WAT NIET WORDT GEZIEN, BESTAAT NIET

Steeds meer beeldende-kunstprijzen telt Nederland. Devaluatie roept de een. Juist goed, vindt criticus Sacha Bronwasser, jurylid voor twee van die prijzen....

Morgen wordt in het Stedelijk Museum in Amsterdam een tentoonstelling geopend met werk van vijf genomineerden voor de prijs voor de beste Europese kunstenaar. De genomineerden zijn vijf mannen die het goed doen in de kunstwereld: Urs Fischer, Dan Perjovschi, Cerith Wyn Evans, Wilhelm Sasnal en Andrei Monastyrski. Over twee maanden weten we wie het geworden is.

Herstel. Volgende week, op 23 september, wordt in het Bonnefantenmuseum in Maastricht de prijs voor de beste Europese kunstenaar uitgereikt aan Bethan Huws. Deze Britse kunstenares vertegenwoordigde Wales op de Biënnale van Venetië in 2003.

Dat er nu twee Europese kunstprijzen vanuit Nederland worden uitgereikt is een kwestie van stedennijd. The Vincent, de tweejaarlijkse prijs die in het Stedelijk vergeven wordt, werd tot op heden in het Bonnefantemuseum in Maastricht gehouden. Daar genereerde de prestigieuze prijs van 50 duizend euro te weinig aandacht naar de zin van de organisatie en men verhuisde naar Amsterdam. Daarop riep Maastricht de nieuwe B.A.C.A. (Biennial Award for Contemporary Art, ook 50 duizend euro), in het leven. Beide prijzen beroepen zich op dezelfde geschiedenis, namelijk de prijswinnaars die eerder The Vincent ontvingen. Beide zijn even groot, in beider jury zitten usual suspects uit het hedendaagse kunstcircuit.

‘Wildgroei aan kunstprijzen’, kopte het vakblad Metropolis M boven een artikel van criticus Hans den Hartog Jager waarin hij stelde dat de hausse aan kunstprijzen leidt tot een devaluatie van het begrip kunst. Al sinds 1870 hadden we de Prix de Rome, sinds 1871 de Koninklijke Prijs voor de schilderkunst. Dan zijn er nog de Charlotte Köhlerprijs, de Van Bommel van Dam-prijs, de Wim Izaksprijs, de Charlotte van Pallandtprijs, de Witteveen+Bos Kunst+Techniek Prijs, de Philip Morris Kunstprijs, de ABNAMRO Kunstprijs, de oeuvreprijzen van het Fonds BKVB, de CoBRA Kunstprijs Amstelveen, de kersverse Art Olive prijs, de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs – en er zijn er meer.

Volgens Den Hartog Jager jagen musea, bedrijven en de overheid kunstenaars in de voorronden van weer een prijs ‘als slachtvee voor zich uit’. De verkiezingen van de kunstenaars lijden volgens hem aan ‘opzichtige inhoudelijke zinledigheid’; ze dienen slechts ter meerdere eer en glorie van het bedrijf, het museum, de krant of de stad die de prijs uitreikt en in ruil daarvoor aandacht opeist.

Het is verleidelijk als criticus om zo te denken. Het klinkt ook zo logisch dat je het er bijna mee eens zou zijn: meer prijzen, minder kwaliteit. Maar wie verder denkt, ziet dat het getuigt van een Hollandse benepenheid. Kunstprijzen zijn een zegen voor de kunstenaars. Er kunnen er nog best een paar bij.

Misschien is het lastig voor de criticus. Die zal, zuchtend en wel, zelf op pad moeten voor zijn vergelijkend warenonderzoek. Aan de andere kant: geen criticus zal toch zo naïef zijn om te geloven dat er slechts één of zelfs twee ‘beste’ kunstenaars van Europa rondlopen? Op pad moet hij sowieso.

Den Hartog Jager stoort zich aan het garen dat de initiatiefnemer erbij spint. Hij doet alsof de prijsgevers likkebaardend vóór hun laureaten kruipen en aandacht voor zichzelf opeisen. Waar hij deze praktijken heeft gezien blijft de vraag, want meestal gaat het anders.

Een voorbeeld. The Vincent, een prijs die binnen zes jaar een aardig prestige heeft opgebouwd (door het hoge geldbedrag, door de degelijke winnaars en waarschijnlijk ook door de slim gekozen, universeel bruikbare naam) is een initiatief van de Broere Charitable Foundation uit Dordrecht. Broere N.V. is een olie- en scheepvaartmaatschappij die voorheen via de stichting medisch onderzoek stimuleerde. Ter nagedachtenis aan Monique Zajfen, de Antwerpse galeriehoudster van Galerie 121 en vriendin van de gebroeders Broere, werd de prijs in het leven geroepen.

Zelfs op internet moet je vrij diep graven om erachter te komen wie en wat er achter de prijs zitten. De Broeres doen meer aan kunst: zo financierden ze de gebrandschilderde ramen van kunstenaar Teun Hocks in een kerk in Dordrecht. Ook zonder borstklopperij. De verhuizing van Maastricht naar Amsterdam betrof niet het gebrek aan aandacht voor het bedrijf, maar voor de kunstenaars.

Een tweede voorbeeld. Ik was twee jaar lang jurylid van de Witteveen+Bos Kunst+Techniek Prijs. Het ingenieursbureau, dat van oudsher al kunstwerken in serie verkoos boven jaarlijkse kerstpakketten, scheepte zichzelf op met een jury die een voor hen cryptisch jargon bezigde over een nieuw vakgebied. Kritiek van werknemers en relaties werd gepareerd; na een aantal jaren zouden ook de werknemers zien dat het toekennen van deze prijs niet alleen goed voor de kunstenaar, maar ook goed voor hun eigen geestelijk leven was. Extra opdrachten kreeg het bureau er niet door; integendeel, het vrat tijd, die prijs. En inderdaad, ze waagden elk jaar een telefoontje naar de krantenredacties. Dat werd soms wel, soms niet gehonoreerd. De prijswinnaars waren hoe dan ook erg gelukkig met de erkenning van hun werk en een vakgebied (kunst en techniek) dat meestal tussen wal en schip valt.

Nog een ander voorbeeld: de inmiddels ter ziele gegane NPS Cultuurprijs. Een media-event waarbij schilders, componisten, zangers, regisseurs en andere kunstenaars na een voordracht van ‘mentoren’ en ondervraging door juryleden live op televisie wonnen of verloren. Dat de NPS zichzelf hiermee als cultuurminnaar in beeld wilde spelen zou een loze beschuldiging zijn; cultuur is het bestaansrecht van die omroep.

Een van de verliezers in 1998, Michael Tedja, vond de ondervraging op tv niet zo prettig. Desalniettemin was de verkiezing voor hem van groot belang. Het was ‘de kans om mijn werk aan een groter publiek te tonen’ zei hij twee jaar na de wedstrijd, toen de NPS onderzocht hoe het de kandidaten vergaan was. Eén van de juryleden, Wim van Krimpen, bood hem een half jaar na de prijs een solotentoonstelling aan in het Fries Museum; het begin van een tot op heden profijtelijke loopbaan, die hij inmiddels in de Verenigde Staten voortzet.

Voor een kunstenaar is een prijs altijd van belang. Bij gebrek aan een levendige verzamelaarscultuur en na de kaalslag in het kunstonderwijs is het in Nederland zelfs geweldig dat er zoveel prijzen zijn. Een prijs of zelfs een nominatie voor een prijs op je cv geeft aan dat het werk uitvoerig is bekeken door een groep deskundigen (die ene lachwekkende ‘Kunstenaar van het jaar’-internetverkiezing daargelaten). Anders dan Den Hartog Jager beweert, worden de shortlists voor prijzen niet ‘willekeurig gekozen’; ik herinner mij de uitputtende rondes van de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs. Zulke blijken van aandacht zijn, net als een masterdiploma, zeker over de grens heel erg veel waard.

En het prijzengeld is ook niet iets om weg te wuiven. In tegenstelling tot wat wel wordt gedacht is het kunstenaarbestaan geen door subsidies geschraagd walhalla, maar een praktijk van hard, tot zeer hard werken. Een subsidieaanvraag betekent een gigantische tijdverslindende papierwinkel – veel kunstenaars doen het zonder. Voor de kunstenaar zonder vaste werktijden, zonder vaste inkomsten, zonder pensioen en dertiende maand kan een prijs een verademing zijn. Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.

Dat er plaats is voor zoveel prijzen, heeft alles te maken met veranderingen binnen de kunst. Die is zoveel gedifferentieerder geworden dat eens in de zoveel jaar een Prix de Rome voor Beeldende Kunst onmogelijk de lading kan dekken. Wie de moeite neemt om die prijzen eens echt van dichtbij te bekijken, ziet dat we juist door de veelheid ervan steeds minder last krijgen van het ‘appels en peren’-syndroom – een van de kritiekpunten tegen de voormalige NPS Cultuurprijs. Er zijn prijzen voor schilders, voor jonge videomakers, voor academieverlaters, voor mid-career artists, voor kunstenaars die technisch vernieuwend werk maken, voor beeldhouwers, voor in Nederland werkende kunstenaars van niet-Nederlandse origine.

In de verschillende leeftijdscategoriën en de verschillende disciplines is het af en toe zinvol om te vergelijken. Een van de redenen waarom er in bijvoorbeeld Duitsland en Engeland ook zoveel verschillende prijzen zijn – echt niet alleen de eeuwig aangehaalde Turner Prize.

Voor wie is een kunstprijs in eerste instantie bedoeld? Voor de kunstenaar. Niet voor de organiserende instantie, niet voor het publiek en zeker niet voor mopperende critici voor wie ‘aandacht’ een vies woord is. Kunst die niet gezien wordt, bestaat niet.

Dat de prijsgever daarbij soms ook aandacht voor zichzelf wenst, is een verschijnsel van alle tijden waar alleen een zeurkous wakker van ligt. Toen Jodocus Vyd en Isabelle Borluut aan Hubert en Jan van Eyck ruim vijfhonderd jaar geleden opdracht gaven om het Lam Gods-altaar te schilderen, reserveerden ze een prominente plaats naast Johannes de Doper en Johannes de Evangelist voor hun eigen beeltenis. Daarbij vergeleken doen de meeste prijsgevers het tegenwoordig heel rustig aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden