Wat maakt Janine Jansen zo bijzonder? 3 collega-violisten geven antwoord

'Janine houdt zich aan wat ze zelf wil doen'

Janine Jansen wordt 40. Wat maakt haar de ster die ze is? Drie van haar collega's verklaren Jansens grootheid, aan de hand van zes opnamen.

Hoera: een taartportret voor de jarige. Foto Daniel Cohen

Even is er verwarring. Wordt Janine Jansen echt 40 op 7 januari, zoals overal op internet te lezen staat? Jeugdvriendin en medeviolist Nadia Wijzenbeek meent te weten dat ze de 11de jarig is. Het zal toch niet dat een querulant een willekeurige geboortedatum op haar Wikipediapagina heeft gezet, dat die vervolgens overal is overgenomen en dat wij die taart met 'Hoera! Janine 40 jaar' dus voor niks hebben besteld?

Daar is het verlossende sms'je van haar manager al. Geen zorgen, ze is écht jarig zondag. De taart smaakt hoe dan ook goddelijk.

Veertig jaar Janine dus - voor fans, collega's en eigenlijk iedereen in de muziekwereld is haar voornaam genoeg. Zo'n vijftien daarvan staat ze aan de top van vioolspelend Nederland - haar debuutalbum bij Decca verscheen in 2003. Jansen is Nederlands grootste ster van de klassieke muziek (André Rieu, die zich met zijn stadionconcerten in een ander circuit begeeft, laten we even buiten beschouwing) en misschien wel de beste violist die dit land heeft voortgebracht.

Ook in de VS dringt door hoe goed ze is. Momenteel oogst ze jubelrecensies voor haar concertserie in Carnegie Hall in New York. Maar wat maakt haar nou zo bijzonder? Dat onderzoeken we vandaag met drie violisten, aan de hand van haar albums. Plaats van handeling: een huiskamer vol slingers en ballonnen in de stad waar Jansen aan het conservatorium studeerde, waar haar vader Dom-organist was en ze van 2003 tot 2016 het Internationaal Kamermuziekfestival Utrecht (IKFU) organiseerde.

De drie panelleden delen een geschiedenis met Jansen. Nadia Wijzenbeek (38), concertmeester van het Radio Filharmonisch Orkest en ensemble Ludwig, leerde Janine als kind kennen toen ze samen vioolles hadden bij Nadia's tante, de vioolpedagoog Coosje Wijzenbeek.

Jansen, Argerich, Maisky

Janine Jansen is deze maand drie keer te horen in het Concertgebouw in Amsterdam. Op 10 en 11/1 soleert ze in Max Bruchs Eerste vioolconcert bij het Concertgebouworkest o.l.v. Daniele Gatti. Op 29/1 speelt ze er pianotrio's van Tsjaikovski en Sjostakovitsj met Martha Argerich (piano) en Mischa Maisky (cello).

Janine Jansen Foto Els Zweerink

Het tweede lid is Wouter Vossen (44), de violist van het Storioni Trio en de kersverse concertmeester van het Residentie Orkest. Saillant detail: tijdens het Oskar Back-concours van 1993 eindigde hij één plaats voor Jansen. Ze was pas 15, veel jonger dan de rest, toen ze naast Vossen haar plek op het erepodium opeiste.

Het panel wordt gecompleteerd door Rosanne Philippens (31), die als solist de wereld over trekt. Zij heeft sinds een paar jaar de Stradivarius in bruikleen die eerder door Jansen werd bespeeld (de Barrere uit 1727). Ze is een groot bewonderaar van Jansen, zoals dat ook geldt voor Wijzenbeek en Vossen.

Vanaf wanneer wisten ze dat Jansen zo'n grootheid zou worden? Wijzenbeek: 'Voor mij was dat toen ze een jaar of 12 was wel duidelijk. Ze wist al zo goed wat ze wilde. Ze was eigenwijs, overtuigd dat ze een melodie nu eenmaal moest spelen zoals zij die in haar hoofd had. Ik merkte hoeveel indruk ze maakte op volwassenen. Altijd als we samen naar een zomercursus gingen, viel ze op.'

Nadia Wijzenbeek, Wouter Vossen en Rosanne Philippens

Vossen: 'Vóór het Oskar Backconcours had ik nog nooit van haar gehoord. Ik zag vooral Sonja van Beek (die de eerste prijs won, red.) als concurrent. En ineens was daar Janine. In 1999 speelde ik voor het eerst met haar samen in het Concertgebouw, ze soleerde bij het Nederlands Kamerorkest, waar ik inviel als concertmeester. Het was volgens mij haar eerste grote project daar, maar ze leek totaal niet onder de indruk van de Grote Zaal - ze was alleen met muziek bezig. Daardoor wist ik: zij wordt een grote.'

Toen Rosanne Philippens haar voor het eerst hoorde, was Jansen al doorgebroken. Maar de impact was er niet minder om. 'Ik had het gevoel dat ik in mijn gezicht werd geslagen door wat daar op het podium gebeurde', vertelt Philippens. 'Het was tijdens haar festival. Eerst dacht ik altijd: o, gezellig, vioolspelen. Maar Janine speelde zó fantastisch. In de auto op weg naar huis heb ik alleen maar gehuild. Ik dacht: ik moet afscheid nemen van mijn vriendinnen, stoppen met mijn hobby's, ik moet alleen nog maar oefenen.'

Ze zet het mes in de taart. We gaan beginnen.

Wilt u meeluisteren met de genoemde stukken? Zet dan hieronder de Spotify-lijst aan.

The Lark Ascending (2003)

Het eerste stuk dat we opzetten is The Lark Ascending van de Brit Ralph Vaughan Williams, uit 1914. In de compositie, met een kwartier de langste op Jansens titelloze debuutalbum, wordt de vlucht van een veldleeuwerik verklankt. Wijzenbeek: 'Dit stuk vraagt om een lichte aanpak. Je hoort hier iemand die durft kleuren aan te brengen, iemand die niet te plaatsen is in een school of een hokje. Ze brengt veel variatie aan in haar vibrato.'

Vossen: 'Ze speelt hier zo subtiel.'

Philippens: 'Het klinkt bijna alsof ze de muziek ter plekke verzint, alsof ze improviseert. Dat is iets wat je niet kunt aanleren.'

Natuurlijk, er zijn violisten die nog virtuozer spelen. Vossen: 'Maar showpieces, Paganini en zo, die vindt ze niet interessant. Het gaat haar echt om de vraag: vind ik het muzikaal interessant?' Wijzenbeek: 'De techniek is er gewoon bij haar, die is slechts een middel.'

De vier jaargetijden (2004)

We zetten een ander plaatje op: De vier jaargetijden van Vivaldi, kaskraker aller kaskrakers. De aanhangers van de historische uitvoeringspraktijk, die verkiezen de muziek uit te voeren op instrumenten en met de speelwijzen uit de tijd van de compositie, hebben vast bedenkingen tegen Jansens vertolking van dit barokstuk uit circa 1723.

Barokspecialisten prefereren meestal een lagere toonhoogte (415 in plaats van 440 Hertz voor de centrale a op een klavier) omdat musici door de eeuwen heen hoger zijn gaan spelen en darmsnaren plaats maakten voor snaren van kunststof of edelmetaal.

Vossen: 'Toch vind ik haar heel goed op haar plek in dit repertoire. Je merkt dat ze uit een familie met veel barokmusici komt. Janine weet zich eenvoudig te bewegen in diverse speelstijlen, dat is misschien wel typisch Nederlands.'

Wijzenbeek: 'Ik vind het knap dat ze in zo'n afgezaagd stuk toch een eigen invalshoek ontdekt. Het is alsof ze van haar partij een lijn maakt van elastiek, typisch Janine.'

Wie haar ziet spelen, krijgt het idee dat ze, haar rechterschouder hoog opgetrokken, de muziek uit haar snaren trekt. De manier waarop zij opgaat in haar spel lijkt op een tijgerin die een prooi grijpt. Wijzenbeek merkt op dat ze, wanneer ze Jansen hoort, zich weleens voorstelt dat er een man speelt. 'Wat vind je mannelijk aan haar spel dan?', vraagt Philippens, 'en wanneer is iets vrouwelijk? Als je beweging hoort? Als het weelderig klinkt?'

Wijzenbeek: 'Ze speelt niet zo zoetjes. Energiek. Niet watjesachtig.'

Vossen: 'Ik associeer haar spel juist met vrouwelijkheid. Niet dat het lief of rond is, maar bij mannelijke solisten denk ik vaak: borst vooruit en gaan. Janine let op iedereen om zich heen, ze is wendbaar. Ik associeer vrouwelijkheid ook met veelkleurigheid, een bepaalde intensiteit.'

Beethovens Vioolconcert (2009)

Het Vioolconcert van Beethoven uit 1806 is hét vioolconcert. 'Toch hè, als je puur naar de noten kijkt, is het niet zo'n lastig stuk om te spelen', zegt Philippens. 'Maar die lading!', vult Vossen aan. 'De zenuwen die je krijgt als het orkest al drie minuten bezig is en jij dan moet inzetten. Iedereen heeft er een mening over. Je weet dat je zult worden gewogen.'

Maar Jansen gaat er fluitend doorheen, is de consensus. Wijzenbeek: 'Bij haar heb ik geen moment dat o-jee-gevoel.' In de eerste maten van haar eerste solo speelt ze met spanning en ontspanning, met aantrekken en afstoten, terwijl haar toon altijd zangerig blijft. 'Heel zonnig', zegt Wijzenbeek. 'Herken jij nou trouwens je viool, Rosanne?'

'Jááá', zegt Philippens.

Bachs Ciaccona (2007)

In Beethovens Vioolconcert lijkt het soms alsof Jansen een eindeloze strijkstok heeft: het is soms maar nauwelijks vast te stellen waar haar op- en afstreken beginnen. Het is ook haar strijkarm die wordt geprezen in Bachs Ciaccona uit de Tweede partita (BWV 1004, 1720), het berucht zware solostuk. Vossen: 'In de streek, daar zit het karakter van de violist. In de Ciaccona hoor je vaak wat gehak, maar Janine speelt met een jaloersmakende souplesse. Haar toon is hier licht, maar heeft toch veel kern.'

Philippens: 'En je hebt bij haar nooit het idee dat de noten en secties los van elkaar staan.'

Quatuor pour la fin du temps (2017)

Een recente opname dan. Kamermuziek. Het Quatuor pour la fin du temps (Kwartet voor het einde van de tijd) van Olivier Messiaen. Het album, opgenomen met muziekvrienden Martin Fröst (klarinet), Lucas Debargue (piano) en Thorleif Tedéen (cello), verscheen vorig jaar bij Sony. In het slotdeel is het de viool die de hoofdrol krijgt.

Jansen lijkt het in één lange ademteug te spelen. Ze laat haar toon vanuit de donkerte verkleuren. Wijzenbeek prijst de berusting in Jansens spel. Maar ze klinkt anders dan gebruikelijk, vindt Philippens. 'Ik herken haar in die eerste maten haast niet. Ik heb het gevoel dat ze hier meer afstand houdt tot de muziek, het is alsof ze de noten alleen aanraakt in plaats van dat ze die dicht bij haar hart laat komen. Dat bedoel ik niet negatief, hè? Misschien heeft deze muziek die afstand nodig.'

Vossen: 'Messiaen schreef dit stuk toen hij in 1941 in een Duits krijgsgevangenkamp zat. Het heeft een Matthäus-Passion-achtige lading.'

Prokofjevs Tweede vioolconcert (2012)

Vorig jaar verscheen een opname van het Tweede vioolconcert van Sergej Prokofjev uit 1935, gespeeld door Rosanne Philippens. Vijf jaar eerder bracht Janine Jansen haar versie uit. In beide opnamen horen we dezelfde viool. Heeft Philippens ook naar Jansen geluisterd toen ze nog aan haar eigen visie werkte? Philippens: 'Ja, ik heb toen zo veel mogelijk opnamen bestudeerd. Ik denk dat je vooral verschil hoort in het eerste deel, daar heb je meer ruimte om je te onderscheiden.'

'Tot ik een jaar of 16 was wilde ik Janine zijn. Toen ik erachter kwam dat ik nooit Janine kon worden, was dat zowel een teleurstelling als een bevrijding - ik moest er gewoon voor zorgen de beste versie van mezelf te zijn. Janine houdt zich aan wat ze zelf wil doen. Eigenlijk is dat nog wel het belangrijkste dat ik van haar probeer te leren.'