INTERVIEW

Wat wil Neo Rauch?

Neo Rauch geldt als een groot schilder. Eerder kreeg hij veel kritiek op zijn realistische stijl. V toog naar zijn atelier in Leipzig en vroeg hem naar de betekenis van zijn werk.

Beeld Marcel Wogram

Het kan geen toeval zijn. De dag dat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten is verkozen, en in Duitsland zowel de Kristallnacht (1938) als de Wende (1989) worden herdacht, zit de zwaarmoedige schilder Neo Rauch aan tafel voor een interview. Directe aanleiding voor het gesprek is het schilderij dat Museum de Fundatie deze week voor 400 duizend euro van hem heeft aangekocht: Gewitterfront (onweersfront). Het middelgrote schilderij laat een man van middelbare leeftijd zien die al trommelend voor het naderend onweer waarschuwt. Achter de knielende figuur hangt dreigend een donkergrijze lucht die voor de nodige ellende gaat zorgen. Inderdaad, 'onheilszwangere thematiek', noemt Rauch het zelf. 'Er broeit iets.'

Nee, dat Neo Rauch (56) dit onderwerp dit jaar heeft geschilderd kan geen toeval zijn. En, o ja, dan heeft de Duitse kunstenaar ook nog een fikse kaakontsteking. Ook geen toeval: 'Ik lig dikwijls nachten wakker, knarsetandend. Van de ellende tegenwoordig.'

Het atelier laat zich maar moeilijk vinden, dan alleen na een dwaaltocht door bunkerachtige gangen en trappenhuizen. Het bevindt zich op de derde verdieping van een oude spinnerij aan de rand van Leipzig. 'We zweven hier hoog boven de wolken. Ik merk niets van wat er op aarde gebeurt.' De werkplaats ziet eruit zoals een werkplaats eruit moet zien: geordend chaotisch en van alle gemakken voorzien, noodzakelijk voor een langdurig verblijf - Rauch schildert gedisciplineerd vijf dagen per week, van 's morgens vroeg tot het begin van de avond. Een keukentje, gigantische cd-collectie, kunstboeken, planten, een bokszak, een bed en, natuurlijk, een ruim assortiment aan schildergerei: schilderezels, verftubes, versleten penselen en kwasten. Door hoge ramen van gelaagd glas schijnt het zonlicht gefilterd naar binnen. Van de buitenwereld is inderdaad niets te zien of te horen.

Beeld Marcel Wogram

Neo Rauch is een van de meest succesvolle schilders van Duitsland. Misschien wel van Europa. Zijn 50ste verjaardag was een nationale gebeurtenis. Zijn grootformaat schilderwerk wordt voor tonnen verhandeld, ook in Amerika, China, Rusland en de Arabische Emiraten. 'Ja, ik verkoop er goed', zal hij aan het einde van het interview vertellen. Waarom? 'Het spreekt mensen direct aan', is het korte maar adequate antwoord.

Hoe dat kan? Heel eenvoudig. Rauch schotelt je met zwierige penseelstreken en een overvloed aan menselijke figuren een dromerige wereld voor. Het werd hem geleerd op de Neue Leipziger Schule, de academie die al vóór 1989 geroemd werd als een traditionele, ambachtelijke opleiding voor realistische kunst - niet te verwarren met het socialistisch realisme uit de vroege Oostbloktijd. 'Daar heeft onze directeur, Bernhard Heisig, de school juist van weten te vrijwaren.' Rauch studeerde er van 1981 tot 1990 en was er later zelf docent.

Heeft hij ooit abstract geschilderd? 'Zeker, dertig jaar geleden, als jong mens. Ik was net afgestudeerd en wilde een 'contemporain kunstenaar' zijn. Ik dacht dat ik me bij het westerse kunstdiscours moest aansluiten. Toen betekende dat maar één ding: abstractie! Het was een race om mijn voorgangers in te halen. Godzijdank merkte ik al snel dat het een uitzichtloze wedstrijd was. Ik verloor er mijn respect voor. Figuratieve schilderkunst heeft een hogere moeilijkheidsgraad. Er kan meer fout gaan. Daarbij is het ook bevredigender. Als je 's avonds thuis komt is het leuker te zeggen dat je vader bent geworden van een mooie vrouw in een rood rokje dan van een blauwe driehoek.'

Uiteindelijk vond Rauch zijn eigen stijl: de menselijke figuur. 'Het is toch het meest stabiele handvat dat je kunt vinden. Als een schouder waarop je je hoofd legt, een been waarmee je je kunt voortbewegen.'

Hij spreekt over zijn geschilderde figuren graag als levende mensen. 'Ze zijn mijn begeleiders. Ik produceer ongeveer twintig schilderijen per jaar. Werk meestal aan zeven, acht doeken tegelijk. Er ontstaat dan een soort familieband. Als het hen goed gaat, gaat het mij ook goed. Als zij zich slecht voelen, voel ik mij miserabel. En andersom', vertelt de schilder met zijn hand tegen zijn ontstoken kaak. Dat hij vandaag een schilderij zal maken is uitgesloten.

Huisheiligen 

De Neue Leipziger Schule, waar Neo Rauch studeerde en lesgaf, heet officieel Hochschule für Grafik und Buchkunst Leipzig. De academie werd in de jaren 60 opgericht door Bernhard Heisig, Wolfgang Mattheuer en Werner Tübke. Het stond een artistieke vrijheid voor die zich niet door het communistische regime vanuit Oost-Berlijn liet knechten. Als 'huisheiligen' werden schilders als Lovis Corinth en Oskar Kokoschka gezien. En Max Beckmann, die ook uit Leipzig kwam.

Rauchs schilderijen zijn niet precies te plaatsen noch te verklaren, ondanks die kraakheldere, want realistische stijl. Het is hem op nogal wat kritiek komen te staan. Hij zou de boel nodeloos mystificeren. Hij zou een ouderwetse droomwereld oproepen, gelardeerd met allerlei onbegrijpelijke eigentijdse toevoegingen: tanks en bommen, rubberlaarzen en Ikeakastjes. Aanwijzingen die van alles suggereren, zonder verdere uitleg. En dan is er nog het vocabulair van zwaaiende vaandels en arbeidersretoriek. Wat wilde die Rauch nou eigenlijk?

Zijn reactie: 'Ik heb niet een bepaald, helder omschreven doel of conceptueel uitgangspunt, zoals dat in de jaren 90 en vogue was. Dat je een nauwkeurig omschreven idee aan het illustreren was, een these van Michel Foucault of een andere omhooggevallen modefilosoof. Dat zou mijn artistieke aanpak torpederen.'

Hij vertelt dat hij soms geen idee heeft waaraan hij begint bij een schilderij. Of dat het een paar verfspetters op de grond kunnen zijn die hem aan het schilderen krijgen. Rauch wijst naar het schilderij waaraan hij werkt, opgebouwd uit een beperkt palet van kraplakrood, oker en zwart. 'Ik wilde gewoon een schilderij maken dat geen blauw en groen had.' Voorstudies gebruikt hij niet, net zo min als foto's. 'Ik maak alles zelf.'

Beeld Marcel Wogram

Overigens, ook buiten het gedempte kleurgebruik ademt de hele sfeer in zijn schilderijen iets van de late 18de eeuw, met zijn kniebroeken, woeste bakkebaarden, fors gestrikte dassen, brede revers, hoge hoeden, landelijke uitzichten en vakwerkhuizen met Roodkapje-achtige vormen.

Rauch: 'De 18de eeuw is de periode waarin ik het liefst zou willen leven. De mode was geweldig, de muziek groots, de literatuur overweldigend. De wereld was toen nog helemaal in orde. Dat moment had men daarna moeten vasthouden. Het is daarna alleen bergafwaarts gegaan. Kijk naar de architectuur. Die was in de 18de eeuw van hoge kwaliteit. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben we de architectuur van de angst. Met platte daken en dikke betonnen muren, opgetrokken in afwachting van een atomaire overkill.'

Of hij een politieke kunstenaar is, daarover is hij duidelijk: 'Nee! Men ziet tegenwoordig graag dat kunst een wapen is, toepasbaar voor een bepaalde ideologie. Als propaganda. Dat is de dood van de kunst.' Maar hij kan zich toch niet geheel onttrekken aan wat om hem heen gebeurt? 'Dat doe ik ook niet. Het fijnstof van de wereld dwarrelt altijd wel op mijn canvas neer. Wat er in de lucht hangt. Ik kan me daaraan natuurlijk niet onttrekken. Mijn penseel is een seismograaf.

'Ik ben nostalgisch, een romanticus, zeker. Maar velen verwisselen romantiek tegenwoordig met irrationalisme, het onredelijke. In de kunst is dat niet erg. Daar mag je irrationeel en onverstandig zijn; in de politiek niet. Het is de hoogste tijd dat we de verlichtingsidealen van de 18de eeuw weer omarmen. Zodat het belang van verstand en rede weer terugkeren.

'Natuurlijk zou ik een optimist moeten zijn', vertelt Rauch, verwijzend naar zijn Oost-Duitse verleden. Geboren en opgegroeid in Leipzig heeft hij de tijd meegemaakt dat de Stasi iedereen in het oog hield, er geen meningsvrijheid was en reizen naar het buitenland uitgesloten was. 'Het is ons gelukt dat regime van ons af te werpen. Nota bene in één nacht tijd. We hebben de buurtwachters en huismeesters van toen verjaagd, ze zijn er alleen teruggekomen. Als bevoogders, degenen die ons het zwijgen opleggen uit een politieke correctheid. We staan weer tegenover elkaar als vroeger.'

Waar Rauch op doelt? Op dit: het selectieve stilzwijgen over het vluchtelingenprobleem dat juist in Duitsland de spuigaten uitloopt, volgens de schilder. Met een kanselier die roept dat ze het wel 'schaffen', en demonstranten in Dresden die het tegendeel schreeuwen. 'We kunnen niet nog eens 5 miljoen vluchtelingen opnemen. Of 10 miljoen, 20 miljoen. Natuurlijk willen die niet in Hongarije blijven, of Oostenrijk. Ze willen allemaal naar Duitsland. Het is een explosieve toestand. Ik vrees dat er bloed gaat vloeien, ook in Leipzig. Bloed van een terroristische aanslag of een burgeroorlog.'

Rauch wil ons dus toch ergens voor waarschuwen. Is hij zelf de trommelaar op het schilderij Gewitterfront? 'Misschien. Feitelijk ben ik al mijn figuren. Ik werk zo lang aan een schilderij dat ik het gevoel heb dat ik ín ze zit. Dat ik met ze kan leven en vrede kan sluiten. Het zijn slaapwandelaars die ik een veilig onderkomen wil geven. Schilderen is een vorm van beschermen en bewaren. Tot in de eeuwigheid.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden