Briefwisseling

Wat we altijd wilden weten van poëzie

Maar enigszins beschroomd waren direct te vragen

Drie gereputeerde dichters beantwoorden vrijpostige vragen over de dichtkunst - met als rode draad: hoe onderscheid je een goed gedicht van flauwiteiten met veel regelomhaal?

Dichter en columnist Ellen Deckwitz. Beeld Robin De Puy / de Volkskrant

Brief 1: Aan Ellen Deckwitz

Amsterdam, donderdag 23 augustus

Beste Ellen,

Omdat jij dichter bent en graag aan leken iets uitlegt over jouw vak, heb ik een vraag voor jou. Soms heb ik het vermoeden dat de lezer van poëzie gemakkelijker belazerd kan worden dan de lezer van proza. Zo lijkt het mij zonneklaar dat de laatste nooit genoegen zou nemen met het grote aantal mopjes dat K. Schippers debiteert in zijn recente bundel Garderobe, kleine zaal.

Hij is 80 jaar, won in 1996 de P.C. Hooftprijs, en is alom gerespecteerd. Alles kan een gedicht zijn, heeft hij ons al 50 jaar geleden geleerd. Gevonden teksten, advertenties, alles mag meedoen. Maar waarom komt hij geen stap vooruit? 'Kun je de druppels in een glas water tellen?' vraagt hij zich nu af. Moet ik dan denken: zo heb ik er nog nooit naar gekeken? Daar is die vraag te onbenullig voor. De gespeelde verwondering van de dichter.

Vijf pagina's vult Schippers met de cijfers op bonnetjes van een garderobe. Het woord half schrijft hij: ha lf. Om uit je vel te springen.

Het gedicht 'Telforts droom' bestaat uit twintig keer deze twee regels:

Een ogenblik geduld alstublieft.
We zullen u zo spoedig mogelijk te woord staan.

Ellen Deckwitz (1982) is dichter en columnist. In 2015 verscheen haar jongste bundel De blanke gave, in 2016 Olijven moet je leren lezen - Een cursus genieten van poëzie. Beeld Robin De Puy / de Volkskrant

Inderdaad, je kunt lang aan het lijntje worden gehouden als je door je telefoonaanbieder in de wacht wordt gezet. Maar hola, dit is géén gedicht, of is het alleen maar geen gezicht? Ik wil mijn dampende ergernis ook niet dempen met de gedachte 'dat je dit historisch moet zien'. Schippers komt uit een tijd van het stille variété, Tati en Stan Laurel, de eerste zwartwittelevisie en flauwe spelletjes om de verveling te verdrijven. Dan neem je met weinig genoegen.

In de jaren zestig van de vorige eeuw moesten de mensen om deze teksten grinniken. Wat leuk, dat dit ook poëzie mocht zijn. Maar we zijn een halve eeuw verder. De grapjes zijn uitgewerkt.

Toch is er niemand die dat tegen K. Schippers zegt. Het zal wel wat wezen, denken de mensen, die man heeft de P.C. Hooftprijs niet voor niks gekregen. Poëzielezers denken al gauw dat het aan hén ligt. Maar we worden belazerd. Of ga jij me vertellen dat ik het anders moet zien?

Met welgemeende groet,

Arjan

Borne, zondag 27 augustus

Beste Arjan,

Om maar met de deur in huis te vallen: ja, we worden belazerd als het op poëzie aankomt, althans: we kúnnen worden belazerd. Bij poëzie zie je soms niet een-twee-drie wat er wordt bedoeld: in gedichten wordt regelmatig om bepaalde zaken heen gekletst die zich niet eerder in taal lieten vangen, om die zaken juist te tonen. Het is een van de leesafspraken van de poëzie dat er meer staat dan er staat en er dus ook zaken zijn die zich niet meteen blootgeven. Daar moet je als lezer in mee willen gaan, en dat vereist een grotere portie welwillendheid dan voor het lezen van proza. Een welwillendheid waartoe niet iedereen in staat is.

We gaan ervan uit dat de dichter, maar ook diens redacteuren en uitgever de meerwaarde van de gedichten hebben ingezien, genoeg om het uit te willen geven. En dat de tekst, hoe vaag ook, iets te zeggen heeft dat op geen enkele andere manier kan worden verwoord. Ik denk dat dat meestal te goeder trouw is. Maar soms, zeker als het een dichter van naam betreft, kunnen uitgever en redacteur denken van ja, we zijn het er misschien niet helemaal mee eens maar het verkoopt, hij/zij heeft prijzen gekregen, er is blijkbaar bij jury's en lezers een markt voor, laten we het toch maar uitgeven.

En zo kan het dan gebeuren dat er een bundel zoals de laatste van K. Schippers in de schappen belandt. Je vindt dat hij geen stap vooruitkomt in zijn oeuvre, omdat hij technieken (jij zou misschien zeggen: trucjes) toepast die hij al vijftig jaar doet. Jij als ervaren poëzielezer voelt je gedebiliseerd en wordt daarom terecht pissig. Maar ik ken zeker mensen die dit geweldige gedichten zouden vinden: omdat ze te volgen zijn, omdat ze hen misschien laten stilstaan bij de vanzelfsprekendheden van taal.

De grapjes zijn uitgewerkt zeg je, maar het is hetzelfde soort humor dat ervoor zorgt dat de bundels van Lars van der Werff en Tim Hofman oplage na oplage halen. Sommige mensen beleven er wel genoegen aan, en dat is oké. Poëzie is, hoe je het ook wendt of keert, soms ook entertainment. Ja, ze kan helpen je denken te verscherpen en je inzichten en troost bieden, maar het is soms ook een lekker gestoei met taal. Iets waarom je kan lachen.

Nacht van de Poëzie

Zaterdagavond in TivoliVredenburg Utrecht vindt de 35ste Nacht van de Poëzie plaats, aanvang 20 uur, met onder anderen Cees Nooteboom, Neeltje Maria Min, Abdelkader Benali, Frank Koenegracht, Vicky Francken, Astrid Lampe en Jaap Robben.

Dat wil niet zeggen dat flauwe gedichten de poëzie geen reputatieschade kunnen toebrengen. Sommige mensen denken, zeker door bundels als die van Hofman of Van der Werff, dat een gedicht gewoon een mopje is met regelafbrekingen. Een sentimentaliteit met dubbelzinnigheden. Niet een noodkreet die op geen andere manier kan worden geformuleerd. Anderen denken van jeetje, dit is geen beste poëzie maar ja, als die man de P. C. Hooftprijs heeft gewonnen dan zal het wel aan mij liggen. Een trofee in het verleden biedt echter geen garantie voor literatuur in de toekomst. Net zoals bij filmprijzen. Er zijn genoeg acteurs en regisseurs die na het binnenhalen van een Oscar nog een paar Razzies winnen.

Je brief werpt een breder probleem op, dat van de reputatie. Soms zijn we bereid om het gedicht nog een kans te geven, als we weten dat de dichter in kwestie andere gedichten heeft geschreven die wel de moeite waard zijn. En dat er dus de mogelijkheid is dat er meer staat dan er staat. Bijvoorbeeld bij Tonnus Oosterhoff: de man heeft zoveel prijzen gewonnen voor zijn gedichten dat je hem wel de Michael Phelps van de poëzie kan noemen. Zijn bundel Leegte lacht (2011) opent met het volgende vers:

Aapje Pietje klom steeds hoger.

Het ging hem niet om hoger

maar om verder. Of eigenlijk

om weten. Vanonder het plafond

gooide hij met poep naar zijn verzorgers.

Het was heel smerig en hij keek er heel dom bij.

Toen ik dit aan mijn studenten voorlas, zonder erbij te hebben gezegd dat het van Oosterhoff afkomstig was, vonden de meesten dit een heel slecht gedicht. Flauw. Vies. Kinderlijk. Pas toen ik onthulde wie het had geschreven, wilden ze er nog een blik op werpen, en toen pas zeiden ze: o wacht, in dit gedicht is er compassie voor het dier, dat niet dier mag zijn. En meer van dat soort interpretaties.

In een ideale wereld zouden we een gedicht beoordelen zonder daarbij in ogenschouw te nemen wie het heeft geschreven. Ik heb met dichter Maarten van der Graaff het plan gehad om een speciaal tijdschrift op te richten hiervoor, getiteld Bourdieu, waarin alleen gedichten staan, zonder de namen van de dichters erbij. Terug naar de anonimiteit van de Middeleeuwen, waarbij de woorden zichzelf maar moesten zien te redden. Weg met symbolisch kapitaal.

Aan de andere kant: soms neem je alleen maar iets van iemand aan, als je weet wat hij kán. Als een willekeurig persoon tegen me zegt dat ik mijn leidingen moet schoonmaken met Fanta zeg ik natuurlijk: ja, doei. Maar als ik hoor dat die persoon al verschillende prijzen heeft gewonnen voor loodgieterschap, luister ik opeens wel.

Reputaties binnen de poëzie kunnen ervoor zorgen dat we bepaalde verzen overwaarderen (of onderwaarderen!!), maar ook dat we een tekst waar we vroeger onze schouders voor hadden opgehaald, opnieuw onder de loep nemen en er misschien opeens wél vreugde aan beleven.

Wat denk jij? Moeten we toch alsnog een tijdschrift oprichten waarin gedichten zonder hun schrijver worden gepubliceerd? Of lopen we dan de kans veel mooie gedichten te missen? Is reputatie een zegen over een vloek voor de dichtkunst?

Veel warms,

Ellen

Brief 2: aan Menno Wigman

Amsterdam, woensdag 30 augustus

Beste Menno,

Laatst schreef Ellen Deckwitz mij dat van de poëzielezer een 'grotere portie welwillendheid' wordt gevraagd. Dat rechtvaardigt mijn donkere vermoeden dat flauwekul in versvorm dikwijls milder wordt beoordeeld dan nodig is. Ik ga er nooit van uit dat dichter, uitgever of 'sommige lezers die er kennelijk wél plezier aan beleven' mij iets wijs kunnen maken; in de CPNB top60 staan wekelijks vele slechte boeken. Is Tim Hofman de moeite waard omdat hij veel lezers heeft? Zijn woordgrapjes hebben met poëzie niets te maken.

Zoals jij ook weet, is deze week de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie verschenen, Handschrift. Hij wordt veel gelezen, en het enge kringetje van recensenten begrijpt dat maar niet, want zijn thematiek is clichématig (dat wat ook maar de wereld zin geeft/ in onbenulligheid verdwijnt;/ al wat een schitterend begin heeft/ wordt vaal en lelijk op het eind), en zijn rijmende regelen lopen altijd in de pas.

Menno Wigman (1966) is dichter en vertaler. In 2016 verscheen zijn jongste bundel Slordig met geluk. Beeld Robin De Puy / de Volkskrant

Toch is er ook iets anders over te zeggen. Na de ochtend komt de middag en die wordt door de avond en de nacht gevolgd, zoals na de herfst de winter komt. Dat kunnen we nog geen verrassing noemen, toegegeven, maar elke keer weer lijkt Rawie door deze onweerlegbare gang van zaken niettemin van zijn stuk gebracht te worden. Nu vermoed ik dat hij zich ten diepste tegen deze dooddoeners - van het leven, en zodra hij ze verwoordt: van de poëzie - teweerstelt.

En daar heb ik ook aanwijzingen voor: Gelukkig heb ik mijn geliefde mee, schrijft hij, na de vaststelling dat het leven hem niets meer te bieden heeft, zij toont zich over alles opgetogen,/ en zegt dat het al licht wordt boven zee.

Waarom is het gelukkig dat zij hem vergezelt? Lichtpuntjes zouden toch alleen maar schijn zijn? En waarom schrijft hij te weten dat ieder ding ten onder gaat, en dat iedereen gehoorzaamt aan een wet/ waar ik mij niet in schik/ en tot mijn laatste snik/ tegen verzet?

Aha, dus Rawie is géén tevreden neerslachtig poëet maar een verzetsdichter, die liever óók had gezien dat het anders was dan hij heeft te constateren. Die instelling zet zijn (door lezers bejubelde, door kenners en collega's veelgesmade) gedichten onder spanning: hij reikhalst helemaal niet naar het graf, en dat 'de jaren gaan zoals ze kwamen' moeten we niet als een berustende zin lezen, maar eentje waar afkeer onder vlamt.

En wat mooi dat hij zijn vertaling van 'Sonnet van de dode kat' van Vinicius de Moraes eindigt met niets, niets is zo kapot/ als dode kat, waardoor het woord 'kat' een afkorting lijkt van 'kapot'; in zijn naam zit zijn droeve einde al besloten.

Toch zal Rawie nooit de P.C.Hooftprijs krijgen. Niet vernieuwend genoeg, heet het dan. Maar hij wíl helemaal niet vernieuwen! Experimenteren is toch geen plicht? Je hoeft reputaties niet kunstmatig weg te denken, of namen af te plakken alvorens te gaan lezen, zo lang je de bereidheid hebt om eerst te lezen wat er staat. Dan kunnen die reputaties ook onterecht blijken. Welwillendheid is een zwaktebod. Aandacht hoofdzaak. Dáárdoor kun je van vooroordelen genezen, wat een van de zegeningen van het lezen is, en waardoor je je blik voortdurend vernieuwt. Voor een lezer is het altijd hoi feest, om het met zekere dichteres te zeggen.

Namen wegplakken, heeft een dichter daar onder het scheppen vaak behoefte aan? Dat zou ik nou graag willen weten van jou, Menno Wigman, immers een eveneens vormvaste en belezen poëet. Heb jij er soms last van, onder het maken, dat je regels naar eigen zin 'te soepel lopen' en daardoor aan betekenis dreigen in te boeten, en zie je voortdurend de namen van je bewonderde voorgangers opduiken (Rilke, Baudelaire, Else Lasker-Schüler); alsof alles al een keer, en helaas ook nog heel mooi, is gezegd?

Hartelijke groeten,

Arjan

Amsterdam, 5 september

Beste Arjan,

Dank, veel dank voor je brief. Dus je hebt besloten je niet meer te laten belazeren door de poëzie, ja, je hebt het in je brief aan Ellen Deckwitz zelfs over de 'dampende ergernis' die zich bij het lezen van een gedicht van K. Schippers van je meester maakt. Dat is vanzelfsprekend je goed recht en het heeft zelfs iets strijdlustigs dat zo unverfroren tegen een dichter uit te spreken. Tegelijkertijd weet jij natuurlijk zelf ook wel dat je wrevel de meeste mensen koud zal laten: poëzie, het zal wel, waarom zouden we ons in godsnaam moeten vermoeien met al die ongein en die raadseltjes die ons zo doodleuk worden voorgelegd?

'Geen dichtregel was fraai, betoverend of bizar genoeg om het gezicht van de bankiers ook maar even uit de plooi te krijgen.' Beeld Robin De Puy

Jaren geleden was ik eens aanwezig bij de uitreiking van de VSB Poëzieprijs die in die tijd nog in De Rode Hoed in Amsterdam werd uitgereikt. Vraag me niet waarom, maar ik was een kleine vijf minuten te laat, mocht niet meer de benedenzaal in en was genoodzaakt de feestelijke uitreiking vanaf het slechtverlichte balkon gade te slaan. Vanaf mijn stoel de zaal in turend kon ik haarscherp de onberispelijk geklede bankiers beneden mij bestuderen: o ja, ze gedroegen zich beslist voornaam, die bankiers, geen dichtregel was fraai, betoverend of bizar genoeg om hun gezicht ook maar even uit de plooi te krijgen, niets, maar dan ook niets scheen iets met hen te doen.

Inmiddels hebben de bankiers doodleuk laten weten hun gulle prijs, elk jaar goed voor 25.000 euro, af te schaffen.

Ook hen liet de poëzie gewoon koud.

Toen ikzelf in 2013 met mijn bundel Mijn naam is Legioen genomineerd werd, beleefde dat boek maar liefst zes drukken. De mogelijkheid 25.000 euro te kunnen winnen gaf me, hoe kortstondig ook, toch enige moed en zal in de loop der jaren heel wat genomineerde dichters hoop hebben gegeven, het lijkt me sterk dat het niet ook de hoogte van het bedrag was waardoor die prijs al die tijd zoveel aandacht trok.

Maar zoals zoveel dichters voel ik me ongemakkelijk om het, juist als het over poëzie gaat, telkens over geldbedragen en verkoopcijfers te hebben. Je gaf zelf al aan dat het verbijsterende verkoopsucces van Tim Hofman maar weinig met diens poëzie te maken heeft. Gesteld dat Jean Pierre Rawie zijn nieuwe bundel binnen een half jaar bij de ramsj terug zou vinden: zou hij dan nog net zo scheef door zijn mededichters worden aangekeken, zou een enkele jury hem dan misschien wel opeens een prijs durven toe te kennen?

En dan nu je vraag. Ik zie eerlijk gezegd niet in waarom een dichtregel die 'te soepel' zou lopen aan betekenis zou moeten inboeten, integendeel: het liefst zou ik dichtregels schrijven die de indruk kunnen maken er eigenlijk altijd al geweest te zijn. Heeft poëzie niet ook met een zekere welluidendheid te maken? Die mis ik nogal eens in de hedendaagse poëzie waarin er haast een sport van wordt gemaakt om tot vermoeiens toe te 'ontregelen'. J. C. Bloem beweerde ooit: 'Een gedicht is beter, naarmate men de woorden ervan minder merkt.' Geen idee of dat ook waar is, maar een doodenkele keer gonzen die woorden tijdens het dichten toch door mijn hoofd.

Nog een citaat, opnieuw van een morsdode, maar nog altijd veelgelezen dichter. Tegen het eind van zijn leven verzuchtte Slauerhoff in een brief aan de nu nagenoeg vergeten dichteres Jo Landheer: 'Ik wou dat ik nooit een gedicht had gezien.' Wat bedoelde Slauerhoff met die woorden? Vermoedelijk dat hij zonder het zien en lezen van één enkel gedicht nooit zelf de aandrang had gevoeld zich in poëzie te uiten. Zo zal het ik weet niet hoeveel dichters zijn vergaan. Poëzie zien doet poëzie schrijven en een goed gedicht schrijf je nu eenmaal niet alleen.

Dus ja, een enkele keer zul je hier en daar best eens wat losse haren en stukjes nagels van bewonderde voorgangers als Rilke en Baudelaire in mijn gedichten kunnen aantreffen. En dat de meeste dingen allang gezegd zijn, daarop wil ik graag antwoorden met een variant op een regel uit mijn gedicht 'Jeunesse doreé': 'Is alles al gezegd, nog niet door mij.'

Denk trouwens niet, beste Arjan, dat het mij ook daadwerkelijk gelukt is veel 'klassieke regels' te schrijven: deze zomer werd ik tijdens een poëziefestival in Deventer aangekondigd door een dame die beweerde dat ik een groot aantal beroemd geworden dichtregels op mijn naam had staan. Daarna viel ze angstwekkend lang stil en hernam ze zich door opeens toch nog met een losse regel van mijn hand te komen: 'Ik ken de droefenis van copyrettes.'

Alle goeds,

Menno

Brief 3: aan Laura van der Haar

Amsterdam, 7 september

Beste Laura,

Een van de aantrekkelijkheden van poëzie is dat zij, misschien ongeremder dan proza, erop is gericht om welluidend te zijn, zoals Menno Wigman me onlangs berichtte. Om te klinken. Als het maar vast zingt. Daarin kan ik me vinden, als verstokte lezer die binnenkort alle Nederlandstalige dichtbundels van het vorig jaar en dit jaar onder ogen krijgt, als jurylid van de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2018. Het begint bij klanken - en dan lees je verder.

Laura van der Haar (1982) is archeoloog en dichter. Haar eerste bundel heet Bodemdrang (2014). Beeld Robin De Puy / de Volkskrant

Vanavond, tijdens de 35ste Nacht voor de Poëzie in Utrecht, zullen de versregels weer door de zaal rollen, en zoals dat gaat bij voordrachten - jou als gevierd slamdichteres hoef ik niets te vertellen -, de aandacht is het grootst wanneer de regels werkelijk lopen. Zou jij de stoutmoedige stelling kunnen onderschrijven dat poëzie klank is, nog vóórdat we hebben kunnen vaststellen of zij ook nog ergens over gaat? Uit jouw bundel Bodemdrang (2014), met een titel die lijkt te refereren aan je werk als archeoloog, haal ik het gedicht 'splinters' aan.

splinters

rottende slootkant, stofhooi, seks in de bosjes, festivalkots
klein straatgedierte sterft in roosters, vogels
walmen na op het wegdek

de zomer is begonnen

overal klinkt zacht gelik
aan ijsjes, liefjes, hondenanussen
autogeronk, bericht voor een meisje, plus het meisje
dat voorzichtig in haar handen wrijft

de smeulende resten van een barbecue
waar het vlees weer redelijk lekker was
rolschaatsers, rochelaars en wespen

die vroege zomer
steekt

net als de bosjes
hoeveel splinters zal haar lijf blijven verdragen
voordat ze meer hout is dan mens

Zoetgevooisd laat je de ellende zien van het opdringerige jaargetijde dat goddank op haar einde loopt. 's Zomers stinken alle steden, wist Menno Wigman reeds, en jij voegt daaraan toe dat ze ook nog steken. Je hoort alles al tijdens het lezen.

Waarom toch gaan we massaal naar festivals om naar dichters te luisteren, zonder aldaar hun bundels aan te schaffen? Ik heb in de wandelgangen van Vredenburg diverse Nachten achter een tafel wortel staan schieten, met naast mij Michaël Zeeman, collega-redacteur van het tijdschrift Optima; we hadden dan een poëzienummer gemaakt en dachten stapels exemplaren te kunnen verkopen.

Misschien zijn er vijf per nacht over de toonbank gegaan. Het kon liggen aan onze allengs chagrijniger hondenkoppen. In plaats van lezers kwamen er droefsnoeten en hysterica's op ons af, dat waren dan dichters en dichteressen die eens 'kennis wilden maken', omdat ze nog wel wat voor ons prachtblad 'in portefeuille hadden'. Het kostte nog veel moeite ons van die plakkers te ontdoen.

Wel luisteren, niet kopen. Dat is het vaak, op zo'n festival. Voor klanken heb je geen papier nodig.

Gaat het die kant op, met al die performers, van wie jij een talentrijk voorbeeld bent? Moeten we die bundels beschouwen als partituren, die de toehoorder niet hoeft te zien? Ik hoor het graag,

Met vriendelijke groeten,

Arjan Peters

Amsterdam, 9 september

Beste Arjan,

Direct volmondig JA! op je vraag of poëzie klank is. Ik denk aan een Portugees gedicht dat ik ergens op een festival hoorde, de vertaling las ik toen expres niet, bang dat de betekenis van de woorden de betovering van hun muzikaliteit zou verbreken. Echt geen flauw benul waar het over ging, maar het klonk zo mooi en die jongen meende het, dus dat was wel even genoeg.

Maar ook een weifelend nee denk ik, nee, op die vraag of poëzie klank is. Want:

Wat een wegzijn

van de pijlstaart
in november.
(Hans Faverey)

of:

Op ooghoogte - van mij uit bezien
heeft een slak een blad verzilverd
(Jacq Vogelaar)

of:

Een klein ebbenzwart katje wordt geboren,
het hart klopt als een speld in een doosje
(Miroslav Holub)

Het is misschien een soort vertrek met veel te veel deuren, poëzie, en klank is dan een van de deuren om door naar binnen gelokt te worden. De propper, zeg maar. Binnen: een vloer met valluiken, waar je dan voet zet op bijvoorbeeld ebbenzwart en direct naar de piano in het landhuis van oma roetsjt, slak woesj naar een tuinpad in Aalten, november woesj daar ga je weer.

Een vermeerderend gebied - ik droom trouwens heel vaak dat mijn huis ineens groter blijkt, dat er plots een bizarre kelder onder de gang ligt of dat ik een trappenkast heb die uitkomt op een balzaal, iets spannends en nieuws dus op een plek die zo vertrouwd is, en zo zie ik poëzie ook (óók): als de eindeloze mogelijkheid van nog meer ruimte.

Daarom koop ik dat papier ook zo graag, niet als partituur, maar als routekaart om mee rond te dwalen en te wachten en te vallen en me gelukkiger en verdrietiger en rijker en levendiger te voelen dan even daarvoor nog. Steeds weer opnieuw, dat kun je aan de festivaldichter met geen goed fatsoen vragen.

Groet!

Laura


Een goed/slecht gedicht

Wanneer is een gedicht geslaagd? Een lesje dichtkunst aan de hand van twee voorbeelden.

Langs Beilen

Uit een boek kijk je op naar 't huis altijd,
nog staande tussen beuken en platanen,
om je, een flits, diep in die tuin te wanen,
wanneer je in de sneltrein er langs rijdt.

Abstracties van een jeugd in zonnebanen
over dat grasveld en die witte geit,
herinnerd nu het kind van toen benijd:
in spel verloren de voorgoed gegane.

Zo keek het eens, 't was oorlogstijd, het lag
met griep, over die tuin heen naar de treinen.
Uit veewagens staken soms bleke handen.

Het had een boek om zelf in te verdwijnen
op een driemaster naar tropische landen,
woof nooit weerom, en wist niet wat het zag.

C.O. Jellema
(uit: Gedichten, oden, sonnetten, 1992)

Dit is een goed gedicht. Man in de sneltrein ziet het huis waar hij in zijn jeugd heeft gewoond. Alles lijkt op nostalgie te wijzen, met die weemoed om het kind dat geheel in zijn spel kon opgaan. De sonnetvorm werkt eens te meer aan die rustieke sfeer mee. Maar dan komt er een gruwzame oorlogsherinnering. Het beeld van de handen die uit veewagens steken (dat moeten de transporten van Westerbork naar Auschwitz zijn geweest) wordt bijna klinisch vastgesteld.

Waarom? Omdat het kind weer in zijn avonturenboek verdween, zonder te hebben beseft wat het zag. Het buitenissige van de situatie én het niet-begrijpen zitten allebei in die uitdrukking 'wist niet wat het zag'. Dat het kind een ander is dan de man die hier later over schrijft, drukt Jellema uit door niet 'ik' te laten vertellen, maar terug te kijken op 'het kind' dat hij toen was.

Tot slot: hoe mooi en lichtelijk tragisch, dat er ook overeenkomsten zijn: in het heden zit hij in de trein met een boek waar hij even uit opkijkt - en ziet weer het kind dat hij was, dat ook even opkeek uit zijn boek, naar de trein. Het kervende beeld van die handen die uit veewagens staken, is destijds niet begrepen maar wel gezien; zodat het nu ook ons alsnog kan treffen.

Bij de ingang

Twee daklozen bij de ingang van de supermarkt
Sarphatistraat Amsterdam.
De ene staat op de stoep voor de schuifdeuren
de daklozenkrant te verkopen, de andere
zit in het halletje achter de schuifdeuren
bij de karretjes en de automaten, daar
waar de wind niet komt, het waait stevig.

Ik zet mijn fiets vast aan een lantaarnpaal.
Zegt de ene die binnen zit, overigens een vrouw,
tegen de andere die buiten staat:
Heb jij een magnetron?
- Wat?
Heb jij een magnetron?
- Of ik een magnetron heb?
Ja, heb jij een magnetron?
- Een magnetron? Ja hoor, ik heb een magnetron.
Wil je d'r een?
- Wat wil ik?
Wil jij een magnetron, ik heb er eentje over.
- Heb jij een magnetron over?
Ja, ik heb er een over.
- Maar wat moet ik ermee, ik woon op straat, weet je wel.
Waarom begon je d'r dan over?
- Begon ík ergens over?
Ach sodemieter op man, zeik niet zo.

K. Michel
(uit: Te voet is het heelal drie dagen ver, 2016)

Dit is een slecht gedicht. Het is afkomstig uit een bundel die 'Te voet is het heelal drie dagen ver' heet. Ik heb nog overwogen of ik Robbert Dijkgraaf zou vragen dat na te meten. Zijn antwoord kan ik raden: 'Dit is geen wetenschap, dat zie ik zo. Vermoedelijk is het poëzie. Daar mag alles.'

Volgens de critici die op de flap worden geciteerd, biedt Michel 'glasheldere doorkijkjes in de ruis van alledag', met gedichten waar 'regelmatig een rare twist in zit die je even aan het wankelen brengt'.

Het is echter volstrekt onhelder waarom Michel vermeldt waar zich deze scène afspeelt, en dat hij zijn fiets aan een lantaarnpaal vastmaakt. Hij had zich als luisteraar buiten het verhaaltje kunnen houden. Dat het stevig waait, is nog wel functioneel. Dat kan verklaren waarom de ene dakloze de andere niet goed verstaat.

Waarom staan deze regels onder elkaar? Geen idee. Omdat dat poëtisch is? Het blijft een slappe anekdote tussen twee malloten. Niet mooi geschreven, niet leuk, er is niet eens een ritme, en als ik aan het wankelen word gebracht, komt dat door de levensgrote vraag waarom K. Michel ('een van de belangrijkste hedendaagse dichters') denkt dat het zo wel kan, met dit gedicht.

Goede kritieken blijkbaar en drie drukken in een halfjaar. Als dit doorkijkje een literaire prijs krijgt, kom ik de uitreiking verstoren.

Arjan Peters


Woordenzwendel

Poëzie is ongewoon taalgebruik. Maar betekent ongewoon ook ingewikkeld en ondoorgrondelijk? Al een eeuw of langer is dat een strijdpunt in het literaire debat. In haast elke generatie worden 'complexe' dichters van onwaarachtigheid beticht, terwijl hun 'verstaanbare' collega's - net zo karikaturaal - simplisme wordt verweten.

Een vroege stem in het debat is Batavus Droogstoppel, de zelf benoemde criticus in Multatuli's roman Max Havelaar (1860). 'Ik heb niets tegen verzen op zichzelf', verklaart Droogstoppel. 'Wil men de woorden in 't gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. 'De lucht is guur, en 't is vier uur.' Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is.' Op elk ander tijdstip ('de lucht is guur, en 't is kwartier voor drieën') ziet Droogstoppel de dichter in moeilijkheden komen: 'Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beide is dan gelogen.'

Na Droogstoppel verwoordt de essayist Menno ter Braak een subtielere scepsis. Niet dat Ter Braak gedichten tout court wantrouwt, hij wantrouwt hoe erover wordt geschreven. 'Mijn dankbaarheid jegens de poëzie in het algemeen is niet zeer groot', stelt hij in 1934. 'Dat ligt minder aan de poëzie dan aan de woordenzwendel, waarmee men haar placht en pleegt te omgeven. Er is in Nederland zoveel getheoretiseerd over het schoon van verzen, dat men zich als redelijk mens wel moet afvragen, welke grond er kan zijn voor al die theorie.'

Gewantrouwd werden ook de Vijftigers, die na de Tweede Wereldoorlog radicaal afscheid namen van het klassieke, vormvaste vers (Gerrit Kouwenaar: 'er is een lyriek die wij afschaffen'). De complexiteit van dichters als Kouwenaar, Lucebert, Elburg en Vinkenoog zou alleen maar dienen om hun gebrek aan inhoud te verbloemen, vond de oudere dichter Bertus Aafjes. Hij las niets dan 'kruiswoordraadsels en kryptogrammen van vermagerd gevoel en gezwollen intellect, die de lezer maar moet zien terug te brengen tot de proporties van verstaanbaarheid'. Grover geschut hanteerde Aafjes in 1951 in Elseviers Weekblad: 'Lees ik Luceberts poëzie, dan heb ik het gevoel dat de ss de poëzie is binnen gemarcheerd. Een totalitair stelsel van rauwe gevoelens en instincten, met de laarzen aan.'

Aafjes had later spijt van zijn beruchte aanval, die uiteindelijk vooral hemzelf schade berokkende: de geschiedenis gaf hem ongelijk. Hoe traumatisch de controverse was, bleek veertig jaar later nog toen Joost Zwagerman zich keerde tegen wat hij 'Het juk van het grote Niets' noemde. Tegenover de complexe verzen uit de school van Kouwenaar stelde Zwagerman een warmbloedige, 'maximale' poëzie waarin het hele leven resoneert. Toen in 1988 de bundel Maximaal, met werk van Zwagerman en geestverwanten, positief werd ontvangen, stelde Bas Heijne dat Zwagerman had ingespeeld op het 'Aafjes-complex': critici zouden de Maximalen hebben gespaard uit angst in hetzelfde schuitje als Aafjes te belanden.

De controverse tussen verstaanbaarheid en academisme vlamde daarna nog herhaaldelijk op. In zijn kritische bloemlezing Kost en inwoning (2005) noemde Gerrit Komrij zijn collega Anneke Brassinga (tien jaar later bekroond met de P.C. Hooftprijs) een aanvoerster van 'de nieuwe précieuses ridicules' en van de 'opzettelijk mysterieuze' Gertrude Starink (Herman Gorterprijs 1996) meende hij dat zij louter 'in het academielands' dichtte.

In 2012 verwoordde de dichter Ingmar Heytze in een Volkskrant-essay hoe jury's en critici volgens hem redeneren: 'Experimentele, onnavolgbare, ontregelend bedoelde poëzie is de best denkbare poëzie. Alle andere gedichten zijn leuk en aardig voor lezers die te stom zijn om zichzelf de juiste, academisch geschoolde leeshouding aan te meten.'

Hoe verschillend er onder vakgenoten gedacht wordt, bleek een jaar later. De betreurde dichter en criticus Erik Menkveld kwam in de Volkskrant tot een heel andere conclusie: 'Het poëtische landschap van vandaag is rijk geschakeerd en vruchtbaar, vredig en kleinschalig - iedere dichter heeft zijn eigen akkertje en neemt vriendelijk de pet af voor de anekdotische of conceptuele buurman.'

Amen, en wachten wij op het volgende tegengeluid.

Erik van den Berg

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.