InterviewTofik Dibi

‘We hebben activisten nodig die van buitenaf tegen het systeem schoppen’

Tofik Dibi.Beeld Eva Roefs

In Het Monster van Wokeness brengt Tofik Dibi een ode aan de twitteractivisten die racisme bestrijden. Al vergeten ze soms wie de vijand ook alweer was. 

Ieder bericht dat we achterlaten op sociale media, is terug te herleiden naar een van twee behoeften, schrijft Tofik Dibi in het voorwoord van zijn nieuwe roman, Het Monster van Wokeness.

Geef me liefde, of geef me geld.

Waarbij de behoefte aan liefde – of aandacht – meestal de boventoon voert, zegt Dibi. Zo was het bij hem en zo is het ook bij Kawtar, de hoofdpersoon uit zijn roman. Kawtar werkt op de redactie van NRC Handelsblad, als een van de weinige redacteuren van kleur, en leidt een schaduwleven als Twitter-activist Kannibelle. In die laatste hoedanigheid is ze het Monster van Wokeness, de meest ‘woke’ activist van Twitter, in de ogen van tegenstanders een nietsontziende social justice warrior (sjw’er), voor medestanders een heldin die strijdt voor gelijkwaardigheid.

Het idee voor een roman over twitteractivisten ontstond in 2016, vertelt Dibi (39) in zijn rijtjeshuis in de buurt van de Gaasperplas in Amsterdam Zuidoost – hij woont er sinds juni. ‘Je bent welkom, maar don’t judge’, waarschuwt hij van tevoren. Een koelkast heeft hij nog niet. Er staat een fles Spa Blauw, een doos roze snoepmix en een schaal mandarijnen op tafel, de zithoek is gloednieuw.

Dibi zag een ‘onderstroom’ ontstaan, zegt hij. ‘Een paar jaar geleden begonnen steeds meer mensen zich op sociale media te verzetten tegen racisme, seksisme en homohaat, ze gaven de witte Nederlander, de witte mens, ervan langs. Dat was het begin van wat nog steeds aan de hand is. Er is een afrekening gaande. Een afrekening met de witte dominante blik. Een afrekening met niet alleen rechts, maar ook met links en het politieke midden.’

Bij een afrekening horen slachtoffers, en soms zijn dat witte mensen met goede bedoelingen, viel Dibi op. ‘In 2017 speelde er een akkefietje waarbij Meester Bart, die een column in Trouw schreef over zijn werk op een middelbare school in de Bijlmer, werd aangepakt door een aantal sjw’ers. Meester Bart schreef over zijn multiculturele klas en maakte op die manier naam voor zichzelf. Sommige twitteraars vonden dat exploitatie, emo porn – het werd eliteracisme genoemd. Ik ging uit van de goede bedoelingen van Meester Bart, dus ik bemoeide me ermee, vond dat hij te fel werd aangevallen. Waarom, zei ik tegen die sjw’ers, richt je je niet op echte vijanden? Ik snapte niet waarom ze het deden.’

Vervolgens kreeg jij zelf kritiek.

‘Ik mocht niet aan de kant Meester Bart gaan staan, als persoon van kleur. Dat was niet loyaal. Het zou als munitie tegen sjw’ers worden gebruikt. En ik moest ook niet over de toon beginnen, niet aan ‘tone policing’ doen. Ik vond het verwarrend dat ik blijkbaar een kant moest kiezen en dat ik, als ik de kant van Meester Bart koos, door activisten als een sell out werd gezien. Ik wil absoluut geen sell out zijn, dus ik voelde me aangesproken. Ik ben opgegroeid in Amsterdam-West, ik werk daar nu als bestuursadviseur. Ik heb altijd trouw willen blijven aan waar ik vandaan kom.’

Je zegt: er is een afrekening gaande, ook met links en het politieke midden. Is zo’n afrekening nodig?

‘Deels wel, want links en het politieke midden zijn de afgelopen twintig jaar erg naar rechts opgeschoven. Het werd, onder invloed van partijen als de PVV en Forum, steeds gebruikelijker om bepaalde groepen als problematisch weg te zetten. Andere partijen gingen daarin mee, en zo sijpelt dat idee door in instituties. Ook partijen die ik als bondgenoten zag, hebben meegewerkt aan het legitimeren van een racistisch klimaat, bijvoorbeeld door openlijk te spreken over een ‘Marokkanenprobleem’, over ‘kutmarokkanen’. Dus ik snap die afrekening, ik snap het gevoel: jullie zijn medeplichtig, dus nu gaan we met jullie een appeltje schillen. Uit hetzelfde gevoel zijn partijen als DENK en Bij1 ontstaan. Toen ik van 2006 tot 2012 voor GroenLinks in de Kamer zat, was dat afzien. Het ging altijd over de boze witte burger, als antiracisme-activist kwam je er niet tussen. Pas de laatste jaren is er iets aan het kenteren. Ik vind dat we dat moment moeten pakken. En dat betekent dat we geen energie moeten verspillen aan onderling gekissebis, aan geruzie op de vierkante centimeter, aan mensen als Meester Bart aanvallen.’

Het boek is, behalve een ode aan de social justice-beweging, ook een aanklacht tegen doorgeschoten twitter-activisme. Of op z’n minst een waarschuwing.

‘Het is een waarschuwing. Ik vind dat er te lui, te makkelijk, te snel wordt geoordeeld. Feiten tellen soms niet meer, de tweet moet meteen worden verstuurd. Veel activistische kringetjes zijn ook kinderachtig. Een like geven aan iemand die door de anderen in het kringetje als tegenstander wordt gezien, mag niet. Tegelijkertijd moet je onderling natuurlijk alles liken. Sommige groepjes bepalen in overleg wie er oké is en wie niet, en een aanval op iemand wordt vaak georkestreerd. Eén misser is vaak voldoende om erbuiten te vallen. Blinde loyaliteit is belangrijk. Ik vind dat er meer ruimte moet zijn voor kritiek, voor mensen die willen leren, zonder dat ze meteen worden afgebrand als ze iets doms zeggen. Ik heb zelf ook geleerd dat ik het n-woord niet moet gebruiken, doordat ik het jaren geleden deed op Twitter en werd aangesproken door activist Quinsy Gario. Ik was zeer beledigd. Ik dacht: hallo, ik ben opgegroeid met hiphop, ik heb zwarte vrienden! Nu ben ik wijzer. Ik denk dat we allemaal dat soort momenten hebben gehad. Ik zie het boek niet als een aanklacht. Het is een realistisch kijkje in de wereld van het twitteractivisme.’

Hoe weet je dat dit een realistisch inkijkje is?

‘Omdat ik me in deze wereld begeef, al is het inmiddels misschien een beetje aan de zijlijn. Alle personages in het boek zijn gebaseerd op echte personen die ik persoonlijk ken – ik ga niet zeggen wie. De hoofdpersoon, Kawtar, is gebaseerd op meerdere mensen, deels op mezelf. Ik heb geprobeerd te schetsen hoe iemand zich kan verliezen in de wereld van sociale media. Hoe mooi het kan zijn als je daar gelijkgestemden vindt, maar ook hoe je je erdoor kunt laten meeslepen. Ik leerde er wat white privilege is, wat cultural appropriation is, werd me bewust van mijn eigen blik. Mijn hoofdpersoon zegt: ‘Mijn nieuwe ogen en oren nemen alles anders waar.’ Zo ervoer ik dat ook.’

Kawtar neemt, naarmate het boek vordert, steeds meer afstand van iedereen in haar omgeving die niet ‘woke’ genoeg is. Heb jij dat ook gedaan?

‘Ik herken het mechanisme. Ik beweeg me in verschillende kringen, ook in kringen die totaal niet ‘woke’ zijn, kringen die door sjw’ers zeer problematisch genoemd worden. In mijn werk als bestuursadviseur in Amsterdam Nieuw-West spreek ik veel mensen op straat, en die hebben soms racistische of seksistische denkbeelden. Mijn broers zeggen ook wel eens iets waarvan ik denk: hmm. Aandacht voor racisme vinden ze belangrijk, maar ze lachen me uit als ik het over cultural appropriation heb. Ze zeggen dan dat ik in een intellectueel, zweverig wereldje leef, terwijl zij bezig zijn met real life – waarmee ze bedoelen: een baan hebben en de huur kunnen betalen. Ook Kawtar beweegt zich in meerdere werelden. Bij NRC probeert ze van binnenuit iets te veranderen, wat niet lukt, terwijl ze op Twitter met haar sjw-groepje meer invloed heeft – door haar tweets verdwijnen programma’s van de buis en moeten ondernemers hun zaak sluiten. Kawtar leidt een gespleten leven. Dat is iets wat ik ken. Ik heb vaak fake gedaan, ik ben thuis anders dan onder vrienden, bij bepaalde vrienden ben ik weer anders dan bij andere vrienden, en in de gayscene ben ik anders dan daarbuiten.’

Beeld Eva Roefs

Wanneer was je fake?

‘In mijn middelbare schooltijd, maar eigenlijk ook daarna, heb ik me vaak anders voorgedaan dan ik ben. Ik durfde niet uit te komen voor mijn seksualiteit. En eigenlijk is dat iets wat nog steeds speelt, bijvoorbeeld als ik aan het werk ben in Nieuw-West. Ik heb dan de neiging om iets te onderdrukken. Verbergen niet, want ik weet ook wel dat iedereen het weet, maar ik wil niet dat ze denken dat ik alleen maar dát ben. Ik ben me zeer bewust van hoe ik overkom.’

Waar heb je het gevoel dat je het meest jezelf bent?

Denkt lang na. ‘Als ik alleen ben.’

Het Kamerlidmaatschap van Tofik Dibi eindigde in 2012, nadat hij zich had gekandideerd als lijsttrekker voor GroenLinks, een bij voorbaat kansloze missie. De kandidatencommissie bestempelde hem openlijk tot ongeschikt, hij behaalde 12 procent van de stemmen, en stond bij de volgende Kamerverkiezingen te laag op de lijst om zijn zetel te behouden.

Dat laatste jaar in de Kamer hadden de bekendheid en de bijbehorende aandacht een loopje met hem genomen, zegt Dibi. ‘Aandacht is spannend, verslavend, maar kan ook verstikkend zijn. Het gaat met je ego aan de haal. Eén keer duizend likes halen, betekent dat de volgende keer honderd likes halen niks meer waard is. De lat komt steeds hoger te liggen. Meer, meer, meer. Wat ik toen meemaakte, lijkt erg op wat er met Kawtar in het boek gebeurt. Kawtar wil zoveel mogelijk exposure, ze wil gezien en gewaardeerd worden. En daardoor gaat ze zich steeds minder genuanceerd uitlaten. Voor mij gold: als ik een week niet in de media was geweest, maakte ik me zorgen. Wow, wat is er aan de hand, ben ik nog wel goed bezig? Ik ontleende er mijn eigenwaarde aan. Bij elk nieuwsfeit dacht ik: ik moet hierover twitteren, mijn mening is belangrijk. Ik nam mijn telefoon mee de douche in, want als een journalist of televisieprogramma zou bellen, moest ik opnemen. Ik zat constant te kijken of ik nieuwe likes en reacties had. Het was een soort grootheidswaan.’

Heeft die grootheidswaan tot je politieke einde geleid?

‘Deels wel. Maar ik zat ook in de knoop met mezelf. Ik zag geen uitweg meer, wist niet wat ik met mijn seksualiteit moest. Journalisten vroegen ernaar, anderen ook. Ik wist niet hoe ik dat moest oplossen. Erover praten durfde ik niet. Met wie? Dan zou ik moeten erkennen dat ik homo ben, en dat durfde ik niet, dat kón niet. Het was een enge, onbestemde tijd. Ik leefde ongezond – weinig slapen, weinig eten, alleen maar bezig zijn met de actualiteit. Tegelijkertijd zocht ik bij GroenLinks de controverse op, door me te kandideren als lijsttrekker. De dag dat ik dat deed, veranderde alles. Ik merkte dat mensen me lieten vallen. Ineens was ik niet meer de belofte, maar een omstreden figuur, iemand die de partij in gevaar bracht.’

Waarom deed je het? Het lijkt alsof je je politieke carrière bewust wilde opblazen.

‘Ik heb de partij nooit iets aan willen doen. Het was zelfdestructie. Dat is iets wat bij mij op de loer ligt. Ik mag er niet zijn, dat gevoel is er altijd. Ik ben na mijn Kamerlidmaatschap voor alle BN’er-dingen gevraagd. Ranking the Stars, Expeditie Robinson, noem maar op. Ik vond dat ik nee moest zeggen, want bekend zijn is geen vak, maar het was best moeilijk om vol te houden. Ik wilde dolgraag bewijzen dat ik niet in de goot was verdwenen, dat ik nog steeds gewild en veelgevraagd was.’

Je hebt ruim drie jaar wachtgeld ontvangen. Dat is lang aan je blijven kleven.

‘O mijn god, verschrikkelijk. Toen ik wachtgeld kreeg, kregen minstens honderd andere ex-politici ook wachtgeld, maar iedereen zag alleen mij. Ik denk dat dat ook deels te maken heeft met wie ik ben, en tot welke groep ik behoor. Ik kwam niet aan de bak. Ik had geen opleiding afgemaakt, had geen goed netwerk, en was beschadigd geraakt in die laatste maanden bij GroenLinks. Moest ik gaan vakkenvullen? Ik was te bang voor de reacties. Dat ze zouden zeggen: kijk, Tofik Dibi vult vakken. Dat kon niet, ik schaamde me. Er kwamen undercoververslaggevers in mijn straat, ze belden aan bij de buren, ik voelde me vreselijk opgejaagd. Ik heb een afspraak met mezelf: zodra ik rijk genoeg ben, stort ik alles terug.’

Was het einde van je politieke carrière achteraf noodzakelijk?

‘Ja, ik moest daar weg. Ik had gewoon moeten vertrekken, dan was de schade minder groot geweest. Maar als ik was gebleven, had ik nooit open durven zijn over mijn geaardheid. De groep die ik wilde vertegenwoordigen, waar ik een voorvechter voor wilde zijn, maar ook mijn familie, zou het over zich heen krijgen. Ik was ervan overtuigd dat ik mijn geheim mee moest nemen in mijn graf. Nu denk ik: domme jongen. Ik was nog een kind. Ik moest eerst politiek op m’n bek gaan om in te zien dat ik er eerlijk over kon zijn. Pas tijdens het schrijven van Djinn ben ik wat meer volwassen geworden. Pas toen was er een moment van zelfacceptatie.’

Djinn verscheen in 2018. Het was een coming out in boekvorm. Wat heeft dat boek veranderd?

‘Alles. Ik kan nog steeds niet bevatten hoeveel dat boek heeft veranderd. Niet omdat alles daarna perfect was, want dat was niet zo. De wereld was niet ineens perfect, de gayscene is niet perfect. Maar het komt niet veel voor dat iemand zoals ik nog contact heeft met familie, en enigszins gelukkig door het leven gaat. Sterker nog: ik ken helemaal niemand met mijn achtergrond bij wie dat is gelukt. Ik ken moslims die uit de kast zijn gekomen, of van wie de familie erachter kwam, maar bij hen is het contact verbroken. Dat mijn familie het weet, maar dat ik ze nog steeds zie, is bijna onwerkelijk.’

Heb je rekening gehouden met de mogelijkheid dat ze je zouden verstoten?

‘Mijn vader is overleden, maar ik was wel bang dat het een breuk zou veroorzaken met mijn moeder. Het was een risico. Ook door de manier waarop ik het heb gedaan, met een boek. Dat is niet zoals de gemiddelde Marokkaanse familie het graag ziet. Als het dan al zo is, doe het alsjeblieft stiekem. Mijn moeder belde me vorige week, ze weet dat er een tweede boek aankomt, en ze vroeg: ‘Tofik, zeg eerlijk, waar gaat dit boek over?’ Dus ik heb gezegd dat het gaat over iemand die tegen racisme is, een soort Sylvana, want die kent ze, maar dan jonger. ‘Weet je het zeker?’ ‘Ja mama, ik weet het zeker.’’

Beeld Eva Roefs

Je beschrijft in Djinn hoe schaamte over je geaardheid je hele leven beheerst. Lukte het de afgelopen jaren dat gevoel van je af te schudden?

‘Ja. Ik heb met dat boek gewacht tot ik zeker wist: ik kan dit aan. Ik wist van tevoren dat de straat een probleem zou worden. Sterker nog, de straat wás al een probleem, want mensen vermoedden al dat ik homo was, ook Marokkaanse jongens. Ik wist dat het gescheld – flikker, zemel – exponentieel zou toenemen. Maar tijdens het schrijven viel er al zo’n last van me af, het was een awakening. De jaren na de publicatie zijn de mooiste jaren van mijn leven geweest. Halleluja, het was fantastisch. Het was me gelukt, mijn familie wilde me nog zien en ik had zelfs een bepaalde mate van respect in de Marokkaanse gemeenschap weten te behouden. Het voelde alsof ik het geflikt had. Wat niet wegneemt dat ik werd uitgescholden.’

Gebeurt dat nog steeds?

‘Ja, en het blijft daar niet altijd bij. Als het alleen maar schelden is, gaat het bij mij het ene oor in en het andere oor uit. Er gebeurden na Djinn ook andere dingen: stoppen met de fiets om voor me op de grond te spugen, blikjes gooien, achternalopen, omsingelen, duwen, er was een Marokkaanse man die met zijn scooter op me in wilde rijden toen ik probeerde over te steken, een marktkoopman op Plein ‘40-’45 die tegen me zei dat ik daar begraven zou worden als ik er vaker zou komen ‘rondparaderen’. Als ik jongens tegenkom van vroeger, merk ik dat ze zenuwachtig worden, omdat ze niet met mij willen worden gezien. Omdat iemand zou kunnen denken: ‘Misschien is dat zijn vriend.’ Dat gebeurt ook met collega’s, ze staan op dezelfde tramhalte en doen alsof ze me niet zien. Maar dat alles had ik van tevoren ingecalculeerd. Het eerste jaar na Djinn vond ik het niet zwaar, het deed me niks – ik liep op wolken. Maar na die honeymoonfase heb ik gedacht: aha, dit gaat dus nooit meer weg. Dit is blijkbaar de prijs. Ik dacht ook: op een gegeven moment loopt het uit de hand. Ik was bang dat ik ooit mijn zelfbeheersing zou verliezen, dat het me niet meer zou lukken om de andere wang toe te keren. Ik woon nu in een andere buurt, en ben sinds corona niet uitgescholden, een unicum. Maar eigenlijk wil ik terug naar Nieuw-West. Ik wil niet dat het lijkt alsof ik het heb opgegeven, alsof ik ze heb laten winnen.’

Je mailde dat Het Monster van Wokeness een paar keer is uitgesteld, omdat je tijdens het schrijven van mening bent veranderd. Waarover?

‘Eerst vond ik dat sjw’ers op Twitter op hun toon moesten letten, zich niet moesten richten op witte mensen met goede bedoelingen. Ik vond ‘kindness’ het hoogste goed. Dat vind ik niet meer. Ik heb me inmiddels gerealiseerd dat instituties, politieke partijen of machthebbers pas tot actie overgaan als er iets op het spel staat. Als ze niet bang zijn, verandert er niks. Het feit dat Kick Out Zwarte Piet steeds fysiek aanwezig was bij Sinterklaasintochten, maakte ze invloedrijk. Ook vrouwenrechten en homorechten zijn op onvriendelijke manieren tot stand gekomen, niet door het aardig te vragen. Ik zou nu dus nooit meer aan ‘tone policing’ doen. Het boek was eerst een te makkelijke aanklacht tegen wat ik zag als doorgeslagen sjw’ers, het was te eenzijdig, karikaturaal. Als je een versie van een jaar geleden zou lezen, zou je zien dat Kawtar een genadeloze bitch was. Het is nu eerlijker, met meer oog voor haar intenties. Pas vorig jaar heb ik me gerealiseerd dat we de veranderingen die we nu zien, voor een deel te danken hebben aan dit soort mensen. Ik ben met een mildere blik naar de sjw’ers gaan kijken. Ik hoef ze niet allemaal aardig te vinden en ik vind dat niemand verheven is boven kritiek, maar hun activisme is belangrijk. Dat statement wilde ik óók maken met dit boek.’

Kawtar zegt in het boek ook verslaafd te zijn aan de negatieve reacties die ze oproept: ‘Het geluid van het geschreeuw doet iets met m’n ego wat ik niet durf toe te geven.’

‘Ja, ook haatreacties zijn aandacht. En veel mensen retweeten hatelijke reacties die ze krijgen, ook om te laten zien: kijk eens wat ik over me heen krijg. Zie hoe dapper ik ben, dat ik onder deze druk mijn rug recht houd. De strijdlust die je voelt als de racisten boos op je zijn, tilt je ook op.’

Dit boek gaat over de vraag: verander je het systeem door er van buitenaf tegenaan te schoppen of van binnenuit? Wat is je eigen antwoord?

‘Ik denk dat het systeem niet van binnenuit veranderd kan worden. Als je bij een krant gaat werken, of bij een politieke partij, dan kun je het op jouw vierkante meter net iets anders doen dan de rest. Maar het systeem veranderen zal je niet lukken. We hebben activisten nodig die van buitenaf tegen het systeem schoppen. De social justice-beweging op Twitter is in de kern een emancipatiebeweging. Sociale media maken veel meer mensen ‘woke’, en dat leidt uiteindelijk tot verandering in de echte wereld. Ik probeer met dit boek oprecht een bijdrage te leveren aan die beweging. Mijn hoop is dat activisten dat inzien. Ik ben niet bang om gecanceld te worden. Alleen God kan mij cancelen.’

Achterin Het Monster van Wokeness, de debuutroman van Tofik Dibi, staat een ‘wokabulaire’, een gids in terminologie en sociale media-slang. ‘Woke’ is volgens die lijst: ‘Alert zijn op onrechtvaardigheid in de maatschappij. Het gaat om je verdiepen in de materie, niet om een tajine kopen bij de Xenos.’ Een antiracist is ‘iemand die niet achteraf bij zijn vrienden klaagt over wat voor racistische dingen oma allemaal heeft gezegd tijdens het kerstdiner, maar daadwerkelijk tegen oma zegt dat ze haar brutale, slecht geïnformeerde mond moet houden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden