Reconstructie Het raadsel Rembrandt

We hebben nog slechts zeven brieven van Rembrandt en door een dief waren dat er bijna zes geweest

Van Rembrandt zijn slechts zeven brieven bewaard gebleven, allemaal gericht aan Constantijn Huygens. Nu blijkt dat één van die brieven, de belangrijkste, een tijd gestolen is geweest. Hoogstwaarschijnlijk kwam de dief tot inkeer. 

Beeld Lars Deltrap

Heeft een dief een originele brief van Rembrandt gestolen uit de collectie van koningin Sophie en het handgeschreven epistel stilletjes weer teruggegeven aan een boswachter op Kroondomein Het Loo?

De brief van Rembrandt van Rijn aan Constantijn Huygens van 12 januari 1639 – een van de topstukken uit de collectie van Koninklijke Verzamelingen in Den Haag – was aan het einde van de 19de eeuw een aantal jaren spoorloos. Dat ontdekte Claudia Hörster, directeur Koninklijke Verzamelingen, bij het onderzoek naar de herkomst van de brief voor het televisieprogramma Het raadsel Rembrandt.

Van Rembrandt zijn maar zeven brieven bewaard gebleven. Ze zijn allemaal gericht aan Constantijn Huygens, de geniale secretaris en raad- en rekenmeester van stadhouder Frederik Hendrik, en gaan over hetzelfde onderwerp: de levering van een aantal schilderijen van Rembrandt aan het hof in Den Haag.

Stadhouder Frederik Hendrik, prins van Oranje, bestelde aan het begin van de jaren dertig van de 17de eeuw bij Rembrandt ‘de Passiereeks’, vijf boogvormige schilderijen die het lijden van Christus verbeelden. De eerste twee, De kruisoprichting en De kruisafname, leverde Rembrandt vlot af in 1633. Op beide schilderijen zette Rembrandt zichzelf in het centrum van de voorstelling. Met een blauwe baret naast de bloedende, doorspijkerde voeten van Christus op De kruisoprichting. En smartelijk, zijn wang teder tegen de buik van het dode lichaam van Christus, op De kruisafname.

De schilder plaatste zichzelf zo rechtstreeks op de wand van het kabinet van Frederik Hendrik. Rembrandt wist dat hij daar zou worden herkend door staatshoofden, kapitaalkrachtige kunstliefhebbers en potentiële opdrachtgevers. Maar er was meer: hij toonde zijn persoonlijke betrokkenheid bij het lijden van Christus.

Tevreden met het resultaat van de eerste twee bestelde de Stadhouder – en Constantijn Huygens trad daarbij op als zijn adviseur en bemiddelaar – daarop nog drie panelen op hetzelfde formaat: een hemelvaart, graflegging en opstanding. Ditmaal zette Rembrandt er geen vaart achter. Integendeel.

Pas in februari 1636 schreef Rembrandt aan Huygens dat De hemelvaart gereed was en vroeg de secretaris of hij die alvast wilde ontvangen, of dat hij liever wilde wachten tot de andere twee panelen ook gereed waren. Bovendien begon de schilder vrijpostig te onderhandelen over de hoogte van zijn honorarium. Daarna bleef het stil.

Weer bijna drie jaar later, in de brief van 12 januari 1639, meldde Rembrandt dat hij ‘met grote lust en toewijding’ aan de laatste twee ‘stukken’ had gewerkt en dat die door zijn ‘studieuze vlijt’ gereed waren gekomen. Deze brief is de belangrijkste van de zeven brieven van Rembrandt, omdat het de enige keer in de geschiedenis is dat de schilder in zijn eigen woorden een uitspraak doet over de inhoud van zijn werk.

De reden dat hij de panelen zo lang onder handen had gehad, schreef Rembrandt, was dat hij op de graflegging en de opstanding van Christus ‘die grootste ende naetuereelste beweechgelickheit’ tot stand had willen brengen.

Wat bedoelde Rembrandt met die woorden? Wilde hij zo natuurlijk mogelijk beweeglijkheid suggereren? Zeker: de bewakers van het graf tuimelen van schrik en verbijstering alle kanten op als een engel de deksel van de sarcofaag oplicht en Christus uit het graf verrijst. Of bedoelde Rembrandt het ook figuurlijk? Streefde de schilder ernaar om de emotie van de kijker te bewegen?

Opstanding van Christus uit het graf. Beeld Rembrandt van Rijn

Of Rembrandt zijn creatieve en intellectuele worsteling alleen als excuus voor het oponthoud gebruikte, daaraan wordt getwijfeld. Maakte hij ineens haast met het voltooien van de opdracht omdat hij op 5 januari 1639, samen met zijn vrouw Saskia, voor maar liefst 13 duizend gulden een imposant pand aan de Sint Anthonisbreestraat in Amsterdam had gekocht? Hij had geld nodig.

De schilderijen voor het hof waren nog nat toen hij ze opstuurde. Rembrandt realiseerde zich dat hij wat goed had te maken. In de brief bood hij Constantijn Huygens persoonlijk een groot schilderij aan dat ‘het huis van mijn heer waardig’ was. Het mat wel ‘10 voet lang en 8 voet hoog’. Op basis van het formaat denken we dat het om De blindmaking van Samson ging. Waarschijnlijk heeft Huygens het geschenk niet aanvaard.

De brieven van Rembrandt over ‘De passiereeks’ kwamen in de 19de eeuw onder de hamer. Zo vond bij Sotheby’s in Londen op 30 mei 1825 de veiling van vier brieven van ‘a gentleman of the highest consideration’ plaats, uit de collectie van Cornelius Ascanius van Sypestein, aangetrouwd familielid van erfgenamen van Huygens.

Uiteindelijk zijn alle zeven brieven in prestigieuze collecties terechtgekomen, in Parijs, Londen en Cambridge (in de Verenigde Staten). En eentje dus in Den Haag, de plaats waar die oorspronkelijk vanaf Rembrandts huis in Amsterdam aan de Binnen Amstel, ‘thuijs is genaemt die suijkerbackerrij’, per trekschuit naartoe was gebracht.

De brief van Rembrandt aan Constantijn Huygens van 12 januari 1639, waarin hij uitlegt waarom twee werken uit de passiereeks op zich laten wachten. Beeld Koninklijke Verzamelingen, Den Haag

Rembrandts brief van 16 januari 1639 – waarschijnlijk ook uit het bezit van Van Sypestein – werd in 1841 op een veiling bij Jeronimo de Vries in Amsterdam voor 111 gulden gekocht, schreef de Rembrandtkenner Horst Gerson in zijn boek Seven letters by Rembrandt. Waarschijnlijk was dat onder auspiciën van koningin Sophie, de eerste vrouw van koning Willem III, die een verwoed verzamelaar was van handschriften en autografen – al is de rekening niet in het archief van Koninklijke Verzamelingen terug te vinden.

De brief van Rembrandt past naadloos in de collectie van de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag. Niet alleen omdat die handelt over een opdracht van het hof, maar vooral ook omdat het archief van Constantijn Huygens er is ondergebracht. Twee strekkende meter correspondentie met staatslieden, invloedrijke personen en familieleden. De brieven van Huygens áán Rembrandt zijn overigens niet bewaard gebleven.

‘Ik ben er altijd vanuit gegaan dat de brief van Rembrandt bij de collectie Huygens behoorde’, zegt directeur Hörster. ‘Maar ik heb me niet gerealiseerd wat een omzwervingen die allemaal heeft gemaakt.’

Op zoek naar de exacte herkomst van de brief deed Hörster een opmerkelijke ontdekking. In een gemarmerd en gebonden cahier met het opschrift ‘Agenda ingekomen en uitgegane stukken 1866-1891’ noteerde een medewerker van het archief op 5 juni 1887: ‘Van den Administrateur van het Kroondomein ontvangen een brief van Rembrandt volgens officieuze inlichtingen toebehoord hebbende tot de Nalatenschap van wijlen koningin Sophie en door een onbekende aan ZEd ter hand gesteld om geplaatst te worden in het Huis Archief des Konings.’

‘Dat betekent’, vertelt Hörster zichtbaar verbaasd, ‘dat de brief van Rembrandt waarschijnlijk ooit is gestolen.’

Beeld Lars Deltrap
Beeld Lars Deltrap

Op een losse notitie die bij de brief van Rembrandt is ingevoegd, is een reconstructie gemaakt van de mysterieuze verdwijning. Na de dood van koningin Sophie op 3 juni 1877 werd de brief van Rembrandt niet aangetroffen tijdens de inventarisatie van haar nalatenschap. Noch in de boedel van haar zoon Alexander van Oranje-Nassau, eveneens een verwoed verzamelaar, die op 21 juni 1884 stierf. Een half jaar na de dood van Alexander, op 28 januari 1885, werd bij Van Stockum in Den Haag een andere brief van Rembrandt geveild voor het destijds duizelingwekkende bedrag van 1.351 gulden.

‘Niet lang daarna’, vertelt Hörster, ‘werd door een onbekende op het Kroondomein, het koninklijk landgoed rond Paleis het Loo, waarschijnlijk aan een boswachter, de brief van Rembrandt afgegeven.’

Wat was er gebeurd?

‘Ik denk’, zegt Hörster, ‘dat de dief zich wezenloos is geschrokken. De dader is nooit ontmaskerd, maar moet toegang tot Sophie’s handschriftenverzameling hebben gehad. Hij moet zich vertwijfeld hebben afgevraagd: wat heb ik gedaan?! Ik heb niet zomaar een hebbedingetje met de handtekening van Rembrandt erop, maar een brief van grote waarde ontvreemd. En die vervolgens als een dief in de nacht hebben terugbezorgd.’

In de rechterkantlijn van de agenda op 8 juni 1887 staat: ‘Den brief in ontvangst genomen en geplaatst bij de Autographen. 2e Serie N 359a.’ Toen decennia later het archief van Constantijn Huygens werd herschikt, werd de brief van Rembrandt daarbij gevoegd.

‘De brief ligt bij zijn broertjes en zusjes’, zegt Hörster. Voor haar als kunsthistorica is de brief van Rembrandt misschien wel het bijzonderste object uit de collectie. Ze is blij met de historische ontdekking, maar met terugwerkende kracht ook opgelucht. ‘Het was een kleine soapopera’, lacht ze. ‘Maar nu is die voorbij.’

Het raadsel Rembrandt, AVROTROS zaterdag 12/10, 21.10 NPO2. Zie hier een interview met Claudia Hörster.

Lees verder: 

Onno Blom ging in de Pieterskerk in Leiden op zoek naar het graf van Rembrandts moeder

Hoe de passie van Christus ook voor Rembrandt een lijdensweg werd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden