet van kracht die bepaalde dat elke zevende zoon van een familie onder toezicht viel van de president. De zevende zoon kreeg een gouden medaille op de dag dat hij gedoopt werd en een studiebeurs tot aan zijn 21ste. De wet is nog steeds van kracht, en tijdens verkiezingen komt het nog voor dat een president het doopfeest van een zevende zoon bezoekt.

De weerwolf komt niet alleen in Argentinië voor; hij kent allerlei variaties. Hij is vaak gesignaleerd in de bossen van Noord-Europa, in India vrezen mensen de weertijger, en in China en Japan kun je de weervos tegenkomen. Dit universele monster is een voorbeeld van beelden die wereldwijd in een oud en diep geheugen van de mens zijn opgeslagen. Ook culturen die elkaar in het verleden onmogelijk ontmoet kunnen hebben, delen de mythe van de weerwolf. Individuen blijken met vergelijkbare beelden rond te lopen in hun gedachten.

Dit verschijnsel van een universeel, collectief geheugen met archetypen als bouwstenen is een belangrijk onderdeel in het werk van Misha de Ridder. Het verhoudt zich tot een collectieve verbeelding van de natuur, die bestaat uit angst voor de natuur, maar ook uit het verlangen er opnieuw naar te kijken en er wezenlijk contact mee te maken.

De Ridder benadert de natuur op een onconventionele manier. Zelf zegt hij: ‘Ik heb het niet over natuur als iets moois; mijn werk gaat eerder over in die natuur zijn; deel uitmaken van de natuur. Dat is terug te zien in het standpunt dat ik kies dat afwijkt van wat je gewend bent; bijvoorbeeld dat je als een dier laag door de struiken kruipt of dat er in een graanveld waar je alleen naar beneden kijkt een horizon ontbreekt.’

De kunstenaar toont een weelderige boom zoals je zou willen dat een weelderige boom eruit zou zien, zoals in het werk Los Feliz. De kleuren druipen van de takken, die schuin van onder lijken te zijn gefotografeerd. Alsof De Ridder zijn naam hoorde roepen, achterom keek en in de vluchtigheid deze uitsnede van een paradijs aantrof.

En toch is er iets dat je als toeschouwer buitensluit. Het zijn misschien de details, het is misschien de scherpte van wat je ziet, die elke verbeelding te boven gaat. Deze afbeeldingen van de natuur zijn in hun scherpte en drang om een werkelijkheid te verbeelden op het groteske af.

Sinds landschappen en natuurtaferelen worden afgebeeld op schilderijen, foto’s en film, bestaat de ervaring voor de toeschouwer dat hij zich niet alleen ter plekke, maar ook in de wereld van een kunstenaar bevindt – luchten van Van Ruysdael, stranden met meisjes van Rineke Dijkstra. De manier waarop De Ridder de natuur in beeld brengt, heeft een dergelijke kracht een directe beleving te overstemmen.

Sinds ik zijn boek Wilderness heb gezien, zie ik bomen van De Ridder in de duinen van Schoorl, ik zie De Ridder wanneer ik 's nachts langs de snelweg een glimp van een struik opvang. Maar er is meer aan de hand. De beelden van De Ridder eisen een ruimte op tussen de associatie en de realiteit. Ze willen appelleren aan je associaties met schilderijen en foto’s maar confronteren je ondertussen met de werkelijkheid.

Het is geen toeval dat De Ridder het liefst fotografeert in het verre Westen – het achterland van Hollywood en het gebied van pioniers. Hij gaat er met zijn camera en een vermoeden van een beeld naartoe.

De Ridder: ‘Ik gebruik het landschap als canvas, en dit gebied is uitermate geschikt omdat allerlei vormen van landschap zoals canyons, alpine gebieden, woestijnen, oerbossen en kust er op een betrekkelijk klein oppervlak te vinden zijn. De canyons van Zuid-west-Utah zijn in dit opzicht misschien wel het meest extreem. Het is mogelijk om in de loop van de dag van klimaat te wisselen alsof je andere kleuren op je palet zet; op de canyonvloer kan het volop zomer zijn terwijl hoog boven je hoofd de lente nog niet eens is begonnen.’

Hij gaat te werk als set-dresser, met de natuur als opslagplaats. Deze doelbewuste houding is interessant in relatie tot het romantische gehalte van zijn beeldtaal. De romantische kunstenaar laat zich meeslepen door de oerkracht van de natuur. De Ridder heeft daarentegen voordat hij aan de slag gaat al een beeld in zijn hoofd, wellicht gevoed door de romantische kunst en Amerikaanse filmproducties; hij zoekt met opperste beheersing net zolang tot hij de afbeelding ervan aantreft in de vorm van de werkelijkheid.

Deze beelden zouden aangenaam zijn als ze niet zouden concurreren met de natuur zelf. Ze bieden een wereld die je bekend voorkomt, maar die tegelijk te wild, te exotisch, te extravagant is om je te kunnen voorstellen dat die iets te maken zou kunnen hebben met je eigen belevingswereld. Het enige wat je er tegenover kunt stellen is kijken. En zie: een schokkende struik, een verbijsterende tak, een berg takken en gras met een holmakende eenzaamheid.

Het toedichten van iets als eenzaamheid aan de natuur is niet wat De Ridder doet. Dat laat hij aan de kijker over. De beelden zelf kiezen niet of ze een binnen- of een buitenwereld portretteren. Deze meerledigheid bestaat ook in de manier waarop De Ridder de natuur in beeld brengt. Enerzijds laat hij de natuur zien zoals deze is, zonder zelf in in te grijpen of na afloop te monteren of te manipuleren; anderzijds is de schoonheid in dit werk – op het overdadige af – allesbehalve willekeurig gekozen, waardoor je geconfonteerd wordt met een extravagantie die niet alledaags is. De Ridder toont misschien wel de natuur zoals zij is, maar in uitzonderlijke kaders. Zoals de natuur zich manifesteert in de foto’s van de Ridder, zo toont de natuur zich zelden.

De foto Lost Cabin toont een woud van bleke, schriele bomen die in hun eigen welving verzonken lijken te staan. Het is alsof een dwaling van een krachtige aanwezigheid hun groeirichting heeft bepaald – zacht mos aan de wortels en een verte die zich achter in het bos alleen laat vermoeden. In dit beeld kun je verdwalen, zoals je in het woud waar de fotograaf heeft gestaan zou kunnen verdwalen. Het is geen sprookjesbos van Grimm, de bomen zijn er te dun voor. Het maakt de leegte en de mogelijkheid erin te verdwijnen schrijnender, enger, want dichterbij en voorstelbaarder, dan wanneer het een bos met donkere takken was geweest.

Een weerwolf zou zich moeilijk kunnen schuilhouden in dit bos. Maar als dat wezen de belichaming is van de dubbele houding van de mens ten opzichte van de natuur - de angst voor de leegte en het gevaar ervan, en tegelijkertijd het verlangen toch deel uit te maken van de weelderige realiteit, dan is hij in al het werk van De Ridder aanwezig.


Amsterdam, Galerie Juliètte Jongma (Gerard Douplein 23):Elysian Fields, natuurfoto's van Misha de Ridder, t/m 19 november; wo t/m za 13-18u eerste zo v/d maand Tel. 020-4636904 (www.juliettejongma.com).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.